Is God een werkelijkheid in mijn alledaagse leven?

Thema: Is God een werkelijkheid in mijn alledaagse leven?
Tekst: Exodus 13: 17-19
Tekstgedeelte(n):

Openbaring 12
Exodus 13: 17-19

Door: Ds. A.H. Verbree (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Gramsbergen)
Gehouden te: Hardenberg-centrum (Petrakerk) op 16 september 2001

Aanwijzingen voor de Liturgie

Lezen: Openbaring 12
Tekst: Exodus 13: 17-19

Zingen:
Ps. 31: 11, 14
Ps. 33: 2, 8
Ps. 93: 1-3
Ps. 66: 2-3, 7
Ps. 105: 19, 21

Soms ben je met een preek bezig, en dan gebeurt er ineens iets, dat alles in de war gooit. Zo ging het me toen het nieuws uit Amerika doorkwam. Een wereldschokkende gebeurtenis.
Zo'n moment waarop de naam van God door velen -en zeker in de VS- op de lippen wordt genomen:

'Here help'.
Of vertwijfeld: 'Here waar was u?'
Of wie weet vloekend.

Je leest dat de kerken volstromen. Ik was met een preek bezig die juist vanuit de volledig tegengestelde invalshoek over Gods aanwezigheid moest gaan. Ik vroeg me af of ik niet beter een andere preek kon schrijven. Uiteindelijk heb ik besloten dat niet te doen.
Of die keuze verstandig was, dat moet u zelf al luisterend maar uitmaken.

Stel, je leven gaat al een hele tijd zo z'n gangetje. Je gaat gewoon naar school, je kust 's morgens je man tot ziens, en 'om zes uur is Nederland weer thuis'.
Zo gaat het week na week, wie weet, jaar na jaar.

Bemoeit God zich dan ook met uw leven? Of nee, laat me dat anders formuleren: ervaart ú dán Gods aanwezigheid in uw leven?
Als ik morgen een aanrijding krijg, dan zeg ik misschien: God heeft me wonderlijk bewaard, of u zegt: God heeft hem weggenomen.
Gods naam klinkt op de kruispunten van ons leven, zoals het crucifix dat hangt boven de deur van de zíekenzaal.
Waar is de naam van God op de doorgaande weg? Reist het crucifix mee de dagen, weken, jaren ná het ontslag uit het ziekenhuis?
Dat kán, en dan bent u te feliciteren, en dan kunnen anderen van u leren.

Is God een werkelijkheid in mijn alledaagse leven?

Deze preek wil uit de bijbel naar voren laten komen dat God in elk geval op één manier er elke dag is. Als ik me er van bewust ben hoe Hij naar mij kijkt, zal mij dat hopelijk leren ook van mijn kant me steeds bewust te zijn van zijn aanwezigheid.

Laten we eerst maar eens beginnen met het oproepen van het verhaal dat in onze tekst ligt besloten.
Lezen is kijken. Zeker in de Bijbel. Wij doen vaak alsof lezen het vormen van letters tot woorden is: 'K-I-P…'
'Mama, Kip, daar staat kip, ik kan lezen!'
'Goed zo meisje.'
Ja, maar wat goed is ván kleine meisjes is dat nog niet vóór bijbellezers. Als we in de bijbellezen, moeten we meer doen dan het vormen van letters tot woorden. Doen we dat niet, dan verwarren we aap, noot, Mies, met geloof, hoop en liefde. Lezen in de Bijbel is het vormen van woorden tot gebeurtenissen, en het vormen van gebeurtenissen tot boodschap.
Hoe vaak luisterde ik niet naar een bijbellezing, bijvoorbeeld thuis aan tafel, zonder dat ik hóórde wat er werd gelezen? Hoe vaak was mijn lezen geen ritueel, lettersoep, na de groentesoep?

Er zijn prentenboeken in de handel die heel aardig illustreren wat ik probeer te zeggen: Misschien hebben de kinderen hier wel eens zo'n boek gekregen. Zo'n boek waaruit, wanneer je het open deed, een heel landschap verrees. Door een wonder van vouwkunst maken Assepoesters koets en Old MacDonalds farm zich uit de 'platte tekst' los.
Zo zou de Bijbel ook voor ons tot leven moeten komen als we hem lezen.

Onze tekst is een mooie proef op de som. In vers 19 lazen we: 'En Mozes nam het gebeente van Jozef mee.'
Wat zegt je dat? Of zegt het je niet zoveel? Laten wij Jozefs mummie, die na 360 jaar is herrezen, na 3 seconden alweer rusten?
Dit is een heel verhaal, denk je het eens in: die nacht, de tiende plaag. In heel Egypte sterven de eerstgeborenen, maar in Gosen komt een eeuwen oude mummie juist onder het stof vandaan. Wat een verhaal!

'Papa, wat is dat voor kist, met al die hiërogliefen erop?'
'Daar ligt de mummie van Jozef in, Debora.'
'Wie is dat?'
'Wie Jozef was, Debora? Jozef dat was een man die 3000 jaar geleden al voorspelde: er komt een dag dat God naar jullie om zal zien. Onze uittócht is de uitváárt waar die Jozef op hoopte.'

Ja, gemeente, Jozef was erbij: bij Mara, bij bij Elim, bij Bileam…
Jozef, Jozua en Kaleb, uiteindelijk zouden alleen zij drieën van de ouderen in het beloofde land aankomen. Omdat?
Omdat zij op hun God hadden vertrouwd.
Ziet u het?
Jozefs mummie, in één zin voor ons neergezet, is een verhaal in linnen gewikkeld. Wikkel het af! Laat het verhaal tot óntwikkeling komen, laat het verhaal van die beenderen voor u leven:
een verhaal van geloof: er komt een dag…
een verhaal van hoop: dat God aan u zal denken…
een verhaal van liefde: ondanks Mara, ondanks dat gouden kalf, ondanks dat… nee, laat ieder van ons dat maar voor zichzelf invullen.
Het verhaal van Gods trouw, ondanks onze zonden. Reeds Jozefs mummie spelde het verhaal van geloof, hoop en liefde.

We laten Jozefs mummie nu alsnog rusten en concentreren ons op het uit Egypte wegtrekkend Israël.
Egypte rouwt, Israël viert feest. Nú weet Egypte niet hoe snel ze van dit volk afmoeten. Geef ze goud, geef ze zilver, kleding, ja doe dat dure ding ook maar mee. Wegwezen, hoepel alsjeblieft op, en kom niet weer terug!

Daar gaan ze dan: Mozes en Aäron, Debora en haar vader, Jozefs mummie, ze verlaten Egypte.
Waar gingen ze eigenlijk langs? Niemand die het weet. De reconstructie van de uittocht is even boeiend als ingewikkeld. Plaatsnamen zijn onzeker, of worden heel verschillend gesitueerd, en dan is er nog het probleem dat het Egypte van vandaag niet het Egypte van Toen is. Net zoals Nederland vandaag er niet bij ligt als het Nederland op de kaart van 1250 voor Christus. Ook in Egypte stuift het zand waar ooit de golven spoelden en wuiven nu de golven waar ooit het zand stoof.
We weten niet langs welke route Israël uit Egypte wegtrok, water en zand hebben alle sporen uitgewist.
Maar één ding weten we wel: Israël volgde een route die hen moest wegleiden van confrontaties. Dat was niet Mozes' idee. Mozes wist uitstekend waar het beloofde land lag: gewoon langs de kustweg, noordoost aanhouden dan kwam je er na een korte reis vanzelf.
Maar zo wilde God het niet.
We lazen: 'God deed het volk zwenken.' Weg bij alle mogelijke confrontaties vandaan.
Ja, er dreigden botsingen. Laten we daar even naar kijken: Allereerst was er de al genoemde route via het land van de Filistijnen, noordoost aanhouden. Maar dat was een weg die helemaal werd geflankeerd door Egyptische wachttorens. Zelfs in vredestijd lagen er troepen gelegerd om de handelsroute naar de vruchtbare halve maan voor Egypte veilig te stellen. Langs die route zou het zéker tot vechten komen.
Dan was er nog een alternatief: dwars door de Sinaï naar Kades-Barnea. Maar ook die route was zwaar versterkt met Egyptische forten. Deze verdedigingsgordel droeg al in die tijd de bijnaam: 'de muur van Egypte'. Dat zegt genoeg. Ook die kant op zou Israël strijd moeten voeren.
En dat wil God dus niet. Waarom eigenlijk niet?
Ik lees het voor uit de Bijbel: 'want God zei: het volk mocht eens berouw krijgen, wanneer zij in strijd gewikkeld werden, en naar Egypte terugkeren.'
Dus: vanwege wachttorens en muren laat God Israël zwenken en stuurt Hij ze op een kluitje de drassige rietvelden in.
Merkwaardig…
Immers, juist tijdens deze reis zou duidelijk worden dat Israël van wachttorens en muren niets te vrezen heeft: de muren van Jericho!
Ze zullen zonder slag of stoot verkruimelen. Of zonder slag of stoot… één stoot op de ramshoorn zou voldoende blijken.
Iets dergelijks had de Here toch ook kunnen laten gebeuren met de wachttorens van Egypte? En anders waren er altijd nog steekvliegen, hagel, of 'drie uren dikke duisternis' om ongezien de grens over te glippen? Maar niets van dat alles. De wachttorens blijven onder de horizon. Het volk mocht eens rechtsomkeert maken…
Waarom doet de Here dat zo?

Hij wil Israël testen. Zo meteen staat het op de andere oever van de Rietzee. Dan hebben ze al hun schepen achter zich verbrand. Zelfs het spoor naar het verleden wordt door het teruglopend water gorgelend uitgewist. Geen weg terug meer. Er resten alleen: God, Israël en het zand.
En dáár, in het spanningsveld tussen Mara en Manna wil God leren wat er in hun hart is. Dáár gaat het om. In Deuteronomium 8: 2 zegt de Here het zelf met zoveel woorden: 'Gedenk heel de weg waarop de Here uw God u veertig jaar in de woestijn heeft geleid, om u … op de proef te stellen: teneinde te weten wat er in uw hart was…'
Gods Vaderhart moest het weten: Geven ze om Mij, nu Ik alles voor hen geef?
De woestijn werd proefpolder.

[ Rust, even bewust stilte inlassen ]

De woestijn als proefpolder…
Spannend.
Ja, en toch ook weer niet…

Israël zal de woestijntijd doorgaans niet als proeftijd hebben ervaren. Het zijn veertig grotendeels gewone, waarschijnlijk bij het saaie af gewone jaren geweest.
Wij lezen in de bijbel met name over de hoogte- en de dieptepunten: Bileam, de Sinaï, de twaalfverspieders, maar tussen die momentopnamen door ging het leven gewoon zijn alledaagse gang. En zelfs wonderlijk spul als manna wordt dan zo gewoon dat je er genoeg van krijgt.

Maar… die woestijnjaren, die bij het saaie af gewone woestijnjaren waren voor God niet saai! Het was proeftijd.
Wat is er in hun hart? Ik móet het weten.

[ Rust inlassen ]

We springen naar het Nieuwe Testament, Openbaring 12. Een vrouw ontkomt aan een draak en belandt in de woestijn. Dat is altijd zo uitgelegd - ik beperk me puur tot de hoofdlijn - de vrouw is de kerk, die ontkomt aan de duivel die haar wil vernietigen.. Zoals ooit Farao Israël achterna joeg, zo jaagt de duivel hier op de kerk.
Heb je deze parallel één keer gezien, dan vallen je meer overeenkomsten op. Israël liep dood bij de Rietzee. Maar toen schoot de aarde het volk te hulp, de zee spleet en het volk ontsnapte.
In Openbaring 12 gebeurt net zo iets. In het visioen ziet Johannes de draak een enorme vloedgolf uitspugen, die de vrouw moet meesleuren. Maar dan gebeurt er iets vreemds: de aarde opent zich en de vloedgolf verdwijnt in de gapende scheur… De kerk wordt wonderlijk gered.
Zowel in Egypte als vandaag - zo lees ík dat - houdt God op wonderlijke wijze zijn kerk in leven.
Is het, tussen twee haakjes, niet mooi om te zien hoezeer de bijbel één geschiedenis vertelt: of je nu in Exodus of in de Openbaring aan Johannes leest, het is van begin tot eind steeds hetzelfde verhaal: de geschiedenis die God met zijn volk schrijft.
En dat verhaal is hier nog niet uit. Er is nog iets, en daarmee zijn we terug bij het begin van deze preek:
Israël doolde veertig jaar rond in de woestijn.
De vrouw in Openbaring 12 belandt ook al in de woestijn. Een derde parallel.
We weten waar Israëls woestijn lag.
Maar waar ligt de woestijn waar de vrouw terecht kwam?

Wel, waar kwam de kerk, na de onverwachte Hemelvaart van Jezus Christus terecht? Precies: over de hele wereld, tot op de dag van vandaag.
Dat doet me zeggen: de hele wereld is vandaag de woestijn waarin de kerk zich bevindt.
Wij zijn vreemdelingen, 'bijwoners' zoals ze vroeger zeiden, nomaden in de woestijn, onderweg naar een beloofd land.
En nu wil ik de vierde en de laatste parallel trekken tussen Exodus en Openbaring:
De woestijn werd proefpolder. Ik wil weten, zei God, wat er in hun hart is.

Vandaag is het niet anders.
De wereld is woestijn, en die woestijn is nog steeds proefpolder. Tijdens die woestijnreis zijn er hoogtepunten:
Dat meisje, die jongen zei ja tegen jou.
Je kreeg samen een gezond kind.
Je kreeg een ijzersterke gezondheid.
Je maakte carrière.
De vakantie was onvergetelijk.

En er zijn dieptepunten:
Je moest het kindje weer teruggeven aan de Here.
Je krijgt geen rozen meer van je man, maar legt er soms één op zijn graf.
Vliegtuigen boren zich in torens,
en de aarde zelf toont zich bij tijden geschokt.

Hoogtepunten en dieptepunten. Maar ook zo vaak, ja waarschijnlijk nog wel het meest: laagland: Nederland, de, laten we zeggen, soms bij het saaie af gewóne woestijn: je trommeltje met drie bruin, twee wit op maandag, dinsdag, woensdag. Alweer die fabriekspoort, alweer de schappen van de supermarkt vullen, alweer een preek over zondag zus en zo schrijven.
Het gewone alledaagse leven.

Is God er dan?

Ja, reken maar. Gespannen kijkt Hij toe uit de hemel: want zijn Vaderhart móet het weten. Deuteronomium 8 geldt nog steeds: gedenk heel de weg waarop de Here, uw God u in de woestijn heeft geleid teneinde te weten wat er in uw hart was, om u op de proef te stellen.
In voor- en tegenspoed, in schokkende en in alledaagse tijden.

[ Rust ]

Is God er in mijn leven?
Nou, ik zie Hem niet. En waar iemand getuigt: toen en toen heeft de Here mij geholpen, denkt iemand anders: ja dat zeg je nou wel, maar dat is een kwestie van geloof en beleving, of zelfs van autosuggestie.
Er was helemaal geen Here te zien op dat kruispunt, bij die operatietafel, tijdens dat uur van die moeilijke beslissing.
Laten we eerlijk zijn: dat klopt.
Je ziet eigenlijk nooit iets van God. Misschien zijn er mensen die wel kunnen vertellen van een engel die hen verscheen, of de hand van God die zij op hun schouder voelden.
Geweldig voor hen.
Maar ik kan dat niet. Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt. Ik heb de Here nog nooit gezien, en ik heb hem nog nooit gehoord.
Maar… ik wil geloven dat Hij in dit boek [ wijs op je bijbel ] aan het woord is. Echt. En dat het wel degelijk zo is, dat Hij míj ziet.
En dat Hij mijn alledaagse leventje spannend vindt:
Wat is er in haar hart?
Gelooft dat meisje werkelijk?
Zit die ouderling daar voor zijn nummer of van ganser harte in het bankje?
Weet die vrouw zich mijn dochter als ze voor de honderdste keer de vaat doet?
Meent dat jongetje het als het zijn psalm opzegt en met zijn glashelder stemmetje zingt: 'U alleen u loven wij'?

Spannend vindt de Here dat.
Voor Hem is deze woestijn nooit saai.

Weet je bekeken, elke dag. God is er, ja! En Hij ziet, Hij ziet, wat jij niet ziet.
Weet je op de proefgesteld.
Op de proefgesteld door een Vader die niets liever wil dan dat zijn woestijnkinderen behouden thuiskomen.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar