| Thema: | God brengt echt alles in beweging voor dat ene kind van Hem |
| Tekst: | 2 Koningen 20: 11 |
| Tekstgedeelte(n): | 2 Koningen 20: 1-11 Hebreeën 2: 14-18 Lucas 2: 8-12 |
| Door: | Ds. T.S. Huttenga (studentenpastor gereformeerde kerk vrijgem. classis Groningen) |
| Gehouden te: | Groningen-West op 27 oktober 2002; Harkstede op 3 november 2002; Kantens op 3 november 2002; Assen-Zuid op 10 november 2002 |
| Opmerking RJCV: | Deel 2 kan in de adventstijd gelezen worden. De delen van deze serie kunnen ook afzonderlijk worden gelezen: Hizkia - 1: In alle tijden en in elke situatie steunt God wie van Hem houdt, Hizkia - 2: God brengt echt alles in beweging voor dat ene kind van Hem, Hizkia - 3: Zelfs van Hizkia leer je geen dankbaarheid. |
| Extra: | Inleiding op de prekenserie Hizkia |
Aanwijzingen voor de Liturgie
Votum en zegengroet
Lied 380: 1, 4-5, 7
Wet
Ps. 81: 1, 4, 8
Gebed
Ps. 34: 4
Lezen: 2 Koningen 20: 1-11; Hebreeën 2: 14-18; Lucas 2: 8-12
Collecte
Ps. 130
Tekst: 2 Koningen 20: 11
Preek
Ps. 36: 2
Gebed
Lied 435: 3-5
Zegen
Broeders en zusters, jongens en meisjes,
Met grote moeite sleept koning Hizkia zich naar één van de vertrekken van zijn paleis. Twee kamerdienaren helpen
hem daar in zijn zetel. Tegenover de koning bevindt zich in de dikke muur een venstergat. Gespannen kijkt Hizkia
daardoor naar buiten. Hij kijkt naar het dak dat hij ziet. Het is een heel bijzonder dak. Het loopt met treden
omhoog, net als een trap. Over dit dak valt de schaduw van de zon. Intussen ligt deze schaduw al over een groot
aantal treden. Het is ook al bijna avond. De schaduwen lengen. Straks wordt het in het paleis stikdonker. Alleen de
fakkels van de wachters branden, maar dat is niet veel. Nog even en de nacht valt in. Voor de doodzieke Hizkia nog
erger dan de dag. Overdag is er nog wat afleiding, maar 's nachts is het doodstil. Dan ben je alleen met je
gedachten. Gedachten over de toekomst. En die toekomst ziet er voor Hizkia bepaald niet rooskleurig uit. Doodziek
is hij. Een dag of wat geleden ontdekte hij ergens op zijn lichaam een zweer. Een paar dagen later begon de zweer
te gloeien. Hevige koortsen kreeg hij. Natuurlijk liet hij zijn persoonlijke arts komen. Die probeerde van alles,
maar het hielp niets. Het werd alleen maar erger. Wat voelde de koning van Juda zich beroerd! Dan kondigt op een
dag de profeet Jesaja zich aan. Hij woont in Jeruzalem. Hij is de hofprofeet. Hizkia heeft altijd goed contact met
hem gehad. Hizkia houdt heel veel van God en dus ook van zijn profeet. Als Hizkia het moeilijk heeft, stuurt hij
iemand naar Jesaja toe. En bijna altijd geeft Jesaja dan een heel bemoedigend woord van God voor Hizkia mee, een
woord dat ook altijd uitkomt. Maar deze keer heeft Hizkia slecht nieuws. 'Majesteit', zo zegt hij, 'bereid u maar
voor op uw dood.' En Hizkia is nog maar 39 jaar!
Afijn, u en jij weten wel hoe het verder ging. Hoe aan koning Hizkia 15 jaar uitstel werd beloofd. Vijftien
jaar!
En nu zit Hizkia daar. Gespannen tuurt hij door het glasloze venster. Zal het echt gebeuren? Dat kan toch haast
niet. Maar moet je nu eens zien. De schaduw beweegt. De schaduw gaat terug. En langzaam maar zeker komen tien
treden weer in het volle licht van de zon de liggen. Wat is het opeens weer licht! Nu is de dag nog lang niet
voorbij. En het duister van de nacht: daar hoeft de zieke koning op dit moment nog niet bang voor te zijn.
Maar klopt dit nou eigenlijk wel? Als zoiets gebeurt, dan moeten er, zou je zeggen, op dat moment kosmische rampen
hebben plaatsgevonden in het heelal. Maar daar is niets van bekend. Kan dit? Is het niet een sprookje? Of zou je
misschien kunnen zeggen, dat het gewoon om de boodschap gaat. 'Het is wel waar, maar het is niet echt gebeurd.'
Zoiets. Kan dat wellicht een oplossing zijn? We zullen zien.
Het thema van de preek is:
God brengt echt alles in beweging voor dat ene kind van Hem |
Kan dat wel, die schaduw die teruggaat en dan ook nog zover? Tien treden is niet niks.
Stel u voor: aan het eind van de dag wordt het langzaam maar zeker donker. Maar wat gebeurt er? Het wordt weer
lichter. Nu is het net alsof het nog midden op de dag is. U en jij hebt nog een hele middag voor je. En naar de
kerk hoef je niet meer, want je bent al twee keer geweest. Kan dat? 'Nee', zegt u. 'Never nooit', zeg jij.
Of niet?
Maar hoe komen wij nu aan dat 'nee'? Dat heeft natuurlijk alles met ons wereldbeeld te maken. Dat wereldbeeld is
tot en met gestempeld door de wetenschap. Niet door de taalwetenschap. Ook niet door de menswetenschappen. Maar
door de wis- en natuurkunde. Echt, gelooft u me, hoe gereformeerd u of jij ook bent, jij, u, bent daar veel meer
door beïnvloed dan u denkt. De ontdekkingen van de wis- en natuurkunde hebben ons, Europese mensen, toch wel een
beetje het hoofd op hol gebracht. Dat is natuurlijk ook heel verleidelijk. Eerst ben je die kleine mens. En
temidden van de krachten van de natuur voel je jezelf heel nietig. Je schrikt van zware donderslagen. En als er een
komeet aan de hemel verschijnt, raak je zelfs in paniek. Maar dankzij de astronomie kom je erachter, dat je niet
bang hoeft te zijn. Je wordt zelfs een beetje overmoedig. Jij weet, hoe het zit.
Als gevolg van die overmoed kwamen veel mensen ook met kritiek op de wonderen in de bijbel. Jona in de vis en
andere bijzondere gebeurtenissen: dat kon natuurlijk nooit.
Wij hebben ons daar uitdrukkelijk tegen verzet. We gingen de strijd aan. En heel triomfantelijk toonden we aan, dat
er wel degelijk een zondvloed was geweest en dat dankzij die zondvloed overal over de wereld allerlei fossielen
waren ontstaan, die wel heel oud leken maar het niet waren. En daarmee hadden we in één klap de evolutietheorie van
haar kracht beroofd.
Alles mooi en aardig, maar zijn we daarmee niet in de valkuil gelopen om de wapens van onze tegenstanders te
gebruiken? Gods Woord is toch niet waar bij de gratie van ons verstand? Dat is toch niet de reden dat wij de bijbel
geloven, dat wíj kunnen aantonen dat de bijbel gelijk heeft. Het maakt toch niet uit of er bijvoorbeeld nu wel of
niet resten van de ark gevonden zijn? Daarop steunt ons geloof toch niet?
Ons verstand is een veel te grote rol gaan spelen. Ook het onze. Wij zijn ook maar mensen. En waarom zou ons gevoel
meer beïnvloed zijn door de zonde dan ons verstand? Leest u dan Artikel 15 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis
(NGB) nog maar eens. Als denkende mensen hebben wij echt niet minder last van onze zonde dan als voelende
mensen.
Wij hebben ons wereldbeeld. Hizkia en zijn tijdgenoten hadden een ander wereldbeeld. Hizkia kende de geschiedenis
van Jozua, die nota bene tegen de zon zei: 'Zon, sta stil.' En de zon stond stil. En natuurlijk: voor koning Hizkia
was dit ook een geweldig wonder. Maar hij had toch veel minder moeite om dit te geloven dan wij. Als jij aan het
einde van een nacht waarin je niet naar bed bent geweest het weer licht ziet worden, denk jij dan aan God? Als u
onderweg getroffen wordt door een fikse regenbui, denkt u dan aan God? Waarschijnlijk denkt u aan de
weersverwachting van de vorige avond. Maar Hizkia dacht in de ochtendschemering wel aan God. Niet omdat hij dat
moest denken, maar heel spontaan. Hij zag de zon, de wolken, de winden, de bliksemstralen als de attributen van
zijn God. Hij kende God als een uniek God. Bij de buurvolken was de zon zelf een god. Maar Hizkia wist, dat de zon
gemaakt is. De zon is netzo goed geschapen als jouw lichaam dat is. De zon is in de macht van God. Hij doet met die
zon wat Hij wil. En als de doodzieke Hizkia het na een lange bange nacht weer licht ziet worden, denkt hij meteen
aan zijn Schepper en hij bedankt Hem. 'God van het licht, wat bent U sterk en goed.'
En niet alleen Hizkia. Ook zijn tijdgenoten. Ook de vrome Judeeërs die na hem leefden, Josia bijvoorbeeld, die
gelovige, moedige achterkleinzoon van hem.
En laten we ons nu eens in gedachten verplaatsen naar deze Josia. Natuurlijk heeft hij deze geschiedenis over zijn
vrome overgrootvader ook gehoord. Hoe reageerde hij daar nu op? Dat wonder van die terugtredende schaduw zal hem
zeker hebben geïmponeerd. Maar ik vermoed, dat hij ook nog wel andere gedachten zal hebben gehad. Waarschijnlijk
zal het hem zijn opgevallen, dat Hizkia ongeveer in dezelfde tijd ook een heel ander gebed gebeden heeft.
Dat was toen hij die vreselijk godslasterlijke brief van de koning van Assur kreeg. Hizkia heeft die brief vlak
voor de ingang van het tempelgebouw open gerold. De Here God moest zelf maar lezen wat voor vreselijks daarin
stond. En daarna heeft de koning van Juda een indrukwekkend gebed gebeden. Hij deed een appèl op Gods eergevoel.
Hij prees Hem om zijn grootheid en hij smeekte Hem om te denken om Jeruzalem. Dat is nou echt een gebed dat staat.
Een gebed waarbij je niet denkt aan jezelf, maar aan God en aan je volk.
Maar dan is het gebed dat de zieke Hizkia bidt toch wel een heel ander gebed. Daarin gaat het echt alleen maar om
hemzelf. Kijkt u eens naar verzen 5 en 6 en daarna naar verzen 8 en 9. Eerst dus naar vers 5. Begint u maar bij het
slot. Wat belooft de Here aan Hizkia? Dat hij weer beter wordt en dat hij zelfs over twee dagen weer naar de tempel
kan gaan. Maar God gaat ook verder. Hij belooft Hizkia ook, dat Hij de stad Jeruzalem zal bevrijden uit de greep
van Assur en dat ter wille van zijn eigen eer. Daar heeft Hizkia deze keer niet aan gedacht, maar God dus
wel.
En als je verder leest in vers 8 en vers 9, valt weer hetzelfde op. Wat vraagt Hizkia? Een teken waaraan hij kan
zien, dat hij beter wordt en dat hij over twee dagen weer naar de tempel kan. Maar over de bevrijding van Jeruzalem
rept hij niet. Heel opvallend is dan het antwoord van Jesaja. Hij zegt niet: 'de Here zal u een teken geven, dat u
beter wordt,' maar: 'De Here zal u een teken geven, waaraan u kunt zien dat Hij zijn woord houdt.' Dat is heel
subtiel, maar tegelijk duidelijk. 'Beste Hizkia: God heeft nog meer gezegd, dan dat u weer beter zult worden. Hebt
u wel goed geluisterd?'
En toch: wat zie je nu gebeuren? Dit gebed van Hizkia wordt heel snel verhoord. Jesaja is nog niet eens het paleis
uit, hij loopt nog over het binnenplein, of God spreekt hem al aan. 'Ga terug naar Hizkia.' God komt terug op zijn
aanzegging en Hij geeft Hizkia nog vijftien jaar respijt. En het teken dat de koning daarna vraagt, krijgt hij ook
nog. En dat is toch eigenlijk wel het toppunt.
Laten we het nog eens goed bekijken. Hizkia krijgt het bericht, dat hij sterven zal. Hij keert zijn gezicht naar de
muur en barst in tranen uit. Maar weet Hizkia dan niet, dat zijn tijden in Gods hand zijn? Gods tijd is de
allerbeste tijd. En hij kan ook nog een troonopvolger aanwijzen en zo voorkomen, dat er na zijn dood strijd over de
opvolging zal ontstaan. Stelt Hizkia nou niet heel duidelijk zijn eigen belang boven het landsbelang en boven de
eer van God? En dan dat teken dat hij vraagt! Waarom gelooft hij niet eenvoudig in de belofte van God? En het is me
nogal een teken!
Jazeker. En toch: je zult maar moeten sterven. Misschien hebt u, heb jij wel eens het volgende meegemaakt. Iemand
heeft een ernstige ziekte. Hij gebruikt alle middelen die er zijn. En het lijkt heel lang goed te gaan. Maar dan
komt de dokter aan zijn bed, en hij zegt dat de situatie heel ernstig is en dat hij niets meer kan doen. 'U kun het
beste maar zo spoedig mogelijk uw regelingen treffen', zo zegt hij. En vlak daarna zit u bij zijn bed. Wat een
verdriet. En waar heb je het dan over op dat moment? Over de kerk? Over Gods eer in Nederland? Ik denk het niet.
Dat is natuurlijk heel belangrijk, maar het moment lijkt er niet naar om het vooral daarover te hebben. En de zieke
slaapt vast niet die nacht. Straks gaat hij dood.
Hizkia heeft het niet over Jeruzalem. Hij heeft het ook niet over de eer van God. En Jesaja is het daar niet
helemaal mee eens. Heel subtiel laat hij dat ook blijken.
Maar je zult maar doodgaan. Dan roep je toch tot God.
Hizkia draait zijn gezicht naar de muur. Nu kan hij even niemand bij zich hebben. Hij wil alleen zijn. Of
liever: alleen met God.
En God verhoort hem dus meteen. Sneller kan het niet. En het teken krijgt Hizkia ook. Jesaja berispt hem niet. Hij
biedt uit naam van God zelfs een geweldig teken aan. Dat teken heeft niet Hizkia, maar God zelf bedacht.
Maar zo is God toch ook? Stel je een moeder voor. Opeens komt haar kind huilend binnen. Er is blijkbaar iets heel
ergs gebeurd. Het kind schokt over heel zijn lijf. Zij slaat haar arm om hem heen, trekt hem voorzichtig naar zich
toe, neemt hem op zeker moment op schoot. 'Wat is er dan, jongen?' Maar er komt niks uit. Het kind is helemaal
overstuur. De dagen daarna komt er toch langzamerhand iets los. Stukje bij beetje komt nu het hele verhaal eruit.
Zij probeert haar kind rustig te maken. Maar gemakkelijk is het niet. De angst zit er bij haar zoon diep in. Maar
het zal haar lukken. En zij gebruikt alles wat in haar is, al haar moederlijke vindingrijkheid om haar zoon te
troosten. Logisch toch? Als je kind bijna niets kan, dan moet je er ook even niets van verwachten. Dan moet jij er
zijn voor je kind. Je bent niet voor niets moeder, vader.
Die moedige koning Hizkia, die de hoogten liet slechten, die de koperen slang liet omsmelten, die voor geen mens
bang was: je herkent hem niet meer. De dienaren van het paleis: zij horen achter de deur van zijn slaapkamer de
koning janken. Het gaat hun door merg en been.
En God? Hij ziet Hizkia huilen. Jesaja vertelt dat aan de koning. God begrijpt het zo goed. Hij begrijpt Hizkia zo
goed. Inderdaad. Hizkia heeft Hem trouw en met volledige overgave gediend. Hizkia deed echt alleen maar wat Hij, de
Here, van Hem vroeg. En natuurlijk, dat betekent dan niet dat je op je rechten kunt gaan staan. Dat bedoelt Hizkia
ook niet te zeggen. Maar het is toch allemaal heel logisch? Je dient de Here. Je bent trouw aan Hem en je staat
daarvoor. En wat je daarbij ook in de weg komt, het kan je niet schelen. Als God voor je is, wie zal tegen je zijn?
En het lukt. Je werk wordt gezegend. Overal waar je heentrekt, geeft God je de overwinning. En dan word je ziek. Je
wordt zelfs ongeneeslijk ziek. Je gaat sterven. Is dat niet heel tegenstrijdig? Zo'n leven, dat moet toch
doorgroeien! En wil God dat dan niet?
En als iemand dat begrijpen kan, dan is dat God.
Wat was het in begin mooi en goed! Wat is er allemaal van terecht gekomen? En wat heeft God een hekel aan de satan,
die de dood in de wereld heeft gebracht! Moet je nou die vrome koning Hizkia zien. Negenendertig jaar!
Maar denk dan weer aan dat kind. Het gevaar is allang geweken. Het joch zit veilig bij zijn moeder op schoot. En
toch zit de angst nog in zijn lijf. Het gevaar is voor Hizkia ook geweken. Jesaja heeft de nieuwe boodschap van God
overgebracht. Jesaja heeft ook een vijgenkoek laten halen en die op de gloeiend hete zweer gelegd. Wie weet, had de
dokter van Hizkia dat ook al gedaan. Zo'n middel werd in die tijd wel vaker toegepast. Maar nu komt de zegen van
God erbij. En Hizkia kent zijn God wel zo goed, dat hij weten kan dat hij over twee dagen echt weer beter is. En
toch: Hizkia is zich lam geschrokken en dat is hij maar zo niet weer kwijt. En dat begrijpt God.
En als Hizkia dan om een teken vraagt, gaat God daar royaal op in.
Natuurlijk, het belangrijkste is dat de dreiging er niet meer is. Maar als hij of zij dat niet gelooft... Van het
grootste belang is, dat God er is, dat Christus er is voor hem, voor haar. Maar als hij of zij zich nu niet aan Hem
durft toe te vertrouwen... Als de angst nu maar steeds in je lijf blijft zitten...
En zo komt God met zijn goddelijk aanbod. Hij trekt, zo zou je kunnen zeggen, alles uit de kast. Alles wat Hij
heeft, gebruikt Hij. En Hij heeft nogal wat.
God brengt echt alles in beweging voor dat ene kind van Hem. Je zult ook maar doodgaan.
Maar roep dan gerust tot God. En Hij geeft je meer dan je ooit had gedacht.
De schaduw beweegt. De schaduw trekt zich terug. Tien treden liggen nu weer in het volle licht van de zon. Maar
is dat nou wel echt gebeurd?
Laten we eens kijken naar vers 20 van dit hoofdstuk. Daar worden de jaarboeken van de koningen van Juda genoemd. De
koningen hadden hun hofschrijvers. En al wat belangrijk was, legden die hofschrijvers per jaar vast. Het is
duidelijk, dat de schrijver van Koningen van deze jaarboeken gebruik heeft gemaakt. In één van die jaarboeken heeft
dus ook het wonder gestaan van de schaduw die tien treden terugtrad. Kun jij je voorstellen, dat dit wonder erin
gestaan had als het niet was gebeurd? Hoe moet je je dat dan indenken? Hizkia ziet het en hij vertelt het aan zijn
kroniekschrijver. Verder neemt niemand er kennis van. Zo gaat dat natuurlijk niet. Als je zoiets ziet gebeuren,
praat je daar met anderen over. Hizkia praat daar uiteraard ook met anderen over. 'Moet je horen.' En Jesaja ook.
Bovendien, als die dag voor Hizkia zolang duurde, dan ook voor de mensen in zijn paleis en misschien zelfs voor
alle inwoners van Juda. En als het nou niet zo was... Zo'n jaarboek wordt natuurlijk ook door anderen gelezen. En
die lezen daar dan iets waar zij niets vanaf weten. Er hoeft daar maar één bij te zijn die Hizkia een kwaad hart
toedraagt, of hij beschuldigt de koning van bedriegerij.
Het is dus gewoon echt gebeurd. Zeker, de wetenschap leert ons best wel een heleboel. Maar als je denkt, dat je
dankzij de wis- en natuurkunde en de astronomie vandaag precies kunt zeggen wat er in alle tijden en over heel de
wereld wel en niet mogelijk is, dan heb je het wel mis. Eigenlijk is dat heel arrogant.
Maar wat is er precies gebeurd? Wat is er allemaal in het heelal gebeurd? Dat weet ik niet. Het enige wat ik wel
weet, dat is dat voor Hizkia en zijn omgeving die ene dag veel langer duurde dan normaal. Was dat in de naburige
landen ook het geval? Volgens mij hoeft dat niet zo te zijn geweest. Als God in staat is om aan Hizkia een
superlange dag te geven, is hij tegelijk best in staat om aan de naburige landen een gewone dag te geven.
Maar nog belangrijker dan dat God dit kan, is wat Hij hiermee wil laten zien. Heel opvallend is, wat Hizkia
tenslotte zegt: 'Tien treden opschuiven is niet zo moeilijk. Laat hij dus tien treden terugschuiven.' Wij zouden
zeggen: 'dat maakt nou echt niets uit.' Maar daar zijn wij dan 21e-eeuwse Europeanen voor. Wij denken
alleen aan de beweging van de zon, een beweging die zelfs meetbaar is. De Judeeër uit de tijd van Hizkia beleeft
echter vooral de strijd tussen donker en licht. Hij heeft immers ook nauwelijks kunstlicht.
En dan kun je er iets van begrijpen, dat het Hizkia niet zo moeilijk lijkt om die dag nog iets te verkorten. Het
wordt immers toch al avond. De schaduwen lengen. De nacht komt echt. Daar valt niet aan te ontkomen. Netzo min als
aan de dood te ontkomen valt. De Judeeërs uit de tijd van Hizkia verbinden die twee ook met elkaar, de nacht en de
dood. In het dodenrijk, zo gelooft men in die tijd, is het altijd donker.
Maar God is sterker dan duisternis en dood. En als het moet, brengt Hij alles in beweging om dat waar te maken.
Zelfs al gaat het maar om één mens, één kind van Hem.
En dat is dan ook het grootste wonder in deze geschiedenis. Toen Jozua zijn gebed bad, zette God de zon stil voor
een heel volk. Nu beweegt Hij de zon terug voor één man. Dat Hij dit kan, weten we inmiddels. Maar dat Hij dit wil,
is wel heel bijzonder.
Je kunt het als mens soms behoorlijk benauwd hebben. Zo benauwd, dat je voor je gevoel tot een goed gebed niet
in staat bent. Een gebed zoals je dat hebt geleerd, waarbij je vooral God de eer geeft, Hem je dank bewijst. Omdat
je zo niet bidden kunt, bid je maar helemaal niet. God is niet zomaar een God en wie ben jij, dat jij zijn aandacht
vragen mag? Dus nu maar even niet. Er zijn ook zoveel mensen, naar wie God luisteren moet.
Maar God hoort niet, omdat wij zo goed bidden. God hoort, omdat Hij horen wil, omdat Hij zo barmhartig is.
En dus: roep maar, smeek maar, huil maar in zijn aanwezigheid. Hij neigt zijn oor. Hij schenkt je hulp. En Hij
geeft je veel meer dan je ooit had gedacht. Hij doet dat straks. Maar wie weet, ook al vandaag. Let maar goed
op.
Niet te geloven, zo denken wij. Is het wel waar? Maar dan geeft God ons een teken. Het is het teken dat die herders
kregen bij Betlehem. Een kind in doeken gewikkeld dat in een voederbak ligt. Jezus. Nakomeling van Hizkia en Josia.
Door Hem brengt God echt álles in beweging, veel meer nog dan de zon op die voor Hizkia zo onvergetelijke dag. In
Jezus beweegt God zichzelf. God is toch meer dan de zon? Ja toch?
Misschien voel je jezelf de enige die roept. Misschien bén je op dat moment de enige die deze klacht uit. Dat geeft
niet. 'Ik ben er voor jou', zegt God. En ook als ik iets voor jou alleen moet doen, dan doe Ik het, wat het Mij ook
kost. Je kent Jezus toch wel? Mijn Zoon, een kind, dat in doeken gewikkeld in een voederbak lag. Hij is het teken.
En dat teken geef Ik ook aan jou.
Amen.
http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar
© Copyright Preken die Spreken / Speaking Sermons / Pregação Viva,
2003-2013.
Niets uit deze uitgave mag gepubliceerd of vermenigvuldigd of openbaar
gemaakt worden in welke vorm dan ook, zonder de voorafgaande schriftelijke
toestemming van Richard J.C. Vos en de bijdragende predikant. Voor vermenigvuldiging
ter voorbereiding van, en openbaarmaking tijdens diezelfde zondagse eredienst,
of ter voorbereiding van bijbelstudie(bijeenkomsten) is geen toestemming nodig.