Daniël (Deel 8: Bidden om wat God beloofd heeft)

Thema: Bidden om wat God beloofd heeft
Tekst: Daniël 9: 1-19
Tekstgedeelte(n): Daniël 9: 1-19
Door: Ds. D. Griffioen (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Amsterdam-Centrum)
Gehouden te: Amsterdam-Centrum op 8 juli 2001
Opmerking RJCV: De delen van deze serie kunnen ook afzonderlijk worden gelezen:
Daniël - 1: God laat Daniël als kind van Gods Koninkrijk leven tussen de machten,
Daniël - 2: Onze God de Allerhoogste heerst over astrologen en wereldheersers,
Daniël - 3: Geloof overwint het geweld,
Daniël - 4: Eindelijk op de knieën gebracht...,
Daniël - 5: Indrukwekkend beschreven en pijnlijk gewogen,
Daniël - 6: Een volhardende bidder tot God tegenover gevaarlijke leeuwen,
Daniël - 7: De Mensenzoon tegenover de beesten met hun streken,
Daniël - 8: Bidden om wat God beloofd heeft.
Extra: Inleiding op de prekenserie: Daniël.

Aanwijzingen voor de Liturgie

Votum en zegengroet
Ps. 16: 1, 3, 5
Wet
Ps. 119: 37, 40
Lezen: / Tekst: Daniël 9: 1-19
Ps. 141: 1-2
Preek
Ps. 143: 1, 8
Lied 297: 1-2
Zegen

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

Als we in Daniël 9 lezen over de bidder Daniël dan ontmoeten we hem als een oude man. Het is het eerste jaar van koning Kores (Cyrus) van de Perzen. Het Babylonische rijk is al ingestort. Daniël is nog niet uitgediend. Hij is nog zeer actief, maar niet meer met politieke zaken.
De ballingschap heeft al ongeveer drie generaties geduurd. Gerekend van het jaar dat Babel het Assyrische rijk overrompelde (609 v. Chr.) tot het einde van het rijk Babel is precies 70 jaar. (Het jaar dat Perzië Babel veroverde is 539 v. Chr. ) Dat klopt met de zeventig jaren dat het volk van God dienstbaar is geweest aan het wereldrijk Babel.
Dat klopt met de profetie van Jeremia 29: 10 dat aan Babel de 70 jaren vervuld zouden worden. "Als voor Babel de zeventig jaren voorbij zullen zijn, dan zal ik naar u omzien en uw heilrijk woord aan u in vervulling doen gaan door u naar deze plaats terug te brengen." In Jeremia 25: 10-14 lezen we (GNB '96):

Er zal geen vreugde meer zijn, geen feest, geen bruiloft. De molens zullen niet meer malen, de lampen niet meer branden.
Dit hele land wordt verwoest, wordt één verschrikking. Deze volken zullen de koning van Babel zeventig jaar onderworpen zijn.
Maar na die zeventig jaar zal ik de koning van Babel en zijn volk straffen om hun misdaden; dat kondig ik jullie aan; hun land zal ik voor altijd verwoesten.
Ik zal hen treffen met de rampen waarmee ik hen bedreigd heb en die opgeschreven staan in dit boek; Jeremia heeft dat namens mij alle volken aangekondigd.
Machtige koningen zullen hen onderwerpen. Ik zal ze voor hun misdaden laten boeten.'

Er staat dus niet precies dat de ballingschap 70 jaar zou duren. Voor Babel is 70 jaar beslist. Uit verschillende bijbelse gegevens weten we dat de onderdrukking van het rijk van Juda door Babel 64 jaar geduurd heeft. De wegvoering van Daniël en zijn vrienden vond plaats in 603 v. Chr. ten tijde van koning Jojakim; de wegvoering van Jojakin in 597 v. Chr.; en de verwoesting van Jeruzalem is gedateerd in 586 v. Chr. De herbouw van de tempel begin in 539 v. Chr. De tempel heeft er dus 'maar' 47 jaar verwoest bij gelegen.

De hoogbejaarde ambtenaar en profeet Daniël doet niets anders dan wat hij moet doen. Hij doet wat iedereen moet doen om staande te blijven in moeilijke, vijandige omstandigheden. Hij leest in de Schriften en hij bidt dagelijks tot God, 's morgens en 's avonds. Hij leest in de boekrollen. Hij overweegt wat gezegd is in de wet, de profeten en de geschriften.
Hij leefde in de Schriften. Hij behoorde tot hen die het Woord van God horen, overdenken en er naar doen. Hij kwam daardoor ook niet buiten de werkelijkheid te staan. Zijn kennis en zijn wijsheid ontving hij van God. Zijn weg werd vastgemaakt door het Woord van God.

Wát las Daniël zoal? Uit de citaten die we tegenkomen in zijn gebed blijkt dat hij citeert uit de rol van Jeremia, dus geschreven vlak voor de ballingschap, en uit de rol van Deuteronomium.
In Jeremia 29: 10-14 (NBG-'51) las hij het volgende:

Want zo zegt de Here: Neen, als voor Babel zeventig jaren voorbij zullen zijn, dan zal Ik naar u omzien en mijn heilrijk woord aan u in vervulling doen gaan door u naar deze plaats terug te brengen.
Want Ik weet, welke gedachten Ik over u koester, luidt het woord des Heren, gedachten van vrede en niet van onheil, om u een hoopvolle toekomst te geven.
Dan zult gij Mij aanroepen en heengaan en tot Mij bidden, en Ik zal naar u horen; dan zult gij Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij vraagt met uw ganse hart.
Dan zal Ik Mij door u laten vinden, luidt het woord des Heren, en in uw lot een keer brengen; dan zal Ik u verzamelen uit alle volkeren en van alle plaatsen waarheen Ik u verstoten heb, luidt het woord des Heren, en u terugbrengen naar de plaats vanwaar Ik u in ballingschap heb doen wegvoeren.

Daniël las het Woord van God dus in de profetie van Jeremia. Hij heeft Gods openbaring gezocht en gevonden waar God zich bekend gemaakt heeft.
En toen ging hij tellen met het Woord van God in z'n hand. Gelovig tellen.
En het merkwaardige is dat Daniël toen is gaan bidden. Hij liep niet meteen in een juichstemming naar zijn volksgenoten om ze te vertellen dat het lijden voorbij was, dat ze naar huis konden gaan! Nee, hij gaat naar zijn binnenkamer op de tijd van het gebed. Dat moet dus de tijd van het morgen- of avondoffer geweest zijn.

Gods Woord dringt aan om te bidden. Altijd. Als God belovend spreekt, worden wij door de Geest gedrongen om te gaan bidden. Dan wijzen we God op wat Hij beloofd heeft: God houdt er van als wij Hem houden aan zijn Woord. Beloofd is beloofd! Dat doen wij als wij door de Geest gericht worden om een Woord van God dat onze aandacht trekt. Zeggen tegen de Here: "Here, U hééft het beloofd, gééf het wat U beloofd heeft!"

Het valt op dat Daniël zich richt tot de Here, de God van het verbond. Heel opvallend dat die naam, Jahwe, alleen hier in dit hoofdstuk voorkomt. In álle andere hoofdstukken van Daniël wordt de Here God steeds genoemd: de Here, de eigenaar van alle volken, God de allerhoogste, de Schepper, de Almachtige.

Als Daniël bidt, spreekt hij heel vertrouwelijk met de HERE zijn God, dan weet hij dat deze God groot is en zeer te vrezen. Hij weet óók dat de HERE de God van Abraham, Isaak en Jacob veel beloofd heeft. Hij spreekt als een kind met Vader die hij vertrouwt en Die hij liefheeft. Nergens is een kind van God dichter bij God dan in het gebed. Nergens beseft een kind van God dat de HERE groter is en verhevener en majesteitelijker dan in het gebed. In elk gebed proeven we dat innige vertrouwen en tegelijk is die onuitsprekelijke afstand vanwege Gods heiligheid voelbaar. Vertrouwen én eerbiedige afstand, dat zijn de wanden van het huis van het gebed waarbinnen een kind van God kan léven met God. Veiligheid, nabijheid, geborgenheid en toch ook eerbiedige afstand.

Het valt óók op dat Daniël begint met een schuldbelijdenis. Is het echt nodig, dat Daniël, uitgerekend Daniël, die vrome dienaar van God en hoogste ambtenaar van het paleis begint met een verootmoediging? Was Daniël wel verantwoordelijk voor de zonden van het volk?

Daniel bidt in Daniël 4: 4-9 (NBG-'51):

U, Heer, bent een machtig, ontzagwekkend God. U blijft trouw aan het verbond met uw volk, u toont uw liefde als wij u liefhebben en ons houden aan uw geboden.
Maar wij hebben gezondigd, wij hebben ons misdragen. Wij hebben kwaad gedaan, wij hebben ons tegen u verzet. Uw geboden en voorschriften hebben we naast ons neergelegd.
Uw dienaren, de profeten, hebben zich in uw naam gericht tot onze koningen, onze leiders en onze voorouders. Tot ons hele volk hebben zij gesproken, maar wij hebben niet naar hen geluisterd.
U behandelt ons steeds rechtvaardig, Heer. Maar wij moeten ons diep schamen. Ook nu staan wij beschaamd, wij, de bewoners van Juda en Jeruzalem, en alle Israëlieten die u wegens hun ontrouw aan u verdreven hebt naar andere landen, dichtbij en veraf.
Wij moeten ons diep schamen, Heer, wij allemaal, onze koningen, onze leiders, onze voorouders. Want wij hebben tegen u gezondigd.

U, Heer, onze God, bent vol medelijden, u vergeeft ons, al zijn we tegen u in opstand gekomen.

Erkenning van zijn recht dat is het eerste wat God van ons vraagt. Bidden is niet een kwestie van onderhandelen tussen twee partijen die tot een vergelijk moeten komen. Bidden is nóóit iets van geven en nemen. Ik zal dit en dat, maar dan moet U wel even over de brug komen!
Bidden is eerst erkennen van Gods recht. God kennen zoals Hij is. Groot en vol majesteit. Rechtvaardig en machtig. Daniël erkent schuld. En dat is geen formaliteit. Hij voelt de schuld, hij weet zich solidair met zijn volk. Let maar op de woorden die Daniël gebruikt om de grootheid van zijn schuld aan te geven: zonde, goddeloosheid, ongerechtigheid, afwijking, rebellie. En dat komt allemaal door ongehoorzaamheid aan God. Niet luisteren naar de Here.

Bij Daniël leeft een overzichtelijk beeld van zijn aansprakelijkheid voor God en mensen. Een mens die leeft bij zo'n bijbels zondebesef is een verscheurd mens. Er is verdriet om het grote leed in de wereld. Maar vooral om het verdriet van God, dat zijn huis verwoest ligt, om het weglopen van het volk bij God vandaan. Besef van schuld en de heilige wet van God. De schuld wordt gevoeld, omdat God rechtvaardig is.

Het is daarom zo indringend dat Daniël, juist Daniël de schuld van zichzelf en van zijn volk voor God belijdt. Daniël is een van de weinige mensen van wie we de indruk hebben dat zij altijd in de rechte verhouding staan met God. Eén van de rechtvaardigen, de vromen uit de bijbel. Mensen die altijd de juiste beslissingen nemen, altijd de juiste woorden zeggen, de juiste dingen doen, in perfecte verhouding staan tegenover God en mensen.

Terwijl er zoveel moeite mee hebben onze eigen zonde en schuld te belijden voor God, is Daniël voorbeeldig in zijn solidariteit met het volk in de schuld voor God. Hij bidt voor onze koningen, onze vorsten, onze vaders. Zij horen bij het volk en Daniël hoort er ook bij. Vandaar dat Daniël zo wisselend bidt: bij óns, bij U. Bij óns is schuld en zonde, bij Ú is vergeving, genade. In de grootste tegenstelling die denkbaar is, gaat het zo steeds heen en weer in het gebed. Bij ons is... maar bij U is...

Mensen als Daniël hebben geen hoge dunk van zichzelf. Hij weet zich even klein én even groot voor God, zoals die tollenaar die bad: O God, wees mij zondaar genadig. Daniël weet dat hij met zijn eigen gerechtigheid vastloopt voor God. Hij deelt in de schuld van anderen. Overnemen kan hij niets. Dat kan Jezus alleen. En juist vandaag zien wij dit gebed van Daniël werkelijkheid worden. In Christus zien we ónze schuld én Gods grootheid, zijn geduld en zijn genade. Tegelijk.

U vraagt zich misschien wel eens in armoede af waaróm wij vrijmoedig tot God kunnen gaan. Op een of andere manier voelen wij wel aan dat wij nooit bij God kunnen komen met de eis: "Here, geef!" Wie het besef, of beter: wie het geloof heeft om in gebed tot God te gaan, die wéét dat de redenen dat God hoort bij Hem zelf te vinden zijn. In vers 9 zien we dat haarscherp aangegeven: "Bij de HERE, onze God is barmhartigheid en vergeving, hoewel wij tegenover Hem opstandig geweest zijn, niet geluisterd hebben."

Daniël kent de Here. Hij wéét dat de HERE rechtvaardig is, maar óók barmhartig. Vandaar ook dat het steeds heen en weer gaat in het gebed: bij óns is! Maar bij U is...! Bij ons is schuld, en God zal zéker straffen, maar bij God is óók vergeving. Daniël kent zijn barmhartige God, hij gelooft perfect wat de beloofde Zoon van God kwam doen op aarde. Daniël ként de innerlijke bewogenheid van God, zijn liefde voor zijn kinderen, zó groot dat Hij zijn Zoon gezonden heeft naar de wereld, Johannes 3: 16. In Jezus zien we Gods barmhartigheid en rechtvaardigheid in perfect evenwicht. Daarom kan Daniël in vers 16 ook een beroep doen op Gods gerechtigheid om zijn toorn af te keren.

Het gebed van Daniël loopt hierop uit dat hij vraagt of God zijn toorn wil afwenden en zijn aangezicht over ons wil doen oplichten. Als de HERE dát doet dan betekent dat het herstel van het volk Israël, de terugkeer uit de ballingschap, de herbouw van Jeruzalem en de vernieuwing van de tempel.
Wie zo bidden geleerd heeft, komt in aanraking met de bijzondere middelen van Gods genade. Die weet de tekenen van Gods liefde en vergeving te proeven, aan de avondmaalstafel.

Hier, in het gelezen Woord van God horen we dat de bede van Daniël vervuld is: "O Here hoor! O Here vergeef! O Here merk op! Treed handelend op, wacht niet om uwszelfswil, mijn God, want uw naam is uitgeroepen over uw stad en over uw volk" Uw naam is uitgeroepen over ons, zoals wij hier zijn. Schuldige mensen, maar tóch om Christus' wil aangenomen.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar