1 Samuël 1-7 (Deel 3: Is God altijd met ons?)

Thema: Is God altijd met ons?
Tekst: 1 Samuël 4: 1b-22
Tekstgedeelte(n): 1 Samuël 4: 1b-22
Door: Ds. Th.J. Havinga (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Zuidlaren)
Gehouden te:

Loppersum-Westeremden en Ten Post op 9 juli 2000
Roodeschool op 23 juli 2000
Uithuizen 13 augustus 2000

Opmerking RJCV:

De delen van de prekenserie 1 Samuël 1-7 kunnen afzonderlijk van elkaar gelezen worden. De prekenserie bestaat uit:
1: 1Sa01v11 - Bidden in oorlogstijd
2: 1Sa03v01 - God gaat weer spreken in de kerk
3: 1Sa04v01b - Is God altijd met ons?
4: 1Sa07v02 - Bekering geeft toekomst
5: 1Sa07v12 - Eben-Haëzer: de steen die omhoog wijst

Extra: Inleiding op de prekenserie: 1Samuël 1-7.

Aanwijzingen voor de Liturgie

Lezen:
1 Samuël 4: 1b-22
Tekst: idem

Zingen:
Ps. 48: 1, 4
Ps. 65: 2
Lied 457
Ps. 91: 1, 4
Ps. 139: 1, 9

Gebed

Aanbidding:
heilige God.
Schuldbelijdenis: onheilige mensen. Komen bij Christus: wonder.
Basis: kruis, vergeving, verzoening.
Gebed om vergeving en vernieuwing.
Gebed voor de kerkdienst: heilige ontmoeting.
Gebed om eerbied. Vraag om zegen en opening Woord.
En vraag om hulp bij bijzondere taken (dominee, organist, luisteraars).

Voorbede:
erklozen en arbeidsongeschikten.Mensen die voor werk lang van huis zijn. Leidinggevenden in werk en maatschappij.Mensen die bezig zijn in vrijwilligerswerk. Mensen die vanwege leeftijd niet meer werken.

Preek

Broeders en zusters, gemeente van onze Here Jezus Christus,

Jongens en meisjes, jullie zijn gedoopt. Toen je nog een baby was, zei God tegen jou: jij bent Mijn kind. Ik wil voor jou zorgen. De Here Jezus is voor jou gestorven. Nou, dat is het allerbeste wat iemand kan gebeuren. Je mag een kind van God zijn. Denk maar eens aan andere kinderen, die niet bij God horen. Kinderen die je kent. Ze gaan niet naar de kerk. Ze kennen de Here Jezus niet. Dat is erg. Wat moet er van hen terechtkomen. Dat is dus het eerste: wat bof jij dat jij bij de Here Jezus mag horen. Wat ben jij goed uit.

Broeders en zusters, u hoort bij de kerk. U gaat er elke zondag heen. U leest uit de Bijbel. U bidt. U mag God kennen. Dat is genade. We zijn niet beter dan andere mensen, die God niet kennen. Waarom is de Here Jezus wel voor u gestorven. En niet voor heel veel andere mensen. Waarom kan niet iedereen zeggen dat Hij bij God hoort? Daar hebben we geen sluitend antwoord op. Daar past alleen het woord 'genade'. Of 'verkiezing'. Wat is God goed dat u bij Hem mag horen.

Ja, maar weet u wat dat betekent voor u? Jongelui, jullie zijn gedoopt. Jullie hebben het water van de doop op je voorhoofd. Wat brengt dat met zich mee? Betekent dat misschien dat je altijd kunt zeggen: nu zit het wel goed met mij? Nu kan er niks meer misgaan? Nu is het altijd: God met ons. God staat altijd aan onze kant? Daar kan helemaal niets tussenkomen? Het maakt uiteindelijk niks uit wat ik doe? Ik ben toch een kind van God. Gedoopt. God staat toch aan mijn kant.

Broeders en zusters, u hoort bij de kerk. U bent lid van Gods volk. Prachtig. Wat een genade. Wat betekent dat voor u? Wat brengt dat met zich mee? Nou kan het nooit meer fout gaan met u? 'U bent er?', om het zo eens te zeggen. Gods volk gaat nooit verloren? Wat u ook doet, het komt wel in orde met u? Als je maar lid bent van de kerk, dan zit het wel goed?

Gemeente, over dit soort zaken gaat het in 1 Samuël 4. Dat lijkt niet zo op het eerste gezicht. Immers, het gaat hier over een oorlog met de Filistijnen. Maar toch gaat het hier wel om. Op de achtergrond staat de vraag: hoe gaat God met ons om? Kun je altijd zeggen: God staat aan onze kant? Het kan nooit fout gaan? Of moet er meer worden gezegd? Kun je dit niet altijd zo zeggen?

Om een antwoord te vinden op deze vragen, moeten we vandaag letten op de ark. Die staat centraal in dit hoofdstuk. Dat lijkt misschien niet zo. Als ik een kind zou vragen: waar gaat het over in dit verhaal? Wat zou dat kind dan antwoorden? Ik denk dat dan gezegd wordt: Israël verliest van de Filistijnen. Of: Eli valt achterover van zijn stoel. Hij breekt zijn nek. Of: de vrouw van Pinehas krijgt een baby. En ook zij sterft. Allemaal heel indrukwekkende dingen. Maar het staat allemaal in een bepaald raam: wat gebeurt er met de ark van God. Hoe gaat Gods volk ermee om? Wat laat dit zien over hun omgang met God? Hoe kijken de Filistijnen ertegen aan? En hoe kijkt God Zelf ertegen aan? Hoe is Hij in de omgang met Zijn volk? Nou, om dat te ontdekken gaan we de ark gewoon volgen in 1 Samuël 4.

De ark. Wat is dat? Kijk maar hoe de ark wordt genoemd in vers 4: de ark van het verbond van de Here der heerscharen, die op de cherubs troont. Dat is een hele mond vol. Weet u wat dat wil zeggen? Wel, God heeft een verbond met Israël. Hij zegt: Ik wil uw God zijn. En u mag Mijn volk zijn. Ik wil bij u wonen. Ik ben met u. Nou, dat is toch prachtig? Immers, wie is God? De Here der heerscharen. Dat wil zeggen: Hij is machtig. Hij heeft een sterk leger achter de hand. En Hij zal daarmee Zijn volk redden. Nu, hoe weet Israël dat God aan hun kant staat? Wel, kijk maar naar de ark. De ark laat zien: God wil wonen bij Zijn volk. De ark is Gods troon. In de tabernakel. Als je de ark ziet, dan mag je weten: God is onze God. Wij zijn Gods volk. De ark laat zien: God is aanwezig. Nou, dan sta je sterk! Dan sta je sterk in de strijd tegen de vijand.

Kijk, en dat heeft Israël ook ervaren in het verleden. Denkt u maar eens aan de intocht in Kanaän. Wat ging er voorop? De ark. Met de priesters. De ark voorop. Zo kwam men het beloofde land binnen. En denk ook maar eens aan Jericho. Wat gaat er mee als Israël om de stad heentrekt? De ark. Dat laat zien: God Zelf gaat mee. Hij is erbij. Bij dit sterke Jericho. En de muren vallen zomaar om. God is met ons.

Ja, gemeente, maar in 1 Samuël 4 is het veel later. En u weet hoe de situatie is in de kerk. De mensen zijn God vergeten. En wat Hij deed. O zeker, men is nog wel religieus. Er worden offers gebracht. In termen van vandaag: ze gaan nog wel naar de kerk. En ze lezen nog wel uit de Bijbel. En ze bidden wel. Natuurlijk. Maar toch: ieder doet wat goed is in zijn ogen. Ze gaan hun eigen gang. Ze vragen niet naar God. Ze doen niet wat God vraagt. En in de tabernakel, die heilige plaats waar de ark is, is het al helemaal een zootje. Hofni en Pinehas: de priesters: goddeloze kerels. Knechten van God. Maar zonder God. Zeker, God heeft Samuël geroepen. Hij wil een nieuw begin maken. Maar in 1 Samuël 4 merken we daar nog niet veel van. Nee, integendeel. Het is oorlog. Tussen Israël en de Filistijnen. Tussen Gods volk en de onbesneden heidenen. Mensen die in de verste verte niet met God te maken hebben.

Je zou zo zeggen: ik weet de uitslag van die oorlog wel. Da's heel makkelijk te raden. Israël, Gods volk, tegen de Filistijnen, niet Gods volk. God is de Here der heerscharen. Zijn leger staat dus aan Israëls kant. Dat kan niet fout gaan. Israël wint de strijd. De Filistijnen verliezen. O ja? Kijk eens wat er gebeurt? Israël verliest. Er zijn 4000 doden. Wat is er aan de hand? Dat kan toch niet? Nee, inderdaad, het zou niet moeten kunnen. Maar toch is het gebeurd. En daarover wordt dan ook doorgepraat na dit verlies. Hoe kan dit gebeuren? Waarom heeft de Here ons deze nederlaag laten lijden tegen de Filistijnen? We zijn toch het volk van God? De Filistijnen zijn toch heidenen? God staat toch niet aan hun kant? God staat aan onze kant. Ja, ze hebben wel door dat God er iets mee te maken heeft. Maar wat is er fout gegaan?

Broeders en zusters, zou dit het begin zijn van een bekering? Zouden ze zich misschien gaan afvragen of er bij hen iets mis is? Zit het wel goed in onze verhouding tot God? Of zit er aan onze kant iets scheef? Doen we wat goed is in onze ogen zonder naar God te vragen? Zijn we in de praktijk van ons leven God vergeten? Komen we daar nu achter? Nu God ons laat verliezen van de Filistijnen? Dat zou een mooie reactie zijn, nietwaar? Het begin van een bekering. Ik zou zeggen: ze moeten maar eens naar Samuël gaan. Naar Gods profeet. Laten ze hem vragen wat er aan de hand is. Hij zal het antwoord vast wel kunnen geven.

Maar nee hoor. U leest daar niks van. Weet u wat we wel lezen? Ze concluderen dat er een schoonheidsfoutje is gemaakt. De ark is nog in Silo. De ark was er niet bij. Dat is de reden dat ze verloren hebben. Nou, en die fout moet worden goedgemaakt. Let u er eens op hoe ze het precies zeggen: laten we de ark van het verbond van de Here uit Silo halen. Zodat die midden onder ons komt en ons verlost uit de macht van de vijanden.

Kijk, gemeente, hier gaat het om. God heeft gezegd: Ik wil uw God zijn. U mag Mijn volk zijn. En als teken van Zijn aanwezigheid geeft Hij de ark. Gods troon. God woont bij Zijn volk. Immanuël. God met ons. Ja, zeggen de Israëlieten. Dat betekent dat God er altijd is als wij Hem erbij roepen. En nu halen we God er ook bij. We nemen Hem mee. De strijd in. We nemen God mee de legerplaats in. We halen de ark op. Stom dat we hem niet eerder meenamen. En daarmee halen we God op. En dan komt het wel goed. Ongeacht wat wij doen. Hoe wij met God omgaan in Zijn relatie met ons. De ark, die zal ons redden. God zal ons redden. Als de ark er maar is.

Geliefden, ziet u wat hier gebeurt? Er wordt als het ware een is-gelijk-teken gezet tussen de ark en God. God zit vast aan de ark. Als je Gods troon bij je hebt, heb je God Zelf bij je. En dan kan er niks meer misgaan. Maar is dat zo? Werkt het zo in de omgang tussen God en u? Kun je God vergeten in je leven van elke dag. En als je God dan even nodig hebt, dan sleep je Hem er even bij. Ja, zo ging dat in 1 Samuël 4. Ieder doet wat goed is in zijn ogen. De kerkmensen daar maken zich niet druk om God of gebod. Ze doen gewoon waar ze zelf zin in hebben. Maar nu ze God nodig hebben, doen ze een beroep op Hem. De ark erbij en klaar is kees. Jammer dat ze daar niet eerder aan dachten. Zou het zo zijn in de omgang met God? En nu kom ik naar u vandaag toe. U bent gedoopt. U bent Gods volk. Kinderen van God. Uit genade. Betekent dat dat u altijd kunt zeggen: 'God staat aan mijn kant?' Kunt u dat ook zeggen als u in de praktijk van uw leven niet met God rekent? Kunt u hem er dan gauw even bij roepen, als u Hem wel nodig hebt? En komt Hij dan? Om u te helpen. Laat Hij zich zo door u gebruiken? Wat denkt u?

Broeders en zusters, laten we maar es kijken wat er gebeurt. De ark wordt opgehaald. Gods troon op aarde. En wie lopen daar bij de ark? Ja hoor: Hofni en Pinehas. De priesters. Die horen erbij. Natuurlijk. Ja, Hofni en Pinehas, u weet wel: die priesters die er een janboel van hebben gemaakt in de tabernakel. Ze hebben van Gods huis een slagerij gemaakt. Ze kunnen er gratis goed vlees krijgen. En ze hebben van Gods huis een plek gemaakt waar geweld wordt gebruikt. Als mensen niet doen wat zij willen, worden ze een kopje kleiner gemaakt. En ze hebben van Gods huis een hoerentent gemaakt. Ze slapen met vrouwen die er werken. Wat een goddeloze kerels. En zij lopen naast de ark. Gods heilige troon. Hoe zal dat gaan?

Ja, hoe zal dat gaan? Nou, Israël weet het wel. Kijk, daar is de ark. Het wordt feest. Nu zullen ze zeker winnen. De ark: garantie dat het goed komt. En de Filistijnen denken er ook zo over: oei, daar is de ark. Daar heb je Israëls God. Nu wordt het menens. Ja, want van die God hebben ze wel vaker gehoord. Dat is de God die Israël gered heeft uit Egypte. Hij is geen God waar je mee kunt spotten. Ze kennen Gods reputatie. En als echte heidenen zetten ook zij een is-gelijk-teken tussen de ark en God. Tegen Israël durven ze wel te vechten. Maar met de God van Israël moet je voorzichtig zijn. Wat doen ze? Vluchten? Nee, vluchten kan niet meer. Dan maar vechten. Erop of eronder.

En de uitslag? Die is niet moeilijk te voorspellen, nietwaar? Israël is zeker van de overwinning. God is met ons. We gaan nooit verloren. En de Filistijnen vrezen het ergste. O ja? Nee hoor. Want Gods volk is één ding vergeten. Ze hebben met één ding niet gerekend. Ze hebben wel de ark. Maar daarmee hebben ze God nog niet. Ze hebben buiten God Zelf gerekend. Buiten de heilige God.

Kijk, gemeente, want dat is er aan de hand. Israël luistert niet naar God. Maar ze gaan er wel vanuit dat God aan hun kant staat. Ze bekeren zich niet tot God. Maar ze denken wel dat God voor hen is. Nou, en dat moet u maar goed onthouden. Als je zo denkt gaat het altijd mis in je leven. Weet u waar de fout zit bij Israël? Ze denken dat ze God kunnen gebruiken. Ze gaan ervan uit dat het in de omgang met God automatisch wel goed zit. God is onze God. Dus kan mij niks gebeuren. God staat aan mijn kant. Dat kan niet anders. Als ik God nodig heb, wel, dan roep ik Hem er even bij. En dan komt Hij wel. En voor de rest geloof ik het wel. God: beschikbaar op bestelling. Zo hebben ze de ark erbij gehaald. God, we hebben u nu even nodig. En straks gaat de ark weer terug naar Silo. En wij leven op de oude voet verder.

Maar weet u, gemeente, zo wil God niet met ons omgaan. Nee, zo'n omgang met God is heel gevaarlijk. Ja, en nu kom ik weer naar vandaag toe. U bent Gods volk. Jullie zijn gedoopt, jongelui. Prachtig. Op God kun je altijd aan. Maar vergeet niet dat God heilig is. Dat je niet met Hem kunt spotten. In de omgang met God geldt het volgende: als u of ik of jij in de dagelijkse omgang niet met God rekent, dan is God niet met ons. Dan keert God Zich tegen u. Dan wordt Hij uw vijand. Dan komt Hij met Zijn oordeel. Onze God is een God van liefde. Maar het is ook heel gevaarlijk bij Hem. Als u zich weinig van God aantrekt, dan komt u Hem tegen. Echt waar. Israël komt erachter. Ze zeggen: God met ons. En ze vergeten wat Hij wil. Nou, daar komen ze achter. Bij God horen is het mooiste wat er is. Maar ook het gevaarlijkste wat er is. Want God is heilig.

Kijk maar, wat gebeurt er in 1 Samuël 4? Israël verliest nog een keer. 30.000 doden. In de pan gehakt. Hofni en Pinehas dood. Gods oordeel. En de ark weg. Buitgemaakt. God laat Zich niet gebruiken. Hij straft. Weet u, er zijn 2 mensen die dat begrepen hebben. Eli en zijn schoondochter. De vrouw van Pinehas. Kijk maar. Eli sterft. Wanneer? Als hij hoort dat de ark weg is. Dan weet Eli het: God is tegen Israël. Dat ze verloren hebben is erg. Dat zijn zoons dood zijn is erg. Maar dat de ark weg is dat is het ergste. Het teken dat God bij Zijn volk wil wonen. Ja, en datzelfde ziet de vrouw van Pinehas. Voor ze sterft krijgt ze een kind. En hoe noemt ze het: Ikabod. De eer is weg. Waarom? Wel, de ark is weg. Het was niet: God met ons. Maar God tegen ons.

Inderdaad, zij hebben het door. God komt met Zijn oordeel. De heilige God. Vreselijk is het om te vallen in de handen van de levende God. Nou, Broeders en zusters, dat mogen wij nooit vergeten. Zeg nooit: ik ben kind van God. Dus het komt automatisch wel goed. God met ons. Wat we ook doen. Nee, God zegt het u anders: God is met u als u achter Hem aan wilt gaan. Alleen dan. Zo gaat dat nu eenmaal in de omgang met God. U kunt Hem er niet even bijhalen als u hem nodig hebt. Hij kon Zich eens tegen u keren. Leven met Hem is mooi. Gedoopt zijn is prachtig. Maar ook gevaarlijk. Spot maar niet met Hem. Pas op dat u zich niet brandt aan God. Dat hoeft niet: Hij wil met u zijn. Dat heeft Hij in Zijn Zoon laten zien. Maar alleen als u met Hem wilt gaan. Zo niet, dan wordt het uw ondergang. Nou, wat moet u hiermee doen? Besef het elke dag: God is liefde: u mag zich daaraan warmen. Maar weet ook elk moment van uw leven: Hij is ook een verterend vuur. Vraag Hem: Here, bewaar mij ervoor dat ik me daaraan zou branden.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar