Daniël (Deel 5: Indrukwekkend beschreven en pijnlijk gewogen)

Thema: Indrukwekkend beschreven en pijnlijk gewogen
Tekst: Daniël 5: 23b
Tekstgedeelte(n): Daniël 5
Door: Ds. D. Griffioen (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Amsterdam-Centrum)
Gehouden te: Amsterdam-Centrum op 18 november 2001
Opmerking RJCV: De delen van deze serie kunnen ook afzonderlijk worden gelezen:
Daniël - 1: God laat Daniël als kind van Gods Koninkrijk leven tussen de machten,
Daniël - 2: Onze God de Allerhoogste heerst over astrologen en wereldheersers,
Daniël - 3: Geloof overwint het geweld,
Daniël - 4: Eindelijk op de knieën gebracht...,
Daniël - 5: Indrukwekkend beschreven en pijnlijk gewogen,
Daniël - 6: Een volhardende bidder tot God tegenover gevaarlijke leeuwen,
Daniël - 7: De Mensenzoon tegenover de beesten met hun streken,
Daniël - 8: Bidden om wat God beloofd heeft.
Benodigd: Sheet 'Mené Teqél Ufarsin'
Extra: Inleiding op de prekenserie: Daniël.

Aanwijzingen voor de Liturgie

Votum en zegengroet
Loflied bij het begin: Ps. 149: 1-3
Wet
Ps. 119: 52-53
Lezen: Daniël 5
Ps. 115: 1, 6
Tekst: Daniël 5: 23b
Preek
Ps. 135: 3, 8
Lied 470
Zegen

Gemeente geliefd door onze Here Jezus Christus, broeders en zusters,

Het feest dat beschreven wordt in Daniël 5 heeft alles van een galgenmaal. Als koning Belsassar voelt dat zijn einde nadert, haalt hij nog één alles wat hij heeft uit de kast en geeft een daverend feest voor iedereen die ingesloten is in de paleisburcht van de stad Babel. De stad is al ingenomen door de Perzen en de aanval op de dikke muren van de paleisburcht is al begonnen. Koning Belsassar móet gevoeld hebben dat het machtige rijk, dat hij erfde van zijn grootvader Nebukadnessar, wankelde. Weldra zal álles in handen van de vijand, de Perzen en de Meden vallen. Je kunt daarom beter maar snel alles even verteren. Dat is beter dan het in de handen van de vijand te laten vallen.

Belsassar was de zoon van Nabonid (Nabonidus) die getrouwd was met een dochter van Nebukadnessar. Nabonid was een generaal van hem geweest en verwierf de troon van Nebukadnessar. Hij bemoeide zich nauwelijks met de regering. Altijd was hij op reis en het schijnt dat hij zich acht jaar lang niet heeft laten zien in de hoofdstad Babel. Zijn zoon Belsassar (Moge Bel hem beschermen betekent die naam) nam de honneurs waar en werd uiteindelijk koning op de troon van zijn grootvader Nebukadnessar.

De ontwikkelingen zijn uiterst snel gegaan. Herinnert u zich nog uit Daniël 1 dat we hoorden dat Daniël en zijn vrienden, amper 15 jaar al naar Babel gedeporteerd werden? Dat moet in het jaar 605 voor Chr. geweest zijn. Daniël heeft jaren gediend aan het hof van de koning van Babel. In hoofdstuk 5 zijn we in het jaar 539 aangekomen. Dus ongeveer 67 jaar later. De Perzen en de Meden hebben dan het hele rijk van Babel al veroverd. Ze staan klaar om de genadeslag toe te brengen aan de zwaar versterkte paleisburcht. Het hele rijk dat gebouwd is door koning Nebukadnessar heeft dus maar nauwelijks zeventig jaar bestaan. Een flitsende opkomst, en een even snelle afgang als de wateren...

Waar is Daniël? Daniël moet in Daniël 5, als het rijk op z'n laatste benen loopt, al tegen de tachtig jaar oud geweest zijn. Hij hield zich nog wel op in het paleis van de koning van Babel, maar was toch wel op de achtergrond geraakt. Niemand schijnt aan hem te denken. En hijzelf houdt zich liever wat op de achtergrond. Hoewel, hij blijkt nog niet geheel vergeten te zijn...

Koning Belsassar houdt in het gezicht van de dood, nog even een knálfeest voor de bewoners van zijn machtige paleisburcht. Hij wéét dat de god Bel hem niet meer kan beschermen...
Belsassar maakt van zijn laatste avond een drinkgelag. Zijn énige raadgever is de wijn... Onder aansporing van de wijn beveelt Belsassar dat men de gouden en zilveren bekers en schalen uit de tempel in Jeruzalem moet halen. Opdat de koning en zijn gezelschap, zijn adviseurs, zijn bobo's en vooral ook zijn vrouwen, eruit zullen kunnen drinken.
Iedereen in die tijd zou er van rillen. Gewijde bekers gebruiken bij een braspartij. Dat dóe je niet. De heilige voorwerpen uit de schat van de tempel in Jeruzalem, zoals zijn grootvader Nebukadnessar ze weggeroofd heeft en in de tempel van zíjn goden heeft gezet, worden nu gebruikt voor een obscene vertoning, waarvan iedereen zou gruwen. Het is voor iedereen in die tijd, wát hij ook gewend was, een afschrikwekkende vertoning. Heilige voorwerpen die alleen in de tempel door heilige mensen gebruikt mochten worden voor heilige doeleinden, worden zo platvloers als het maar kan gebruikt voor wijn en vrouwen. Belsassar moet het spoor helemaal kwijt zijn. Dat hij met de dood voor ogen dít doet. Een beestachtige uitspatting organiseren op de laatste dag van zijn leven. Zodat hij en zijn héle gezelschap zich kan uitleven, met wijn en vrouwen. De gouden en zilveren bekers moeten nog één keer de sfeer aanbrengen van de dagen van vroeger.

Belsassar moet een kinkel zijn. Die absoluut geen gevoel voor verhoudingen meer heeft. Ze drinken veel en onder de invloed van de wijn roemen zij de goden van goud, zilver, koper en steen. Alléén maar om er iets bespottelijks van te maken! Hij is zéker niet van plan de naam van de God die leeft te eren. Wel prijst hij de materialen waaruit ze gemaakt zijn. Er ligt minachting in. Alle lolbroeken aan de tafel van de koning stemmen in één ding samen: "Ha, ha! Laten we drinken op de héle meute van goden die ons toch niet kunnen redden!" Het sarcasme vult de grote feestzaal tot aan de nok! Men zwelgt in plat vermaak, omdat men wéét dat het morgen allemaal voorbij is. Er is toch geen énkele god is die kan redden van de Perzen en de Meden?

Dát de God van Israël hier gaat ingrijpen is begrijpelijk. Zó kennen wij Hem. Hij wil zijn Náám hoog houden en Hij zál zijn eer niet laten smaden. Hij gaat ingrijpen omdat álle respect voor Hem verdwenen is. Hij maakt zich op om het feest van de kinkels te beëindigen. Hij duldt lange tijd goden naast zich. Er komt een moment dat Hij de brallers van het cynisme zal laten vóelen wát zij zijn! God voert de strijd tegen de goden en mensen die de pretentie hebben iets méér te zijn dan wat op de aarde aards is. God gaat nú aantonen dat die goden helemaal niets zijn! Als mensen die met zware ernst of losbollig cynisme aan zijn heilige Naam komen, zullen ze het mérken dat Hij de God is die zich laat gelden.

Het trekt de aandacht op welke manier de God zich manifesteert op het laatste feestje van Belsassar. Geen snelle actie vanuit de hemel, waarbij de spotters met de wijn in de keel en de gouden bekers uit de tempel nog in de hand plotseling doodvallen. Nee, God die leeft gebruikt zijn vinger waarmee Hij ooit twee stenen tafelen beschreef om wéér te schrijven. Deze God, ónze God schept orde door het Woord dat Hij zelf eigenhandig opschrijft! Met overwéldigende eenvoud én indrukwekkende majesteit roept Hij zó mensen tot de orde. Hóe machtig is déze God als Hij een paar létters op de muur schrijft.

Het is een hand die letters schrijft op de muur van de paleiszaal. De vinger Gods beweegt over de witte kalk van de muur. Het feestgedruis valt helemaal stil. Zelfs de koning ziet de rug van de schrijvende hand. Hij krimpt ineen, zijn gezicht wordt lijkbleek en zijn knieën bibberen. Er staat wel twee keer (vers 6 en vers 9) dat de koning verbijsterd was bij het zien van die hand die letters schreef op de muur. Iedereen kreeg het Spaans benauwd. Alle feestgasten zitten als versteend op hun stoelen. Alleen maar omdat de hand van God schrijft...

God geeft op de laatste dag van het leven van koning Belsassar nog één keer les in lezen. Met die letters op de muur, vier letters, is iets bijzonders aan de hand. Het zijn letters die je wel kunt lézen, maar de betekenis van die losse letters blijkt voor iédereen onduidelijk. De letters op de muur laten niemand los, ze blijven boeien. Het is wél zó angstaanjagend dat de koning meteen zijn raadgevers roept om dit verschijnsel te verklaren. De deskundigen kunnen echter de losse letters wel lezen (men las, verstond en sprak wel Aramees in Babel), maar ze weten in de verste verten niet wat die letters betekenen. Ook al belooft de koning - en het moet een slag in de lucht zijn - hen purper, eer en macht, zijn adviseurs kúnnen de letters niet verklaren. Maar die kúnnen het niet. De koning raakt er nog meer ontredderd van.

Op dat moment komt er een statige vrouw de feestzaal in. Het blijkt de koningin-moeder te zijn. Uit haar optreden blijkt dat ze het niet eens is met de hele gang van zaken. Zij neemt meteen het woord en steekt haar verhaal af. Ze heeft een advies en is ervan overtuigd dat zíj iemand weet die haar zoon kan helpen.
De koningin-moeder vertelt dan iets van een bijzonder mens die ooit in het paleis leefde en werkte. En ze voegt er aan toe dat in dié man 'de geest van de goden woont'. Ze haalt even de geschiedenis op uit de dagen van Belsassars (groot)vader Nebukadnessar. Die man die toen in het paleis leefde heeft vroeger zóveel goede dingen gedaan! Hij was ooit de chef van alles dat religieus, geleerd en wetenschappelijk was. Omdat hij toen zulke voortreffelijke adviezen aan de koning van Babel gegeven heeft, zou hij nu óók wel kunnen helpen. Hij kon dromen onthullen en uitleggen, hij heeft een scherpe geest en een uitnemend verstand, zegt de koningin-moeder. Hij kan knopen ontwarren. Aan het eind van haar verhaal noemt ze de naam van die wijze man: Daniël. Laat hem roepen, o koning! Híj alleen kan je helpen.

En dat gebeurt. Daniël wordt geroepen. Het siert hem dat hij niet aanwezig wilde zijn op dat allerlaatste spotfeestje van Belsassar. De oude Daniël hield zich kennelijk liever bezig met ándere dingen dan feestvieren.
Als Daniël bij de koning gekomen is, lijkt het erop dat de koning Daniël voor het eerst ziet: "Bent u die Daniël die tot de ballingen van Juda behoort, die mijn (groot)vader uit Juda heeft gevoerd?" "Ja, dat klopt, koning!" Daniël vertelt Belsassar in het kort aan Daniël wat er aan de hand is. En ook wat de beloning zal zijn als Daniël in staat is om de tekst op de wand te lezen én uit te leggen.

Het moet een dubbele vertoning geweest zijn. Daniël aan de ene kant. Hij ziet het gerei uit de tempel. Hij moet het herkend hebben. Hij ziet die walgelijke vertoning van die liederlijke mensen die zich kapot amuseren. Hij ziet óók de letters van God op de muur. Het handschrift van God betekent voor Daniël dat God zijn beloften niét vergeten is. Daniël begint onmiddellijk, zonder plichtplegingen zijn boodschap af te geven. Het gaat hem niet om eer en zo: "Koning, houd uw geschenken, geef die maar aan een ander. Toch zal ik u het geheimschrift van God verklaren."

Alsof hij het handschrift herkent, begint hij te lezen. Maar hij rept met geen woord over het geheimschrift op de muur. Hij begint zijn preek met een gebeurtenis uit de geschiedenis van (groot)vader Nebukadnessar. Het gaat eigenlijk niet over hem, maar over hoe Gód met hem gehandeld heeft. Gód heeft Nebukadnessar koninklijke macht, grootsheid, eer en majesteit geschonken. God gáf het hem en niemand anders. Alle volken en stammen beefden voor hem! Hij hield het leven van mensen in zijn hand. Hij kon doden en laten leven. Maar toen hij overmoedig werd en zijn hart zich verhief tegen God in de hemel, toén was het gedaan met zijn macht en eer. Hij werd uitgestoten uit de wereld van de mensen en leefde als een dier tót het moment dat hij erkende dat God de Allerhoogste macht heeft om het koningschap aan mensen te geven en kan aanstellen wie Hij wil.
Deze woorden van Daniël rijmen op wat Jezus eens tegen Pilatus zei: Gij zou geen macht tegen mij hebben, indien het u niet van boven gegeven was! Johannes 19: 11.
Het is de grondwet van Gods Koninkrijk.

Als Daniël zó begint te spreken om slecht bericht aan te kondigen aan een koning die het spoor volledig bijster is geraakt, dan moeten wij beseffen hóe bewogen en betrokken Daniël gepreekt heeft. Daniël kán namelijk niet meer spreken van de mogelijkheid voor de mens om tot inkeer te komen. God hééft al besloten dat het voor Belsassar en zijn rijk voorbíj is.
Hij moet het persoonlijke oordeel van God aankondigen aan een mens die ongeneeslijk hoogmoedig is. Daniël is geen onbewogen nieuwslezer die iets vertelt over afstandelijke gebeurtenis. Hij moet dokter zijn, die slecht bericht moet aankondigen aan mensen waar hij persoonlijk bij betrokken is.
"U, o koning, bent zijn zoon, Maar hoewel u wist van dit alles, bent u niet nederig gebleven. Hoogmoedig hebt u zich tegen de Heer van de hemel verzet." (vers 22-24) "U hebt de bekers uit de tempel gehaald, u hebt daarmee de goden van zilver, goud, etc. geroemd, hoewel ze doof zijn en zonder verstand. Maar u hebt geen eer bewezen aan de God aan wie u het leven te danken hebt. En die al uw doen en laten bepaalt. Daarom is op zijn bevel de hand verschenen op de muur die de tekens heeft neergeschreven."

Daniël komt Daniël tot de clou van zijn verhaal. "Dit staat er op de muur: Geteld, geteld, gewogen en verdeeld." En meteen gaat hij verder met de uitlegging.
In het aramees luiden de vier letters: mené, mené, teqél ufarsin.

Vast staat wel dat er letters op de muur hebben gestaan. Letters die staan voor aanduidingen van gewichten. Daniël leest het geheimschrift in de taal die aan het hof gesproken werd, het aramees. Namen van bepaalde gewichten. Gewichten die in de vorm van munten als betaalmiddel gebruikt werden.
De namen van de gewichtsmunten zijn in afkorting op de muur geschreven. M, M, T, en twee P's. Dit moet er ongeveer gestaan hebben: m m t p p.
Daniël leest het als een commerciële tekst:

Mené, 'geteld', verwijst naar mine een geldstuk dat gewogen werd. Geteld, geteld... de afrekening, het totaal, de uitkomst.

Teqél, betekent 'gewogen', het verwijst naar de sikkel en zestigste deel van een mine.
Ufarsin,
'en twee keer gewogen'. Het enkelvoud van parsin, peres kan ook 'gewogen' betekenen. Parsin dat zijn twee halve sikkels.
In het Nederlands zou je kunnen lezen: kilo, gram en twee halve grammetjes.

God heeft Daniël wijsheid en inzicht gegeven en hij verklaart zich nu nader:

Mené is een tel-stuk, een woordspeling op de naam van het gewicht de mine, en het werkwoord voor 'tellen'. "Want", zegt Daniël, "God heeft uw koningschap uitgeteld als een som geld en overhandigd aan een ander volk." Hij wil het nú beëindigen. Hij heeft alles uitgeteld.

Tegél is een weeg-stuk, Daniël leest er een woordspeling op het werkwoord 'wegen' zoals je het op een weegschaal doet. En zoals de sikkels door afwegen op echtheid gewogen werden. "Want," zegt Daniël, "u bent gewogen in de weegschap (van God) en te licht bevonden."
De derde letter is de aanduiding van een deel-stuk. Ufarsin las Daniël. Letterlijk: 'en twee peres'. Daniël maakt een woordspeling op het woord parsin. Hij spreekt het uit als peres en zegt dan: "uw rijk wordt verdeeld en aan de Meder en de Pers gegeven." De woordspeling op de 'Perzen' die voor de poort liggen is tegelijk duidelijk.

De aanklacht is uitgesproken door Daniël en hij heeft de tekens op de muur verklaard. Gods vonnis op de Godslastering van Belsassar is duidelijk. Hij heeft God niet verheerlijkt. Wat er allemaal in het leven van Belsassar niet deugde wordt niet vermeld. Het doorslaggevende wordt alleen genoemd: hij heeft God niet verheerlijkt.
Wij moeten hier toch wel even bij stil staan. Op de jongste dag, als Jezus terugkomt, en Hij in het gericht gaat met de inwoners van Babel en met álle mensen,
Iedereen zal het gelag moeten betalen...

De koning moet door de grond gezakt zijn. God heeft hem verworpen op gewicht en kwaliteit. Domheid en cynisme zijn ongerechtigheid voor God. De Perzen zijn al in de stad. De verblinde koning voert nog een show op en bekleed Daniël met purper en goud! Terwijl de paleisburcht élk moment kan ingenomen worden door de vijand! Men vertoont een wrang en heel cynisch toneelstuk: "Jij Daniël, bent ná Nabonidus, ná Belsassar de dérde de heerser van het héle rijk." Dat doet ons herinneren aan een bespotting van witte donderdag. Lezen we er niet een profetie in van de bespotting van Jezus? Die werd óók in trieste omstandigheden met purper werd omhangen.

Er is iets bijzonders aan de hand in dit verhaal. We weten dat in vroegere tijden íedere boodschapper van slecht bericht in het paleis meteen werd omgebracht. Dat gebeurde hier niet. Belsassar heeft Daniël met alle eer omgeven. Wij geloven toch wel dat het zo gebeurde omdat Gód zijn kind Daniël beschermde?

Van álle mensen in Babel blijkt Daniël de énige te zijn die de Here zoekt en Hem de eer geeft. De rest danst en drinkt op de stad die al verloren ís. En in diezelfde nacht in de handen van de Perzen zal vallen. Feestvieren tot je erbij neervalt. Er is tóch niets meer te redden.
Daniël moet het zich állemaal hebben laten welgevallen dat hij ongewild het cynische middelpunt van het ondergangfeestje is geworden. Hij kon zich er niet aan onttrekken. Hij wíst in zijn hart dat voor een profeet de grootste eer is om de woorden die hij spreken mag, zélf óók mag geloven.

De laatste mededeling van Daniël 5 is even zakelijk als indrukwekkend. Diezelfde nacht nog werd Belsassar de koning van de Babyloniërs gedood.

Op bevel van Cyrus werd de stad niét in de brand gestoken. Tempels en godsdienst werden beschermd. Darius, de Meder trok de stad in en woonde er de eerste twee jaren van zijn bewind. De stad is nog éven bewaard. Later is hij tóch gevallen.

Tot slot nog een sprekend detail. De Griekse geschiedschrijvers Xenophon en Herodotus vertellen dat toen de Perzische koning in de stad kwam, hij een stad aantrof die vol was van dronken en dansende mensen. Het cynisme moet niet alleen de koning en z'n hofhouding in z'n greep hebben gehad. Alle mensen in de paleisburcht bleken geen levensverwachting meer te hebben. Ze dachten állemaal: laten we alles maar opmaken en genieten, want morgen zijn we dood...

Wij moeten ons verootmoedigen voor de HERE. Wij die nooit uitgepraat raken over de zonden van ánderen waarmee we in aanraking komen. De HERE zegt: Ik zal er steeds weer over beginnen als je Míj niet verheerlijkt! Als déze God de maatstaf van Belsassar over óns leven legt, zullen wij dan bestaan? Wat hebben wij met Gods eer gedaan? Hebben wij Hem verheerlijkt?
We moeten ons verootmoedigen en God erkennen, die zijn Zoon gezonden heeft. Geloven in de Zoon die zei: "Vader, Ik heb U verheerlijkt op de aarde en Uw Naam bekend gemaakt." We hebben de ruimte niet meer om te zeggen of te denken: "och, wat God van mij vraagt weet ik allemaal niet meer zo."
God zou vandaag nóg kunnen schrijven op de muren van ons leven. Hij hééft geschreven - zwart op wit - op papier wat Hij van ons verlangt. En Hij wil door zijn Geest in ons hárt schrijven. Dat alléén de liefde van God ons kan redden van de veroordeling.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar