God helpt zwakke mensen

Thema: God helpt zwakke mensen
Tekst: Genesis 4: 26
Tekstgedeelte(n): Genesis 4
Door: Ds. Th.J. Havinga (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Zuidlaren)
Gehouden te: Loppersum op 5 juli 1998
Westeremden op 5 juli 1998
Delfzijl op 5 juli 1998
Nes (Ameland) op 2 augustus 1998
Hollum (Ameland) op 2 augustus 1998

Aanwijzingen voor de Liturgie

Votum en zegengroet
Ps. 150
(Morgendienst: Wet)
(Morgendienst: Gez. 1: 13)
Gebed
Lezen: Genesis 4
Ps. 124
Tekst: Genesis 4: 26
Preek
Ps. 121
(Middagdienst: Geloofsbelijdenis: Gez. 4)
Gebed
Collecte
Ps. 91: 1-2
Zegen

Broeders en zusters, gemeente van onze Here Jezus Christus,

Onze twee kleinste meisjes, Trudy en Annemarie, hebben samen één slaapkamer. Daar staat een bed. Een stapelbed. Ook staat er een kast. Daar kunnen de kleren in. Er staat een kist. Die is voor het speelgoed. En verder staan er een klein bureautje, een klein tafeltje en een paar stoeltjes.

Goed, heel af en toe krijgen Trudy en Annemarie het op de heupen. Dan moet er weer van alles veranderd worden op hun kamer. Nu kan er niet zo heel veel veranderd worden. Het kamertje is niet zo heel groot. Maar enkele dingen kunnen wel op een andere plaats staan. Het bureautje van Trudy kan een kwart of een halve slag gedraaid worden. Het tafeltje van Annemarie kan ergens anders gezet worden. En zo zijn er nog wel een paar dingen meer die kunnen verhuizen.

Onze kinderen zijn net als andere kinderen. Ze willen het natuurlijk zelf doen. En met zo'n klein tafeltje lukt dat nog wel. Dat is niet zo zwaar. Maar het wordt anders als er iets moet gebeuren met Trudy's bureautje. Of met de kist vol speelgoed. Die zijn wat zwaarder. Te zwaar voor de kinderen. En je pakt ze ook niet zo gemakkelijk beet. Gelukkig is pappa of mamma er dan goed genoeg voor om te helpen. Pappa, mamma, wilt u me even helpen? Mijn bureautje moet anders. Ik kan het zelf niet. Wilt u het even voor me doen?

Ik kan het zelf niet. Wilt u me helpen? Dat hebben we vanmorgen ook gezegd, broeders en zusters. Nee, toen ging het niet over een bureautje dat verzet moest worden. Toen ging het over iets anders. Ik heb het gezegd aan het begin van deze kerkdienst. En op dat moment sprak ik voor mezelf. Maar ik zei die woorden ook namens u: "Onze hulp is in de naam van de Here, die hemel en aarde gemaakt heeft." Dat zijn woorden uit Psalm 121 en Psalm 124.

Psalm 121: u weet wel, dat is die psalm, die de mensen zongen als ze naar Jeruzalem gingen. Om daar feest te vieren. Dan zagen ze de bergen. En dan riepen ze: hoe komen we daar overheen? We zien er als een berg tegenop. We kunnen niet op het feest komen. Maar meteen daarop zeiden ze: help. Here, help ons. Mijn hulp is van de Here, die hemel en aarde gemaakt heeft. U, Here, U hebt alles gemaakt. Ook de bergen waar we overheen moeten. Maar we niet overheen kunnen komen. Wilt u helpen? U ziet, de dichter van Psalm 121 doet wat onze kinderen doen als ze iets niet zelf kunnen. Pappa, mamma, wilt u me helpen? U bent veel sterker dan ik.

En in Psalm 124 komen we diezelfde roep om hulp tegen. In die psalm gaat het over vijanden. Mensen stonden tegen ons op. Het woeste water kwam op ons af. Maar de Here was met ons. We zijn bevrijd. En dat geeft hoop voor de toekomst. Onze hulp is in de naam van de Here, die hemel en aarde gemaakt heeft. De Here helpt.

Ja, gemeente, dat hebt u aan het begin van deze kerkdienst gezegd. De Here helpt. Want alleen kunnen we het niet. En dat zegt u aan het begin van elke kerkdienst weer. Nu, weet u wanneer dat is begonnen? Dat is begonnen in onze tekst. In Genesis 4. Toen begon men de naam van de Here aan te roepen. Het is de eerste kerkdienst die gehouden wordt. Gods kinderen komen bij elkaar. Om Gods naam aan te roepen. Seth is begonnen met iets wat u vandaag nog steeds doet. U staat in een heel lange traditie.

Toen begon men de naam van de Here aan te roepen. Toen. Wanneer was dat? Wanneer is Seth begonnen kerkdiensten te organiseren? Wat is de aanleiding daarvoor? Dat is de geboorte van Enos, zijn zoon. Maar om oog te krijgen voor de betekenis hiervan, moet ik u verder mee terug nemen. Want onze tekst is het slot van Genesis 4. Je zou kunnen zeggen: daar loopt het op uit.

Nou, wat is er allemaal gebeurd in Genesis 4? Kaïn wordt geboren. Een man. Wat een kracht. En Abel wordt geboren. Een kleintje. Wat een zwakheid. Ze groeien op. Ze brengen een offer aan God. Maar Kaïn gelooft niet in God. Hij keert zich van God af. Ook al waarschuwt de Here hem keer op keer. Kaïn: het zaad van de slang. Een kind van God wordt kind van de duivel. Hij vermoordt zijn eigen broer. En daarna keert hij God voorgoed de rug toe.

Ja, en dan ontwikkelt zich het geslacht van Kaïn. Hij trouwt. Misschien was hij al wel eerder getrouwd. Met een zus van hem. Er komen kinderen. Henoch. (Een andere Henoch dan die bekende uit Genesis 5) Kaïn bouwt een stad. In het land Nod. Het stelt nog niet zoveel voor natuurlijk. Maar zo wil Kaïn zich wapenen tegen Gods vloek. Hij zoekt zekerheid. Zonder God. In zijn stad. Hij probeert zichzelf te beschermen. Zonder God. In zijn stad. Hij sticht een gemeenschap. Zonder God. In zijn stad. Ik las ergens: de gemeenschap van onheiligen. Kaïn zegt daarmee: God, ik red het wel zonder u. Ik heb u niet nodig. Ik kan mijn eigen boontjes wel doppen. Hier ziet u de mens zonder God. Ik red mezelf wel. Mijn hulp is in de naam van de Here? Nee, in de naam van Kaïn. Ik ben een man. Sterk en onafhankelijk. Een geest die vandaag nog springlevend is.

Broeders en zusters, Kaïn lijkt nog gelijk te krijgen ook. Kijk maar es wat er gebeurt. De stad Henoch, genoemd naar zijn zoon, groeit. Kaïn wordt opa. En overgrootvader. Het gaat goed met hem. Met zijn gezin. Met zijn familie. Met zijn stad.

En dat blijft zo. Want één van zijn nakomelingen is Lamech. Zijn naam betekent: kracht. Nou, dat kun je wel aan hem zien. Lamech is nergens bang voor. Ook niet voor God. Hij spot met God als hij een lied maakt. God heeft wel gezegd dat Kaïn zeven maal gewroken zal worden. Maar Lamech zal daar wel even een schepje bovenop doen. Lamech wreekt zichzelf wel. 77 maal. En God zegt wel dat Kaïn niet gedood mag worden. Maar Lamech laat zichzelf niet eens slaan. Nee, hij redt zichzelf wel. Hij heeft God niet nodig om vooruit te komen in het leven. En zijn vrouwen staan in zijn dienst. Aan één heeft hij niet meer genoeg. En zijn drie zonen openen de weg naar voorspoed. Het zijn uitvinders. Ze slaan nieuwe wegen in. De één gaat in tenten wonen. De ander maakt muziek. En nummer 3 is smid. En ook heeft Lamech nog een mooie dochter: Naäma. Dat betekent 'schoonheid'. Miss Nod.

Kijk, broeders en zusters, dat is het zaad van de slang. Wat heeft het zich ontwikkeld. In het spoor van vader Kaïn. Weg van het aangezicht van de Here. Weg bij God vandaan. Ze willen leven zonder God. En ze kunnen leven zonder God. (Denken ze.) In eigen kracht. Wie doet me wat? In de namen ziet u wat de mensen belijden: we kunnen het zelf wel.

Nou, en dan moet u daartegenover eens dat andere geslacht zien. Het zaad van de vrouw. Abel. Wat betekent het ook al weer? Couveusekindje. Seth: hij komt in de plaats van Abel. En dan staat er: ook aan Seth werd een zoon geboren. Ook aan Seth. Dat wil zeggen: niet alleen het zaad van de slang breidt zich uit. Er worden niet alleen kinderen van de duivel geboren. Een Henoch. Een Lamech. Een Jabal. Een Jubal. Een Tubal-Kaïn. Een Naäma. Nee, ook Seth krijgt een zoon. En ook hij geeft zijn zoon een naam, die wat betekent. Enos. Dat betekent: mens. Nee, het is niet de naam die opa Adam heeft. Adam betekent ook 'mens'. Die naam laat zien dat de mens uit de aarde is voortgekomen. Maar Enos betekent: zwak mens.

We komen die naam verschillende keren tegen in de psalmen. Psalm 8: daar gaat het over de mens als kroon van Gods schepping. Maar ook wordt van diezelfde mens gezegd: wat is de mens, de enos, dat u aan hem denkt. Hij is maar zwak en klein.
En in Psalm 90 wordt de grootheid van God vergeleken met de kleinheid van de mens. U, Here, U bent eeuwig. Maar de mens wordt maar 70 jaar. En als het veel is 80. Wat stelt het voor vergeleken bij Uw eeuwigheid? U doet de sterveling, de enos, weerkeren tot stof.
En in Psalm 103 zien we hetzelfde: God weet dat wij stof zijn. De sterveling, de enos: zijn dagen zijn als gras. Als een bloem van het veld, zo bloeit hij. Wanneer de wind daarover is gegaan, is zij niet meer. En haar plaats kent haar niet meer. De mens, enos, is niets. Zo weer verdwenen.

Kijk, gemeente, dat is wat Seth belijdt als hij zijn zoontje in zijn armen heeft. Je bent een enos. Een mens dat er maar even is. Zwak en klein en sterfelijk.

Broeders en zusters, vergelijkt u dat nou eens met de taal die aan de andere kant wordt gehoord. Bij het volk van Kaïn. Vergelijkt u dat nou eens met de brallende woorden van Lamech. En met die machtige uitvindingen van Lamechs drie zonen. Daar hoor je de mensen zeggen: wij overwinnen de wereld. Wij bouwen een stad. Niemand doet ons wat. We redden het wel zonder God. Dat is de taal van de wereld. Het zaad van de slang.

Maar hier ziet u een man, Seth, die bij de geboorte van zijn kind zegt: we redden het niet. We kunnen niet zonder God. Wij verwachten een stad die van boven komt. Van God. Dat is de taal van de kerk. Het zaad van de vrouw.

Zwakheid tegenover kracht. Op God bouwen tegenover op jezelf bouwen. Dat is vandaag nog de kerk tegenover de wereld. Dat ziet u toch om u heen? Wat is de kerk in deze grote wereld? Een handjevol mensen. Niet veel wijzen naar het vlees, zegt Paulus (1 Korintiërs 1). Niet veel invloedrijken. Niet veel aanzienlijken. Een klein onbeduidend groepje. Het heeft het niet voor het zeggen. Een paar boertjes van buut'n. De wereld kan het wel zonder God. (Denkt men.) We stichten zelf wel ons paradijs op aarde. We hebben een sterke economie. We halen alles uit deze aarde wat er in zit. We kunnen wat we willen met onze techniek. En God komen we in het heelal niet tegen. Nu, die mentaliteit, die vandaag nog springlevend is, komt u al tegen in Genesis 4.

Kijk, en op dat moment, als Kaïn en zijn geslacht zeggen dat ze het zelf wel redden, en als in de kerk de kleine Enos wordt geboren, en als zijn vader zegt: Enos, wat zijn we maar kleine mensjes, dan begint men de naam van de Here aan te roepen. Dat wil zeggen: vanaf dat moment komen Adam en Eva en Seth en de zijnen bij elkaar. De eerste kerkdienst in de Bijbel. Nee, het is maar een klein groepje. Het stelt niks voor. Vergeleken met de stad van Kaïn, die steeds groter wordt. De kerk loopt een heel eind achter de wereld aan. Maar het is zoals Jezus later zegt: waar twee of drie bij elkaar zijn in Mijn naam, daar ben Ik in hun midden. God is erbij. Daar is Hij. Niet bij Kaïn - in zijn stad, de stad van de mens. Niet bij Lamech. Niet bij Jabal - in zijn tent. Niet bij Tubal-Kaïn - in zijn smederij. Niet bij Naäma - in haar schoonheidsalon. Maar bij Seth. Bij de kleine Enos.

Want daar roept men de naam van de Here aan. Ze komen bij elkaar in de naam van de Here. Ze houden kerkdiensten. Wat wij doen. Iedere zondag. Hier in de kerk. Dan zeggen we: onze hulp is in de naam van de Here. Here, wij hebben uw hulp nodig. Want als kleine mensjes, als enosjes, redden we het niet in deze wereld. Het is wat Trudy en Annemarie en andere kinderen zeggen, als ze iets niet kunnen: pappa, mamma, wilt u me helpen. Het lukt me zelf niet. Ik heb u nodig.

Ja, toen is het begonnen. Na de geboorte van Enos. De sterveling. En het is verder gegaan. God roept Abram. En dan gaat hij. En als hij in Betel komt, dan houdt hij een kerkdienst. Hij roept de naam van de Here aan (Genesis 12: 8). En als hij er later terugkomt, dan doet hij het weer (Genesis 13: 4). En als het Pinksteren wordt, dan gaat Petrus preken. Dan haalt hij Joël 2 aan. En dan heeft hij het over het oordeel van God. Vanaf Pinksteren gaan Gods oordelen over de wereld. De wereld is als een huis dat in brand staat. En niemand ontkomt aan die vuurzee. O nee? Niemand? Ja toch. Er is een brandladder. Een nooduitgang. Petrus zegt [Handelingen 2: 21]: al wie de naam van de Here aanroept, zal behouden worden. Gered worden. En Joël tekent er nog bij aan waar iemand die redding vindt. Op de berg Sion en in Jeruzalem kunt u ontkomen. Dat is: in de kerk. Waar kerkdiensten worden gehouden. Zwakke mensen zoeken kracht. Niet bij zichzelf. Maar samen in de kerk. Bij God.

Broeders en zusters, en dat mag u vandaag nog steeds doen. Laat ik voor de verandering eens een paar moeilijke woorden gebruiken - vanwege de woordspeling. U mag uw cultus, uw eredienst, houden in een wereld waar de mensen genoeg denken te hebben aan hun eigen cultuur. Zoals Seth zijn cultus begon toen de cultuur in Kaïns geslacht tot een hoogtepunt kwam. Door de uitvindingen van de zonen van Lamech.

Voor Adam en Eva, voor Seth en Enos, voor u en mij, zwakke mensen, we worden hooguit 70, 80 jaar, is er één uitweg. De naam van de Here aanroepen. In het boek Spreuken staat: de naam van de Here is een sterke toren. De rechtvaardige ijlt (snelt) daarheen en is onaantastbaar.

Kaïn denkt veiligheid te vinden in zijn stad. Maar hij vergist zich. Want de naam van de Here is er niet. De stad heeft geen sterke toren. Wie veilig wil zijn, moet naar die sterke toren. Naar de naam van de Here. Daar is redding. En Jezus laat zien wat dat betekent. Hij maakt de naam van de Here bekend. Zijn naam zegt het al: De Here is Redder. Bij Hem kun je schuilen voor het onweer van Zijn toorn. Jezus: de enige naam waardoor wij gered moeten worden.

Broeders en zusters, ga zo steeds maar weer naar de kerk. Om de naam van de Here aan te roepen. U hebt het nodig. Want u bent zwak. En sterfelijk. Daar wordt u toch steeds weer bij bepaald? Wat is de mens, wat bent u, wat ben ik, dat God aan ons denkt? Een enosje. Het stelt niks voor. Ja, het stelt wel wat voor! Want u hebt uitzicht. Als u Gods naam aanroept. Dan bent u gered. Vergeet u nooit dat te doen?

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar