| Thema: | De Kerk op het altaar: Het helse vuur ontstoken |
| Tekst: | Ester 2:19-4:3 (DEEL 2) |
| Tekstgedeelte(n): | Ester 2:19-4:3 |
| Door: | Ds. J. Hagg (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Zwolle-Zuid) |
| Gehouden te: | Zwolle-Zuid op 13 augustus 1995 |
| Opmerking RJCV: | Kan afzonderlijk van andere delen gelezen worden. |
Aanwijzingen voor de Liturgie
1. Ps. 92: 2, 7
2. Lezen: Ester 2: 19 - 4: 3
3. Ps. 17: 4-6
4. Preek (met Ps. 2: 1 als tussenpsalm)
5. Gez. 34: 1-2
6. Geloofsbelijdenis
7. Ps. 18: 1
8. Ps. 18: 9
Om even in herinnering te roepen:
Vorige week ontmoetten we al drie hoofdpersonen uit het boek. Allereerst Ahasveros. Een haast grenzeloos groot
wereldrijk moet hij besturen. Maar tegen zijn eigen grenzen loopt hij keihard aan: hij wordt overheerst door drank
en vrouwen. Dan Mordekai en Hadassa. Neef en nichtje. Maar tegelijk pupil en opvoeder. Van joodse komaf. Maar dat
mag -zeker bij Hadassa- onder geen beding bekend worden, vindt Mordekai. Hij heeft zich aangepast en past Hadassa
aan tot 'Ester'. Nu dragen beiden een perzische naam. Met de wet neemt Mordekai het niet zo nauw. Geen woord van
protest lezen we, als Ester aan de koninginnewedstrijd deelneemt en het tot een gemengd huwelijk komt. Joodse
ballingen, die maar liever in het rijke Susan blijven wonen dan naar het straatarme Jeruzalem terug te keren.
Vandaag verschijnt de vierde hoofdpersoon op het toneel: Haman. Maar Wie was ook maar weer
dé Hoofdpersoon? De HERE God!
Nergens wordt zijn naam genoemd. Die wordt zelfs systematisch verzwegen. En dàt is nu wat dit boek zo beklemmend
maakt: in alles wat er gebeurt merk je gewoon de Aanwezigheid van de Onzienlijke. Hij laat zijn mensen niet in de
steek. Hij is er. Ook voor Mordekai en Ester - al zijn ze nog zo ongehoorzaam. Indrukwekkend laat dit verhaal zien
hoe Gods volk onder alle omstandigheden moed mag houden: Híj gaat zijn weg door de geschiedenis en bereikt zijn
doel. Al wordt Gods gemeente in sommige barre tijden op het altaar gebonden en lijkt er geen redden meer aan, omdat
het helse vuur al ontstoken wordt - Gods weg gaat hóger dan mensen kunnen bedenken. Onder dit beeld wil ik de
inhoud van de preek kort samenvatten:
Als de Kerk op het altaar ligt en het helse vuur ontstoken wordt...
|
De Kerk ligt op het altaar, maar is zich nog nergens van bewust.
De toestand is kritiek. Een kleine vonk en het vuur laait op. En daar heb je de vonk: Mordekai heet hij. Of liever:
zijn optreden. Mordekai is er zich niet van bewust dat hij met vuur speelt. Dat het lot van zijn volk van hem
afhangt. Eén fatale misstap en het is gedaan. Wat mís-stap? Mordekai is toch een weldoener, een mensenredder! De
koning dankt hem zijn leven! Als hij niet zo oplettend was geweest tijdens zijn dienstwerk in het poortgebouw waren
die twee dorpelwachters nooit gearresteerd! Sleutelfiguren zijn het - letterlijk en figuurlijk. Lui die toegang
hebben tot de koninklijke vertrekken. Met zulke figuren moet je uitkijken als koning als ze bittere haat tegen je
koesteren. En dat bleken ze te doen. Dat kwam er wel uit op de pijnbank (naar aloude perzische gewoonte). En het
kostte hen de kop: gespietst werden ze - als afschrikwekkend voorbeeld voor hen die het nog meer in het hoofd
zouden halen de koning te willen vermoorden. Je zou zeggen: Mordekai de weldoener, die alle eer behoort te
ontvangen. Een loyaal burger. Of zit er ook iets bij van eigenbelang? Is de koning dood, dan moet ook Ester het
veld ruimen. En wat zal híj moeten? Nú zit er wel een promotie in - zou je denken.... Maar dat valt tegen. Het
enige wat gebeurt is dat het in de kronieken wordt opgetekend. Een ánder maakt promotie - en laat dat nu
uitgerekend degene zijn waar Mordekai een gruwelijke hekel aan heeft. Haman wordt de favoriet van de koning. Dat
zal wel heel zuur geweest zijn voor Mordekai. Misschien herkent u dit soort situaties wel in uw eigen leven. Dat
valt niet mee. En helemaal onverteerbaar wordt het wanneer op een kwade dag wordt afgekondigd dat voortaan ieder
eer moet bewijzen aan deze omhooggevallen man door in het stof te buigen. Ieder doet het: bevel van de koning!
Iedereen, op één na: Mordekai. En Haman - hij heeft het eerst niet eens door - zo loopt hij blijkbaar met zijn neus
in de lucht - je ziet het voor je... Anderen valt het wel op!
'Mordekai, waarom weiger je?' vragen ze.
Uiteindelijk komt het hoge woord eruit: 'omdat ik een jood ben'. Daar moesten ze het mee doen. Hoe reageren wij
daarop? Denken we niet bij onszelf: 'Daar heb ik nou respekt voor, voor zo'n houding. Hij durft tenminste! Net als
Daniël en zijn vrienden. Ik wou dat ik ook zoveel lef had'. Logisch dat we zo denken. Maar het kon weleens te vlug
zijn! De situatie van Daniël en z'n vrienden is niet te vergelijken met die van Mordekai. Zij weigeren te knielen
voor een afgodsbeeld en het te aanbidden. Maar Mordekai weigert op bevel van de koning deze man eer te bewijzen.
Dat is wél wat ánders dan aanbidden! Eer is een onderdaan nu juist verschuldigd aan hooggeplaatsten. En het was in
die dagen beslist niet ongewoon dat eer zò geuit werd. Het is echt een misverstand te menen dat Mordekai hier 'Gode
meer gehoorzaam is dan mensen'. Dat kun je ook te snel zeggen. Het is opnieuw weer een kwestie van ongehoorzame
koppigheid. Hoe komt Mordekai tot die houding? Daar moet iets achter zitten.
De sleutel zit 'em inderdaad in het jood-zijn.
En dan het jood-zijn tegenover het amalekiet-zijn van Haman. Haman de afstammeling van Agag, koning van de
amalekieten. Aartsvijanden zijn het van elkaar: joden en amelekieten. Lees maar in Exodus 17: 16; 'De HERE heeft
een strijd tegen Amalek van geslacht tot geslacht'. Het is Gods vijand - Hijzelf maakt de grote tegenstelling, hij
stelt de antithese. En beiden hebben het beseft: Mordekai en Haman. En het heeft er alles van, met Haman in zo'n
machtspositie, dat Israël a.h.w. weer in de woestijntijd beland en het opnieuw lafhartig in de rug wordt
aangevallen: waar de kleintjes lopen en de zwakken. Het is of de Richterentijd terugkomt, met die gemene
strooptochten van Amalek. Het is alsof Saul, die andere benjaminiet opnieuw geplaatst wordt tegenover Agag, die hij
tegen Gods bevel in spaarde na de slag bij Ziklag. Samuël heeft, tot beschaming van de koning, zijn priesterhanden
nog aan hem vuil moeten maken. Ziet u de bijbelse lijn: in Mordekai staat weer een benjaminiet, zoon van Kis,
tegenover een nakomeling van Agag. Opnieuw is er sprake van ongehoorzaamheid. Er is vijandschap tussen God en
Amalek, zeker, maar dat geeft Mordekai nog niet het recht eerbetoon te weigeren en tot strijd uit te lokken. De
HERE heeft Zélf een strijd en zal die strijd ook strijden, op het slagveld van Golgota, en de overwinning behalen.
De overwinning uiteindelijk op Satan en de machten van het kwaad: de slang en zijn nakomelingen: al Gods
tegenstanders.
De eigenlijke aanstichter van alle onheil is Satan.
Hij is degene die de vonk, Mordekai's trots, in het kruitvat van Hamans haatgevoelens laat slaan. En als een
kruitvat eenmaal ontploft kunnen er heel wat slachtoffers vallen. Dus: Mordekai de vonk, Satan de aansteker, Haman
de brandstof die ogenblikkelijk vlamvat. Woest is hij. Hogelijk beledigd. Net als Ahasveros na Vasti's weigering
voelt Haman zich na Mordekai's weigering in zijn eer aangetast. Ook hij laat zich zomaar meeslepen door gevoelens
van wraak als hij meent tekort te komen. Die twee, de koning en hij, wat hebben ze veel van elkaar. En wat kunnen
ze het goed vinden. Zie ze klinken op de goede afloop! Satan probeert ze te gebruiken om een aanslag te doen op God
en zijn Messias. Hoort u het bijbels refrein van Psalm 2? Laten we, zo midden in de preek dat vers er eens
bijpakken en het zingen: Ps. 2: 1
Op slinkse wijze beraamt Haman een moordaanslag. Het joodse volk is het slachtoffer.
Alles moet voor elkaar zijn voor hij bij de koning komt. Allereerst, als rechtgeaard heiden, de goden aan het woord
laten, oftewel: de heidense hogepriester bezoeken en hem het lot laten werpen voor het gunstigste moment van
uitroeien. In de maand Nissan, de eerste maand, wordt het lot, het pur, geworpen. Dat komt ons bekend voor. De
maand Nissan is voor Israël de maand van bevrijding uit Egypte. Een feestmaand wordt in rouw gedompeld. Zal dat
niet een vooruitwijzing zijn naar die maand Nissan van straks. Een heenwijzing naar die andere moordaanslag, die
wél doorging: Jezus, uit ditzelfde joodse volk, die door volksgenoten aan het kruis wordt gebracht. En toch, hoe
vreemd het ook klinkt: dat paasfeest van straks zal een nog veel grotere bevrijding bewerken dan de bevrijding uit
Egypte en Babel bij elkaar. God die wonderbaarlijk zijn volk bevrijdt van zonde en dood. En hier, in de burcht
Susan, werkt Hij toe naar dat grote moment. Haman koestert zijn haat. Haat is goede brandstof voor het vuur dat
Satan stookt. Zal hij niet hebben geknarsetand als de ironie van het lot glimlachend laat weten: 'nog twaalf
maanden, heer Haman!'
Nog twaalf maanden... voor Haman en zijn slachtoffer.
Haman, met het zegel van de koning. Haman, de tweede man van het rijk. Wat een verschil met Jozef indertijd. Die
was eropuit mensenlevens te redden. Haman is uit op moord en doodslag. Eerst moet hij de koning zien te paaien. Hij
gaat op zijn eergevoel spelen. Met het wapen van de leugen. Hoe kan het ook anders: hij heeft de vader van de
leugen als voorzegger. 'Er is een volk, dat verstrooid en afgezonderd leeft, en zijn wetten verschillen van de
wetten van alle volken... maar (en nu komt het) de wetten van de koning volbrengt het niet! Dus koning: let op uw
zaak! U moet er gauw wat aan laten doen!' Een leugen, want joden staan er nu juist zo om bekend dat ze loyaal de
wetten van de overheerser gehoorzamen, tenzij die ingaan tegen Gods wet. Wat doet Haman: hij projekteert de
halsstarrigheid van Mordekai op het hele joodse volk. Alles scheert hij over één kam. Voor ons trouwens iets om
goed te onthouden. Als u en jij en ik iets doen of laten is het ook meteen van 'O, dus zo zijn christenen'. Houdt
er maar rekening mee. Er wordt op ons gelet. En meteen legt Haman zijn tweede troef op tafel bij de koning: geld.
Maar liefst tienduizend talenten zilver zegt hij de schatkist toe. We kunnen wel raden waar die talenten vandaan
moeten komen: niet uit Hamans zak, maar uit die van de geliquideerde slachtoffers. Zo gaat dat. Reken maar dat dit
argument de koning aanspreekt: de veldtochten tegen de grieken hebben de schatkist geplunderd de laatste tijd en
tienduizend talenten (zo heeft men becijferd) is meer dan er in een heel jaar aan belasting binnenkwam. Nee, we
moeten ons niet laten misleiden door de uitspraak in vers 11: 'Het zilver zij u geschonken en ook het volk om
daarmee te doen wat goed is in uw ogen'. Dat is een beleefde manier van zeggen. De koning bedoelt: 'Goed plan -
voer maar uit!' (Zie 7: 4) Wat een koning. Hij vraagt niet eens 'wat is dat voor volk'. En hij beseft totaal niet
wat de gevolgen zullen zijn. Haman heeft zijn zin: in alle talen wordt het overal bekend gemaakt: dit volk - van
grijsaard tot kind wordt het uitgeroeid op de 13e van de twaalfde maand. Een nog grondiger plan dan dat van Hitler,
zo lijkt het wel. In één klap overal vanaf. Als het bericht doordringt tot de burcht Susan maakt het diepe indruk.
En de reaktie van de joden is duidelijk: ieder gaat in zak en as. Een volk in de rouw.
Een volk dat vast. Vast en bidt tot zijn God.
Want dat is onlosmakelijk met elkaar verbonden: vasten en bidden. Een volk veroordeeld tot de brandstapel. Nog even
en het vuur wordt definitief ontstoken. Een volk roept om recht. Om hulp. Wat kun je zelf als het vuur van de haat
tegen je ontstoken is? Ze komen bij God. Hun Heer die al zo lang met hun redding bezig is. Hij zal de Blusser zijn
van het vuur dat dreigt. Zoals Hij er eens voor zorgde dat in de brandende oven drie trouwe mannen geen haar
gekrenkt werd. God zal het doen. Niet zijzelf. Niets kunnen wij mensen zelf als het erop aankomt. Niets dan
vluchten tot onze God. Zoals Mordekai en zijn volk in nood dichter naar God toegedreven worden en hun
afhankelijkheid des te meer beseffen, zo mogen wij dat ook ervaren in ons eigen leven. In dagen van moeiten en
nood: neem je toevlucht tot God, je hemelse Vader. Zoals Hij zijn reddende Hand uitsteekt door Jezus Christus, zijn
Eigen Zoon ons te zenden. Zoals Hij levens die de verkeerde kant dreigen uit te groeien weer terugbuigt naar Hem
toe. Zoals Hijzelf de overwinning behaalt op satan en alle machten van het kwaad, mensen daarbij inschakelend zoals
alleen Hij dat kan. Met stijgende verbazing lees je een boek als Ester. Laat alles wat er aan krampachtigheid in je
leven maar los. Alles wat er is aan 'ik moet en zal het opknappen' en laat Hem aan het roer. Laat het gerust over
aan Hem. Leg het Hem allemaal eerlijk voor, waarmee je te kampen hebt. Wie en wat zal ooit tegen ons zijn als Híj
vóór ons is?!
Amen.
http://www.prekendiespreken.nl/
For questions or remarks mail to
© Copyright Preken die Spreken / Speaking Sermons / Pregação Viva,
1997-2012.
No part of this publication may be reproduced or copied or made public
in any form without the expressed written authorization from Richard J.C.
Vos and the contributing minister. No consent to copy is required if it is
to be used for public worship service or preparation for Bible study(meetings).