1 Samuël 1-7 (Deel 1: Bidden in oorlogstijd)

Thema: Bidden in oorlogstijd
Tekst: 1 Samuël 1: 11
Tekstgedeelte(n): 1 Samuël 1
Door: Ds. Th.J. Havinga (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Zuidlaren)
Gehouden te: Loppersum-Westeremden op 25 juni 2000
Opmerking RJCV:

De delen van de prekenserie 1 Samuël 1-7 kunnen afzonderlijk van elkaar gelezen worden. De prekenserie bestaat uit:
1: 1Sa01v11 - Bidden in oorlogstijd
2: 1Sa03v01 - God gaat weer spreken in de kerk
3: 1Sa04v01b - Is God altijd met ons?
4: 1Sa07v02 - Bekering geeft toekomst
5: 1Sa07v12 - Eben-Haëzer: de steen die omhoog wijst

Extra: Inleiding op de prekenserie: 1Samuël 1-7.

Aanwijzingen voor de Liturgie

Lezen:
1 Samuël 1
Tekst: 1 Samuël 1: 11

Zingen:
Gez. 29: 1, 4
Ps. 138: 1
Gez. 35
Lied 9: 1, 6, 10
Gez. 7: 1, 6

Gebed

Aanspraak:
Here der Heerscharen.
Dankzegging: rustdag en vieren van verlossing met God en met elkaar.
Gebed om zegen voor dienst en hulp bij taak.
Schuldbelijdenis en gebed om vergeving en vernieuwing.

Voorbede:
Ongeboren leven. Kinderloosheid. Dwalenden. Wereld in nood: zonde en narigheid.

Preek

Broeders en zusters, gemeente van onze Here Jezus Christus,

Stel u voor: er is oorlog tussen twee landen. Zeg maar: Nederland en Duitsland. De Duitse soldaten vechten tegen de Nederlandse. Duitsland wil Nederland veroveren. Wie zijn er op zo'n moment belangrijk in de oorlog? De soldaten, hè? Zij moeten het maken. De Nederlandse soldaten moeten ons land verdedigen. Zij zijn de mensen om wie het gaat. Andere mensen kunnen maar weinig doen. Om een voorbeeld te noemen: een huisvrouw kan de oorlog niet winnen. Ze weet wel dat het oorlog is. En ze volgt de strijd wel. Via de krant, de radio, de televisie. Maar ze kan er niks aan bijdragen. Ze kan alleen maar afwachten hoe het afloopt. En hopen dat het goed afloopt. Zal Duitsland de oorlog winnen? Zal Nederland veroverd worden? Zullen de Nederlandse soldaten kunnen standhouden in de gevechten? Die vrouw kan er niets aan veranderen. Ze is machteloos.

Gemeente, in 1 Samuël 1 gaat het ook over een vrouw. Ze heet Hanna. En eigenlijk gaat het in 1 Samuël 1 ook over een oorlog. Uiteindelijk de oorlog tussen God en Satan. En de inzet is: komt Gods Rijk of komt het niet? Van die strijd kun je iets zien. Bijvoorbeeld in Hanna's gezin. En de vraag is: is Hanna net als die vrouw in de oorlog tussen Duitsland en Nederland? Moet ze zonder iets te doen met de armen over elkaar blijven zitten? Kan zij iets veranderen aan de situatie? Ja, en daarachter ligt een andere vraag. En dan kom ik bij u vandaag. U leeft vandaag. In een bepaalde situatie. In deze wereld. In de kerk. U neemt daarin uw eigen plekje in. Als man. Als vrouw. Als jongere. Een heel klein plekje. Als je kijkt naar het grote geheel. En de vraag is: wat hebben we eigenlijk voor invloed in dat grote geheel van de dingen? Wat kunnen we? Toch eigenlijk niks? Zijn we met elkaar niet als die vrouw in de oorlog van Duitsland tegen Nederland En is ieder voor zich niet zoals zij? Je kunt er niks aan veranderen. Je moet machteloos toekijken hoe de situatie zich ontwikkelt. Je hebt er geen enkele invloed op. Zo is het toch?

Broeders en zusters, laten we eerst eens letten op de situatie in 1 Samuël 1. Hoe gaat het op dat moment in Israël? Hoe staat het er voor in Gods kerk in die tijd? Gaat het goed? Loopt alles naar wens? Leven de mensen dichtbij de Here? Doen ze wat Hij van hen vraagt? Wat voor tijd is het eigenlijk? Zal ik u dat es zeggen? Het gaat heel slecht met de kerk. Met Israël. Immers, het is de tijd van de Richteren. Het begin van het boek Samuël speelt zich af in die periode. En weet u wat het kenmerk is van die tijd? Nou, dat kunt u lezen in het laatste vers van het boek Richteren. Hoort u maar es wat daar staat: in die dagen was er geen koning in Israël. Ieder deed wat goed was in zijn ogen. Kijk, daar hebt u heel in het kort hoe het ervoor staat met de kerk in die tijd. Ja, met Israël, Gods volk.

Dat ís wat, geliefden. Juist als u let op het verleden. Immers, wat heeft God gedaan met Zijn volk? Waar heeft Hij het vandaan gehaald? Ja, uit Egypte. Weg uit de slavernij. Eindelijk verlost. Wat is God groot en goed! En wat heeft God daarna gedaan met Israël? Hij is meegegaan door de woestijn. 40 jaar lang. En wat heeft Hij veel van Zijn volk verdragen. Want zulke lieverdjes waren het niet. Maar God ging mee. Hij gaf eten en drinken. Hij kwam op bezoek bij Zijn volk. Bij de Sinaï. Wat is God groot en goed. En na 40 jaar geeft God hen het land Kanaän. U weet het toch? Jericho, die sterke stad: God blaast de muren om. Kanaän: het land van overvloed. Wat is God groot en goed. Kijk, zo was het dus. Wat een prachtig begin in het beloofde land. Wat is het goed leven in de kerk.

Maar wat is er van overgebleven in 1 Samuël 1? Nou, lees dan het boek Richteren maar. Wat een ellende komt er voor in dat boek. Want Gods volk vergeet hoe groot en goed God is. Ze vergeten dat God hen heeft gered uit Egypte. Ze vergeten dat God meeging door de woestijn. Ze vergeten dat God hen dit prachtige land gaf. Ja, ze vergeten God. Ze gaan andere goden dienen. En ze krijgen met vijanden te maken. De Filistijnen bijvoorbeeld. Het heidendom rukt op in Israël. In de kerk. Je leest in Richteren over schandalen in de kerk. Over stammen die met elkaar strijden. Inderdaad: het is een complete chaos in Israël. Naar God wordt niet gevraagd. Ieder doet wat goed is in zijn eigen ogen. Ieder doet waar hijzelf zin in heeft. De kerkmensen vragen niet meer: wat wil God dat we doen. Maar ze gaan hun eigen gang. Wat zal er op die manier overblijven van Gods volk? Toch niks? Een hopeloze situatie. Kijk, gemeente, zo staat het ervoor in het begin van het boek Samuël. In één woord: een puinhoop. Ik hoef u alleen maar de namen Hofni en Pinehas te noemen om dat te laten zien. Priesters in Silo, waar de tabernakel staat. Maar het is een zootje.

Broeders en zusters, dat kan dus. In de kerk. Ik kan het wel zo zeggen: er is wel een kerk. Israël, Gods volk. Maar als je daarnaar kijkt merk je niks van God. Ze hebben God als het ware buiten de deur gezet. Ze doen alsof God niet bestaat. Ze houden geen rekening met God. Ze vragen niet wat God wil. Ze leven zonder God. Ook al zijn ze lid van de kerk.

Gemeente, eigenlijk is dat een heel angstige gedachte. Dat dat kan. Ja, dat kan ook vandaag. Wie bent u? U bent Gods volk vandaag. Kinderen van God. Gekocht door de Here Jezus. God is de God van uw redding - door Christus. U mag bij Hem horen. En dat is genade. En dat is ook het mooiste wat een mens kan overkomen. Ja, maar dat betekent niet automatisch dat het wel goed gaat met u en mij in het leven met God. Christus is voor u gestorven aan het kruis. Wat is God groot en goed. Jazeker, en toch komt het voor in de kerk dat mensen niet dichtbij God leven. Dat kwam voor in 1 Samuël. Wat een afval van God. En dat komt vandaag nog net zo goed voor. Dat mensen wel bij God horen. Ze zijn gedoopt. Ze zijn lid van de kerk. Maar ze leven niet met God. Ze doen wat goed is in eigen ogen. Ze gaan gewoon hun eigen gang. Zonder naar God te vragen.

Broeders en zusters, en nu moet u op dit moment maar niet denken aan iemand anders in de kerk. Zo op de manier van: kijk, die en die doet wat goed is in zijn eigen ogen. Hij moet zijn leven maar eens beteren. Nee, ik vraag u om allemaal maar eens zelf in de spiegel te kijken. En dat geldt ook voor mij. Hoe staat het op dit punt met u? Is er misschien in uw leven een bepaald punt waar u niet rekent met God? Doet u in een bepaalde zaak wat goed is in uw eigen ogen? Vraagt u op dat punt maar niet naar de wil van God? Want dat is zo lastig. Doet u gewoon wat u zelf wilt. Wel, als dat zo is, dan gaat het net zo slecht met u als met Gods volk in het begin van 1 Samuël. Dan staat u op één lijn met mensen als Hofni en Pinehas. Dan staat het er niet goed voor met u. Denk maar eens na over uw eigen leven. Over uw verhouding met God. Vraagt u wat Hij wil of doet u wat uzelf wilt? Dat was het punt in 1 Samuël. En dat is ook de vraag in uw leven.

Goed, genoeg nu over de situatie van de kerk in die tijd. Een spiegel waar ieder van ons maar es in moet kijken. De Bijbel vraagt nu uw aandacht voor één gezin in de kerk van toen. Ik kan het wel zo zeggen: de camera wordt gericht op het gezin van Elkana. Een heel gewoon gezin in de kerk. Nee, toch niet. Zo heel gewoon is het niet. Want Elkana heeft 2 vrouwen. Hanna en Peninna. Hanna heeft geen kinderen. En Peninna wel. Een rare situatie in dat gezin van de kerk. Twee vrouwen. Iets wat wel vaker voorkwam in het Oude Testament. Geen ideale huishouding.

Ja, maar wel een gezin van de kerk. En ook een gezin wat best actief is in de kerk. Daarom hebben ze ook het jaarlijkse uitstapje naar Silo. Op één van de grote feestdagen. Daar is de tabernakel. Elkana en zijn gezin gaan feestvieren in Silo. Ze gaan erheen voor de Here. Om offers te brengen. En om te bidden. En om een feestmaal te hebben. Prachtig toch. Gelukkig zijn er nog mensen, die God niet zijn vergeten. En dat tegen de achtergrond van die tijd. Ieder doet wat goed is in zijn ogen. Inderdaad, maar het gezin van Elkana gaat toch maar elk jaar naar Silo. God heeft blijkbaar een plek in het gezin van Elkana.

Maar, geliefden, dan moet u eens kijken hoe het toegaat op dat feest. Bij die maaltijd. Ieder jaar weer. Daar zitten ze: Elkana, Hanna, Peninna, de kinderen van Peninna. Maar zijn ze blij? Nee hoor. Peninna zit Hanna te treiteren. Hanna, jij hebt geen kinderen hè? Nou, dat betekent dat jij geen toekomst hebt. Kijk eens naar mijn kinderen. Dat is mijn toekomst. Wat een tafereel, nietwaar? Ja, en dat in de tabernakel. In Silo. In de kerk. Bij het feestmaal. Weet u waar je het mee zou kunnen vergelijken? Denk maar aan het Avondmaal. Iemand zit aan de avondmaalstafel. En heel zachtjes zegt hij iets gemeens tegen zijn buurman of buurvrouw aan tafel. Hij verziekt de sfeer. Hij doet iets wat nooit kan. Maar wat helemaal niet past bij dat moment. Het is alsof iemand vloekt in de kerk. Dat doe je toch niet?

Kijk, maar zo gaat het in het gezin van Elkana. Elk jaar weer. Bij het uitje naar Silo. Peninna treitert Hanna. En dat nog wel in de kerk. Verschrikkelijk. Wat een duivels gedrag.

En Hanna? Deze keer houdt ze het niet uit. En wat doet ze dan? Ze gaat met haar ellende naar God toe. Ze zoekt een plekje op waar ze kan bidden. En waar ze kan huilen. Waar ze haar hart kan uitstorten voor de Here. De enige die haar daar kan zien is de priester Eli.

Nou, Broeders en zusters, en dan moet u eens letten op dat gebed van Hanna. Wat bidt ze dan? Bidt ze alleen maar voor zichzelf? Wil ze alleen maar net als Peninna zijn: een moeder die kinderen heeft? Nee, achter dit gebed zit veel meer. Weet u waaraan u dat kunt zien? Als u erop let hoe Hanna de Here noemt. Dat is heel opvallend. Wat zegt ze tegen God? Here der heerscharen. Die naam komen we voor het eerst tegen in dit hoofdstuk. Hanna zegt tegen God: Here, u bent de Here der heerscharen. Heerscharen, dat zijn legers. Soldaten. Here, zegt Hanna, u bent de aanvoerder van uw legers. U bent de Koning. En u bent bezig om de strijd te voeren. U bent bezig om uw Koninkrijk op aarde te brengen.

Gemeente, dat ís wat. Hanna bidt. Maar niet alleen voor zichzelf. Nee, ze kijkt veel verder. In het gedrag van Peninna ziet ze hoe het ervoor staat met de kerk. Een chaos. Wat een tegenstand tegen God. Ieder doet wat goed is in zijn oog. Peninna is daar een prima voorbeeld van. Ze vloekt in de kerk. Wat een ellende. Ja, en nu gaat Hanna met die ellende naar God toe. Ze zegt: ik zie er nu niks van dat u Koning bent. Dat u uw strijd voert. Dat u uw Koninkrijk brengt. Ik zie er niks van. Maar toch, u bent de Here der heerscharen. U bent toch Koning. Toch geloof ik het: u brengt uw Koninkrijk. U bent de God die de vijand overwint. Here, laat uw macht zien. Kijk, gemeente, dat is wat er zit in die naam die Hanna aan God geeft in dit gebed.

En nou kunt u dat gebed van Hanna ook beter begrijpen. Immers, wat vraagt ze aan God? Gewoon een kind? Een jongen of een meisje, maakt niks uit. Als het maar gezond is? Als ze straks maar op één lijn kan staan met Peninna? Nee, Hanna vraagt niet maar dat God een persoonlijke wens vervult. Haar verdriet is niet alleen het verdriet van een vrouw die geen kinderen heeft. Nee, ze ziet dat het fout gaat in Israël. En daarom bidt ze om een kind. Ja, om een zoon. En daarmee zegt ze: Here, bent u mij misschien vergeten in uw toekomst? In de toekomst van uw Rijk. Here, wilt u mij daar ook gebruiken? Kijk naar mij: hier, ik wil u van dienst zijn. Ik ben uw dienstmaagd. Ze zegt het drie keer in dit gebed. Neem mij maar in dienst met het oog op uw Rijk. Als u mij een zoon geeft, dan zal ik hem afstaan aan u. Dan zal hij in uw dienst staan. Aan u worden gewijd. Net als Simson met zijn lange haar. Ik vraag u een zoon. Maar niet voor mijzelf. Maar voor u. Want het staat er maar slecht voor met uw volk. Met ons. Ik vraag u een zoon. Maar niet om met Peninna te kunnen wedijveren. Nee, ik vraag hem voor u. Dat u hem kunt gebruiken. In uw Rijk dat komt. Daar bent u toch mee bezig?

Ziet u, gemeente, niet maar een persoonlijke wens van Hanna. Maar een gebed voor de zaak van God. Voor het Rijk van God. In een situatie waarin Gods werk lijkt dood te lopen. Gelukkig dat er in die tijd ook mensen zijn die daaraan denken. Hanna denkt niet aan wat goed is in haar eigen ogen. Ze heeft het goede met Gods volk voor ogen.

Nou, en nu kunt u het belang van Hanna's gebed zien. Immers, wat gebeurt er na dit gebed? Er wordt een tijd later een kindje geboren in het gezin van Elkana. En wie is de moeder? Peninna? Nee, Hanna. Ze noemt hem: Samuël: de Here heeft haar gebed gehoord. Ja, en wie Samuël zegt, zegt koning. Immers, Samuël zal later de koning zalven. Eerst Saul. Daarna David. En wie David zegt, zegt Christus, de Zoon van David, de Koning. God brengt Zijn Koninkrijk op aarde. In Hem.

Kijk, en nu ziet u hoe belangrijk Hanna's gebed is. God geeft Zijn Zoon, Christus. Daar werkt Hij aan. Ja, maar wat gebruikt Hij om zover te komen? Een eenvoudig gebed. Van een geplaagde vrouw. Wanneer grijpt God in, in die ellendige situatie in Israël? Nadat Hanna gebeden heeft. Dan brengt God verandering. Er wordt een kindje geboren. Een profeet. En veel later wordt een ander geboren: Zijn Zoon, Zoon van David. Hanna bad: Here, laat uw macht zien. En God doet het. Hij luistert naar Hanna's gebed.

Broeders en zusters, en zo komt het vandaag ook naar u toe. U leeft in een ander tijd. Een andere situatie. En u bent Hanna niet. Nee, maar Gods Rijk komt er wel aan. Nu volmaakt. Als Christus terugkomt. Weet u wie God daarvoor wil gebruiken? Geen mensen die doen wat goed is in hun ogen. Maar mensen die bidden. In 1 Samuël 1 gebruikte Hij het gebed van Hanna. En vandaag wil Hij uw gebed daarvoor gebruiken. Hoe komt Zijn Rijk dichterbij? Als u daarom bidt. Als u tegen God zegt: Here, laat uw macht zien. Versla uw vijanden. U bent toch Koning. Breng uw rijk op aarde.

Gemeente, het is oorlog. Niet tussen Duitsland en Nederland. Nee, er is een geestelijke oorlog. Hoe wordt die oorlog gewonnen? God gebruikt daarvoor uw gebed. Here der heerscharen, uw Koninkrijk kome. Als u dat bidt, dan komen de krachten van God los. Dat laat het gebed van Hanna zien. Zij, in dienst van God op haar plaats. En u op uw plaats. Wat doet u dan? Bidt u voor Gods zaak? Reken maar dat dat Gods Rijk dichterbij brengt. En dat wilt u toch graag? Of niet soms? Bidt dan: Here God, laat uw dag snel komen. Koning Christus, kom.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar