| Thema: | Zelfs van Hizkia leer je geen dankbaarheid |
| Tekst: | 2 Koningen 20: 19 |
| Tekstgedeelte(n): | 2 Koningen 20: 12-21 Jesaja 31: 1-3 Matteüs 27: 45-54 |
| Door: | Ds. T.S. Huttenga (studentenpastor gereformeerde kerk vrijgem. classis Groningen) |
| Gehouden te: | Groningen-West op 6 november 2002 (Dankdag) |
| Opmerking RJCV: | Deel 3 kan zowel op Dankdag als daarbuiten gelezen worden. De delen van deze serie kunnen ook afzonderlijk worden gelezen: Hizkia - 1: In alle tijden en in elke situatie steunt God wie van Hem houdt, Hizkia - 2: God brengt echt alles in beweging voor dat ene kind van Hem, Hizkia - 3: Zelfs van Hizkia leer je geen dankbaarheid. |
| Extra: | Inleiding op de prekenserie Hizkia |
Aanwijzingen voor de Liturgie
Votum en zegengroet
Lied 1
Gebed 1
Lezen: 2 Koningen 20: 12-21; Jesaja 31: 1-3; Matteüs 27: 45-54
Ps. 104: 2, 4-6
Tekst: 2 Koningen 20: 19
Preek
Ps. 67
Geloofsbelijdenis: Gez. 3
Gebed 2
Collecte
Lied 460: 1, 4-5
Zegen
Broeders en zusters, jongens en meisjes,
Is God niet erg streng? Hizkia laat aan de gezanten uit Babel al zijn bezittingen zien. Mag dat niet?
Jij hebt een nieuwe kamer. Goed geverfd, prima vloerbedekking, leuke posters aan de muur, computer, stereotoren,
beide van een bekend merk. Een vriend die elders studeert komt langs en je laat hem trots je kamer zien. Wat is
daar mis aan?
U hebt een gloednieuw huis betrokken. Samen met uw vrouw hebt u het interieur uitgezocht: de keuken, de meubels, de
verlichting, een paar schilderijen of reproducties, de kapstok in de gang, enzovoort. Vrienden komen een weekend
logeren. Leuk. En u laat hen natuurlijk alles zien. Wat is daar fout aan?
Misschien hebt u of heb jij in de Londense Tower wel eens de kroonjuwelen gezien of rondgekeken op Paleis het Loo
bij Apeldoorn. Koninklijke families hebben heel wat te tonen. Dat mag toch wel?
Maar Hizkia krijgt ervan langs.
Vandaag [ is het dankdag. En vanavond ] richten wij onze gedachten op God. Wij denken aan onze Schepper, aan de
Onderhouder van ons leven. Dat is goed. Maar je kunt ook overdrijven. Als je al niet eens met trots je nieuwe huis
mag laten zien!
Maar wat is nu het grootste risico, dat je teveel of te weinig met God rekent?
Wat denkt u? Wat vind jij?
Volgens mij moeten wij de dankbaarheid nog vaak leren.
Maar van wie leren we dat dan?
Daarover gaat de preek. Het thema is:
Zelfs van Hizkia leer je geen dankbaarheid |
Een opvallende stoet rijdt Jeruzalem binnen. Vreemd uitgedoste mannen. Voertuigen die men niet kent. De hele
stad heeft het erover. Wie zijn dit? Waar komen ze vandaan? Ook de profeet Jesaja vraagt zich dit af. De stoet
verdwijnt achter de poortdeuren van het paleis. De dagen daarna dringen vanuit het paleis geruchten tot de
bevolking door. Koning Hizkia heeft aan deze mensen werkelijk al zijn kostbaarheden laten zien. Het duurt ook
langer dan anders. De koning heeft nog nooit zoveel tijd besteed aan bezoek uit het buitenland. De stoet rijdt ook
een paar keer door Jeruzalem. De stoet rijdt zelfs door heel Juda. Overal waar koninklijke bezittingen zijn,
verschijnen in het kielzog van de koning deze vreemde mensen. Hizkia slaat echt niets over.
Jesaja wordt langzamerhand nieuwsgierig. Wat heeft de koning met deze mensen te bepraten? Waar komen ze vandaan?
Jesaja wordt zelfs achterdochtig. Hij moet er niet veel van hebben, als de koning van Juda een bondgenootschap
sluit met een vreemde vorst. Hij heeft daar genoeg ellende van gezien. De koning gaat dan steunen op zo'n vorst en
hij vergeet God.
Als de bezoekers weer weg zijn, vraagt Jesaja Hizkia om opheldering. Aan het antwoord van de koning merkt hij
direct al, hoe trots Hizkia is. "Uit een ver land zijn zij gekomen." Dat betekent dus, dat de naam van Hizkia heel
bekend geworden is. Zelfs in Babel weet men, wie hij is. Nu wordt de aandacht van de man Gods gescherpt. Hij vraagt
door. "Wat hebben zij in uw paleis gezien?" De koning geeft daar een open en eerlijk antwoord op. "Er is in mijn
schatkamers niets wat ik hun niet heb laten zien." Het klinkt wat naïef. Jesaja schrikt. Het is de koning in zijn
bol geslagen.
Heel lang geleden kreeg ook koning Salomo een bijzonder staatsbezoek, ook uit een ver land, een koningin. Ook zij
kreeg veel te zien. Het paleis dat Salomo had gebouwd, de gerechten die werden opgediend, de hovelingen die
aanzaten, de bedienden die klaarstonden en de gewaden die ze droegen, de dranken die werden geschonken én de
vuuroffers die Salomo opdroeg in de tempel van de Here. Dat laatste valt op. En de conclusie van deze koningin valt
ook op. "Uw wijsheid en geluk gaan de verhalen die ik heb gehoord, verre te boven. Wat zijn uw onderdanen te
benijden. Wat zijn vooral uw dienaren hier te benijden die van zo dichtbij uw wijze uitspraken kunnen horen. Dank
aan de Here, uw God, die zoveel van u houdt dat Hij u heeft gezet op de troon van Israël en wiens liefde voor
Israël zo grenzeloos is dat Hij u koning heeft gemaakt om wet en recht te handhaven!" De koningin van Seba weet nu
meer van Salomo dan ooit, maar zij kreeg ook zicht op zijn volk én op zijn God. Die God is ontzettend goed voor
Salomo en Israël. Zij heeft dat met eigen ogen geconstateerd.
Maar hoe zit het bij het staatsiebezoek dat Hizkia ontvangt? Klinkt dan ook de naam van God? Kijkt u eens naar vers
13. Daar wordt wel het paleis, maar niet de tempel genoemd. Heeft Hizkia tijdens dat bezoek ook brandoffers aan God
gebracht? En als hij dat gedaan heeft, waren de buitenlanders daar dan bij? Is het zonder reden, dat Jesaja alleen
vraagt wat zij in het paleis hebben gezien? Als ze ook in de tempel waren geweest, zou heel Jeruzalem dat
weten.
Bovendien: de koningin van Seba kwam met het doel om van dichtbij te zien, hoe deskundig Salomo was. Daarbij hoorde
natuurlijk ook de inrichting van zijn paleis. Maar de gezanten uit Babel komen om Hizkia geluk te wensen met zijn
herstel!
Als iemand jouw nieuwe kamer komt zien of uw nieuwe huis, is het logisch dat je die of dat laat zien. Je mag dan
ook best wel trots zijn. Maar als u net bent hersteld van een ernstige ziekte en een goede vriend komt langs, wordt
het verdacht als u hem uw hele huis laat zien, ook al zag hij het nog niet eerder. Waar zit u dan met uw gedachten?
Bij God die u genas? Vast niet.
In het geval van Hizkia speelt dan ook nog, dat God hem op een bijzondere manier heeft beter gemaakt. U, jij weet
dat misschien nog wel. God wilde echt alles voor Hizkia doen. Hij wilde zelfs de zon terug doen gaan, alleen voor
hem. Maar wat doet Hizkia voor God?
Het zat er bij de koning al een beetje in, dat eigenbelang. Hij was, toen hij zo ziek was, wel heel erg met
zichzelf bezig. Jesaja wilde hem dat laten voelen. 'Majesteit, God maakt u beter. Over twee dagen mag u weer naar
de tempel. Maar God zal ook deze stad redden. Ter wille van zijn eer en ter wille van David.' Heel subtiel zei
Jesaja dat. Hij had er best begrip voor, dat je als je zo ziek bent alleen met jezelf bezig bent. Maar hij zei het
wel. In de hoop, dat het op de duur bij Hizkia toch iets zal doen. Maar die hoop blijkt ongegrond.
Behalve God reageert ook het verre Babel op de ziekte van de koning. En op die laatste reactie gaat de koning
gretig in.
Dat is best begrijpelijk. Natuurlijk ziet hij een kans. Babel kan mooi zijn bondgenoot worden tegen Assur. Dus
probeert Hizkia zoveel mogelijk indruk te maken. In hem krijgt Babel een stevige bondgenoot. Begrijpelijk? Hizkia
heeft net ervaren, hoe broos zijn leven is, hoe afhankelijk van God. Het had niet veel gescheeld, of geen enkele
mogendheid had nog iets aan de koning van Juda gehad.
Hizkia wordt in verleiding gebracht. Als jou zo hardhandig wordt getoond hoe zwak je bent, is het toch mooi om
direct daarna te laten zien dat je heel wat in petto hebt. Als wij zwak zijn, proberen we dat ook te compenseren.
Dat dwingt ook respect af. 'Jij legt tenminste het hoofd niet in de schoot.' En dat moet ook niet. Je moet niet
doorslaan in passiviteit. Maar je moet jezelf ook niet overschreeuwen. Als je zwak bent, ben je zwak. Je moet dat
vooral niet over het hoofd zien, omdat je daardoor God vergeet. Onder alle omstandigheden flink zijn, dat kan dus
zelfs heel verkeerd zijn.
Hizkia tuint erin. Het zat er al een beetje in, want hij was wel erg met zichzelf bezig. Toch zat het er ook niet
in, want wat stelde God daar veel tegenover! Voor die ene man bewoog Hij de zon een flink eind terug. Hizkia
vergeet God. Het is tijdens dat hele staatsbezoek alsof God er niet of nauwelijks is. Hoe is dat in vredesnaam
mogelijk? Hizkia, 'God is sterk', betekent dat. Maar Hizkia voelt zichzelf sterk. Hij vergeet God. Maar: hij heeft
zichzelf daarmee.
Als je God vergeet, komt dat vaak door een mens. Die mens kun jijzelf zijn. Jij, die zo hard studeert en ook nog
bijverdient. Dan spreekt het toch vanzelf, dat je het goed hebt? U, die hard werkt en uw geld goed beheert. U hebt
uw mooie auto verdiend. Ja toch? Die mens kan ook een ander zijn, een man of vrouw die je bewondert, naar de ogen
ziet. Maar mensen zijn God niet. God is veel meer en Hij heeft veel meer. Wie beschikt er nu over de zon?
Al lezend in 2 Koningen 20 merk je eigenlijk direct al, dat Hizkia zichzelf voor de gek zit te houden. Dat moet je
maar doen, aan politiek geschoolde mensen al je kostbaarheden laten zien. Zolang jij netzo sterk bent als zij,
levert dat geen problemen op. Ze zullen jou inderdaad graag als bondgenoot hebben. Maar als ze sterker worden dan
jij, gaat het mis. Dan overschrijden ze jouw grenzen. De begeerte die jijzelf bij hen hebt opgewekt, ziet haar kans
schoon. Mensen zijn slecht. Naarmate zij meer macht hebben, maken zij daar ook misbruik van. Waarom zou die ander
uit zijn op jouw belang? Hij is alleen maar uit op zijn eigen belang. Dat ben jij toch ook? Hizkia laat zich een
rad voor ogen draaien door de afgod die mens en machthebber heet. En de straf die God hem geeft, past daarbij. Het
is dus een heel goede straf. Goede straffen maken precies zichtbaar wat jij fout deed. Niemand kan zo goed straffen
als God. God legt ten overstaan van Hizkia ook zijn hoogmoed bloot. "Er komt een tijd dat al uw paleisschatten,
alles wat uw voorouders tot nu toe hebben vergaard, zal worden weggesleept naar Babel." 'Wat uw voorouders hebben
vergaard.' Hoeveel heeft Hizkia nu zelf in die schatkamers gebracht? Dat is naar verhouding maar heel weinig. Het
meeste zal aan Salomo te danken zijn.
God is kwaad. Hij had alles voor Hizkia over. Vijftien jaar uitstel gaf Hij hem. Hij deed alles om Hizkia af te
helpen van de doodsschrik in zijn lijf. Maar Hij krijgt van Hizkia niets terug. Wat Hij zou moeten krijgen, krijgen
de gezanten uit Babel. Wat hebben zij nou gedaan om Hizkia beter te maken? Helmaal niets!
Is God niet wat streng? Moet Hij er niet begrijp voor hebben, dat Hizkia erin loopt?
Wij kennen God als goed. Wij weten, dat Hij liefde is en dat doet ons goed. En God is ook liefde. Maar bij echte
liefde hoort ook, dat je kwaad wordt als daar reden voor is. Als je altijd vriendelijk blijft, maakt het jou
blijkbaar niet uit of die ander goed voor jou is of slecht. Is dat liefde, dat jou dat niets uitmaakt? Dat is geen
liefde.
God voelt zich door Hizkia diep gekwetst. En dan is God ook eerlijk, onpartijdig. Dan is het even niet van belang,
dat Hizkia indertijd zo dapper optrad tegen de afgoderij. Als je liefhebt, werk je niet met optelsommen. Dan
hanteer je de weegschaal niet. Dan valt die ander je gewoon tegen en dat hij of zij ook nog veel goeds deed of
doet, maakt de pijn nog intenser. Hizkia valt ons toch ook bitter tegen.
Als je eigen persoon jou fascineert of de persoon van anderen, wordt God boos. Hij ziet, hoe jij, hoe u de eer die
Hem toekomt doet toekomen aan jezelf of aan die ander. Dat kwetst Hem diep. Hij bracht echt alles in beweging. Hij
bewoog zichzelf. Hij gaf zijn lieve Zoon. Zonder dat zou jij die kamer niet hebben en u niet dat huis, jij niet die
baan en u niet die auto.
En als God boos op je is, is dat niet zomaar iemand. Wij passen er vaak wel voorop om iemand tegen ons te krijgen,
van wie wij afhankelijk zijn, die macht uitoefenen kan. Maar wie heeft er zoveel macht als God, macht ook over ons
of gelooft u dat niet?
Hizkia vergeet God. Hizkia heeft zichzelf daarmee. Maar Hizkia heeft ook zijn volk hiermee.
Wat vindt u van Hizkia' s reactie?
Misschien kijkt u, kijk jij daar met gemengde gevoelens naar. Het eerste deel klinkt goed. Hizkia biedt geen
verzet. Heeft hij door, dat hij niet goed deed? Maar het tweede deel doet daar weer afbreuk aan.
Ik moest bij de woorden van Hizkia denken aan een kind dat straf krijgt. Heel vaak houdt zo'n kind zich groot. 'Oké
hoor', zegt het dan schouderophalend, of, 'maakt mij niets uit.' Dat wil zeggen: 'jullie zullen er in elk geval
geen plezier van beleven, van die straf.' Het kind neemt afstand. Het geeft, op dat moment tenminste, zijn ouders
niet de kans om hem met hun straf iets over te brengen.
Zo is volgens mij de houding van Hizkia ook. Je voelt wat hij denkt. 'Wat is daar nou mis mee, dat ik die mensen
uit Babel mijn kostbaarheden laat zien? Als God daar een probleem van wil maken, dan doet Hij dat maar.' Terwijl
God door middel van zijn straf probeert zijn hart te raken. En dan ook nog door de persoon van Jesaja. Als Hizkia
met één profeet een goede band heeft, dan toch wel met hem?
Hizkia houdt afstand van God. Maar waarom? Is hij zo van slag door dit bericht? Blijkbaar niet. Hij troost zich met
de gedachte, dat er tijdens zijn leven niets ergs gebeurt. Hij heeft van God nog vijftien jaar gekregen en dus zal
tijdens die vijftien jaar Babel Jeruzalem niet bedreigen. Van die belofte maakt Hizkia dus goed gebruik of
misbruik?
Hizkia is niet van slag. Dat is dan ook niet de reden, waarom hij zich neerlegt bij de straf van God. Toen hij zo
doodziek was, legde Hizkia zich daar ook niet bij neer. Als het moet, weet hij de Here echt wel te vinden.
Hizkia wil dus gewoon niet. Hij wil zich niet veranderen. 'Zich niet bekeren', kan ik ook zeggen. Zijn hoogmoedige
ik is hem te sterk.
Maar daarmee heeft hij nog steeds zichzelf. Het is dus heel kortzichtig wat hij doet. En dat niet alleen: hij heeft
hiermee ook zijn volk, vooral zijn volk en zijn eigen nageslacht. Als je God vergeet, vergeet je ook zomaar je
naaste. Als Hizkia nu gehuild had van spijt, hoe was het dan gegaan met zijn volk? Misschien wel heel anders.
Uiteindelijk straft God zijn volk om een daad van hem. Hoe kan een koning zo doen? Waar is zijn
verantwoordelijkheidsgevoel? Hoe kan Hizkia zo doen?
Wij komen vandaag in de kerk om God te danken. Dankbaarheid, dat moet je leren. Van wie leer je het nu? Zijn er
christenen, die ons tot voorbeeld kunnen zijn? Ze zijn er vast wel, mensen die veel doen voor God en voor hun
naaste en bij wie je merkt dat dit van harte gaat en niet om complimentjes te oogsten. Maar zelfs zij vallen wel
eens tegen.
Eén mens evenwel valt niet tegen. Tijdens heel zijn leven diende Hij God oprecht. Zonden waren er bij Hem niet.
Geen enkele. Toen kwam die verschrikkelijke dag. Ook op die dag bewoog God de zon. Maar deze dag verlengde Hij
niet. Hij verkortte haar. Als de trap van Achaz in die tijd nog had bestaan, was de schaduw daarop niet terug maar
verder gegaan.
Stikdonker werd het, midden op de dag. Drie uur lang duurde het. Toen klonk die kreet: 'Mijn God, mijn God, waarom
verlaat U Mij?'
Van deze mens leer je dankbaarheid. Elke zondagmiddag belijden wij ons geloof in Hem. 'Ik geloof in Christus.' 'Ik
vertrouw mij toe aan Hem.'
Richt uw gedachten op Hem, op deze Zoon van God. Niet heel kort. Neem er de tijd voor. En jij: denk aan Jezus. Aan
zijn aanhankelijkheid tegenover God. Aan zijn vertrouwen in zijn Vader. Aan zijn liefde voor God, eindeloos. Geef
je aan Hem. Geef u aan Hem. En van Hem leer je dankbaarheid.
Amen.
Schepper van deze wereld, trouwe God,
U kent ons, stuk voor stuk.
U zorgt voor ons, voor ieder van ons persoonlijk
Wij willen U daarvoor bedanken. U verdient dat. U bent goed.
Wij willen ook naar U luisteren.
Dank U voor uw Woord. Dank U voor Christus. Dank U voor uw Geest.
Spreek Here. Wij horen.
Amen.
Almachtige God, goede Vader,
Dank U wel, dat U de zon deed schijnen en de regen vallen liet,
dat U de zaden liet ontkiemen, de planten deed groeien, de aren en de vruchten liet rijpen.
Dank U wel, dat U energie gaf
voor het werk op de akkers, in de boomgaarden, de kassen, de veestallen,
voor het bewerken en verwerken van het graan, de vruchten, de melk.
Dank U, dat wij in dit land producten kunnen invoeren en uitvoeren,
dat in de winkels altijd meer dan voldoende te krijgen is,
dat we ook het geld hebben om te kopen wat we nodig hebben,
geld dat wij verdienen met ons werk,
dat we krijgen door middel van een beurs of bijbaan of via onze ouders,
dat we ontvangen als uitkering, via een verzekering of als pensioen.
U zorgt goed voor ons, elke dag.
U zorgt er ook voor, dat wij in een land leven met een uitstekende medische zorg.
Daar plukken we allemaal de vruchten van.
Dank U wel, als we in de afgelopen tijd mochten genezen van een ziekte, geholpen konden worden door middel van een
operatie en revalidatie.
Dank U voor de ruimte en de veiligheid, die wij in Nederland genieten mogen. Wij schrikken op van een plotselinge
moord en we vinden dat ook heel erg, maar in vergelijking met andere landen hebben wij het hier goed.
Dank U voor de arbeid, die we konden verrichten, met ons hoofd, met onze handen of met allebei. Dank U, als U ons
telkens weer beschermde midden tussen het drukke verkeer. Dank U als we een nieuwe baan kregen, promotie maakten,
of het werk dat we altijd al deden konden blijven doen. Dank U, dat U ons de vindingrijkheid gaf om onze tijd goed
in te vullen, als wij niet werkten. Dank U voor alles wat wij konden betekenen voor onze vrienden, voor onze
familie, voor de kerk en dank U voor alles wat wijzelf via hen van U gekregen hebben.
Dank U, als we een nieuwe woning konden betrekken of een andere auto aan konden schaffen of een brommer of een
fiets.
Dank U, als we konden studeren, vaak met veel plezier, als we slaagden voor tentamens of zelfs voor examens. Dank U
voor de goede docenten die er zijn en voor de goede adviezen die we kregen, als we problemen hadden. Dank U als we
naar school konden gaan, voor de onderwijzers en onderwijzeressen, de leraren en leraressen, de goede lokalen, de
goede leermiddelen. Dank U voor de vakanties, waarin we op adem konden komen, voor de mogelijkheden om uit te gaan,
voor de rustige zondagen.
Dank U voor dit kerkgebouw, deze kerkzaal en de lokalen, waar wij onze activiteiten kunnen verrichten, de
verwarming en de goede verlichting, het werk van allen die in de gemeente een taak hebben en die ook kunnen
uitoefenen.
Dank U voor hen die U in staat stelt om goede leiding te geven in de maatschappij, de politiek, de kerk.
Dank U voor de hulpverlening die kan worden geboden, hier in Nederland, maar ook in het buitenland, op Irian Jaya,
Sumba, Kalimantan Barat, in Afghanistan, verschillende landen van Afrika, Curaçao, Brazilië, waar al niet.
Vader, er is heel veel te danken. Wij doen dat niet zovaak. Meestal vragen wij U iets. Eigenlijk danken wij U veel
te weinig. Maar nu willen we het doen. Want U bent echt een geweldige God. Zo goed als U is niemand. Zo liefdevol.
Zo geduldig. Zo wijs. U weet precies wat ieder van ons nodig heeft.
Wij eren U om uw grootheid en wij danken U in Jezus' naam.
Amen.
http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar
© Copyright Preken die Spreken / Speaking Sermons / Pregação Viva,
2003-2013.
Niets uit deze uitgave mag gepubliceerd of vermenigvuldigd of openbaar
gemaakt worden in welke vorm dan ook, zonder de voorafgaande schriftelijke
toestemming van Richard J.C. Vos en de bijdragende predikant. Voor vermenigvuldiging
ter voorbereiding van, en openbaarmaking tijdens diezelfde zondagse eredienst,
of ter voorbereiding van bijbelstudie(bijeenkomsten) is geen toestemming nodig.