| Thema: | Het evangelie gaat over de grens van Israël |
| Tekst: | Handelingen 10: 15 en Handelingen 10: 23a |
| Tekstgedeelte(n): | Handelingen 10: 1-23 |
| Door: | Ds. D. Griffioen (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Amsterdam-Centrum) |
| Gehouden te: | Amsterdam-Centrum op 7 april 2002 Alkmaar op 21 april 2002 Nijmegen op 28 april 2002 Oegstgeest op 16 juni 2002 Amsterdam-Zuidwest op 18 augustus 2002 Haarlem op 8 september 2002 |
| Opmerking RJCV: | Deel 1 van de prekenserie Petrus en Cornelius kan afzonderlijk van de andere delen worden gelezen.
Het drieluik bestaat uit: Petrus en Cornelius - 1: Het evangelie gaat over de grens van Israël, Petrus en Cornelius - 2: De Geest stelt Petrus voor een voldongen feit, Petrus en Cornelius - 3: Wat Christus binnenhaalt uit de heidenen wordt erkend door de kerk |
| Extra: | Inleiding op de prekenserie: Petrus en Cornelius. |
Aanwijzingen voor de Liturgie
Votum en zegengroet
Ps. 106: 1-2, 22 en/of Gez. 30: 1, 3-4 (Lofprijzing)
(Ochtenddienst: Wet)
(Ochtenddienst: Ps. 119: 29-30 (lied van verootmoediging))
Gebed
Lezen: Handelingen 10: 1-23
Ps. 75: 1, 6
Tekst: Handelingen 10: 15 en 23a
Preek
Gez. 9: 2
Gebed (dankzegging en voorbeden)
(Middagdienst: Geloofsbelijdenis: Gez. 2: 1; Lezen: Geloofsbelijdenis van Nicea, gedeelte 'God de Zoon'; Gez. 2:
5)
Collecte
Lied 464: 1-2
Zegen
Gemeente van Christus, broeders en zusters, lieve gasten,
Heeft u het wel eens beleefd dat er iemand in de kerk bekeerd is? Zou dat mogelijk zijn? Of denkt u dat alleen
mensen búiten de kerk tot geloof komen. En dat mensen die gewoon naar de kerk gaan vanzelfsprekend wel bekeerde
mensen zijn?
De preek van vandaag gaat over twee bekeringen. Twee, zult u zeggen? Van Cornelius, die Romeinse officier, dat is
duidelijk. En die andere? Nee, dat is niet de bekering van een ándere heiden, maar de bekering van een leerling van
Jezus. Van een apostel nog wel. Het gaat bij de bekering van Cornelius óók over de bekering van Petrus. Maar hij
wás toch al bekeerd? Ja, hij geloofde al in Jezus, dat Hij écht is opgestaan, dat Hij lééft, dat Hij de Zoon van
God is, dat Hij de apostelen erop uit gezonden heeft, etc. Maar Petrus geloofde nog niet in heidenen, om het zo
maar eens te zeggen. Hij geloofde dat er Joden waren en andere mensen. Je zou het zelfs zó kunnen zeggen dat Petrus
geloofde dat er een scheiding bestond tussen de kinderen van God en de rest van de wereld. Petrus discrimineerde -
wellicht onbewust en uit heilige motieven - de ándere mensen, de gojim omdat ze tot een ander ras behoorden
en een andere religie hadden. En omdat ze niet het voorrecht hadden bij het volk van God te horen. Foei, die Petrus
toch, zult u zeggen...
En tóch was Petrus zo'n kwaaie niet. Direct na die opzienbarende geschiedenis van de genezing van Eneas en de opwekking van Tabita, lezen we dat Petrus in Joppe bleef en logeerde bij ene Simon, de leerlooier. En dat valt wel op! Joden die de godsdienstige voorschriften ook maar een beetje serieus namen, zouden nooit van z'n leven bij een leerlooier in huis komen. Want leerlooiers, weet u, werken met huiden van dode dieren om er leer van te maken voor sandalen en zo. Een Jood loopt wel op sandalen maar raakt onderdelen van dode dieren liever niet aan, want die maken je onrein. Het bedrijf van een leerlooier kan nooit kosjer zijn. Die Simon de leerlooier zal wel geen zorgvuldig levende Jood geweest zijn, alhoewel... Strenge wetsgetrouwe Joden meden de huizen en bedrijven van leerlooiers. Petrus ging toch logeren bij een leerlooier. En dat maakt duidelijk dat hij zich best wel wil aanpassen aan de omstandigheden.
Petrus die van Jezus de 'sleutels van het koninkrijk' heeft gekregen, Matteüs 16: 19, is al een heel eind op weg gegaan naar de heidenen. Van Jezus heeft hij de grote opdracht (the great commission) gekregen om álle volken tot discipelen van Jezus te maken en ze door de doop op naam van Jezus te schrijven (Matteüs 28: 18-20). Hij heeft het tegenover allerlei soorten van volken op Pinksteren al gehad over het evangelie van Jezus, dat er óók uit 'de volken' veraf door God geroepen zullen worden om dichterbij te komen. En hij heeft in Samaria al Samaritanen gedoopt. Nu gaat de Geest hem de weg wijzen naar de échte heidenen. En er moet eerst héél wat in Petrus veranderen voor hij dát kan accepteren. Het is opvallend, want het lijkt in dit verhaal te gaan over de bekering van Cornelius, maar éérst wordt Petrus bekeerd. En dat gaat op een héél bijzondere manier.
Het thema van de preek is:
Hoe de Geest het evangelie van het uitverkoren volk naar de volken brengtEr zijn twee aspecten aan deze preek:
|
We zien in dit hoofdstuk van Handelingen van de Apostelen hóe de Geest er aan gaat werken om heidenen 'erbij' te halen. Dat deed de Geest al vanaf de eerste Pinksterdag. En om tóch die heidenen die nog 'veraf' zijn 'dichterbij' te laten komen (Efeziërs 2: 14-18!), moet er bij de apostel Petrus eerst héél wat gebeuren voor hij de heidenen accepteert als broeders en medegelovigen in dezelfde gemeente.
De evangelist Lucas vertelt eerst in het kort iets over Cornelius. Een Romeinse legerofficier, een centurio, een
kapitein over honderd soldaten (zes centuriën vormden een cohort, + 600 man, een tiende deel van een
legioen, 4250-6000 man). Hij woonde in de kazerne van Caesarea, genoemd naar de Augustus Caesar. Deze Cornelius
blijkt een bijzonder vriendelijk man geweest te zijn. Hij en zijn familie waren bijzonder toegewijd en hulpvaardig
tegenover andere mensen. En dat kwam je in die tijd niet zo vaak tegen. Soldaten waren áltijd ruw en onverschillig.
Bovendien was Cornelius erg godsdienstig. Maar hij vereerde niet meer zoals talloze Romeinse soldaten een menigte
aan goden. Dat geloof in goden had hij achter zich gelaten. Hij geloofde in God. De God van Israël.
In de Joodse termen van die dagen werd hij een 'proseliet' genoemd. Een godvrezende. Hij had het Joodse geloof in
God aanvaard, hield de wetten van Mozes en bezocht trouw de synagoge. Hij leefde eigenlijk geheel volgens de Joodse
wetten en voorschriften, maar hij was nog niet besneden. En dat maakte zijn positie zo bijzonder. Al héél dichtbij
gekomen, maar toch nog nét een buitenstaander. Godvrezend, maar nog onbesneden en daarom nog een heiden, iemand uit
de volken, en dus niet behorend bij het verbond van God met zijn volk. Hij hoorde er nog nét niet bij.
Eigenlijk was de afstand tot zulke 'godvrezenden' en de Joden minimaal, maar in de praktijk was er een onoverkomelijke kloof. Die kloof was door de Joden in de loop van de eeuwen met opzet zo onoverbrugbaar gemaakt. De volken wáren veraf. Maar ondanks de oordelen van God over de volken - lees maar bij de profeten - heeft God toch een plan met de volken. Heeft God niet tegen Abraham gezegd: in úw geslacht zullen álle geslachten van de aarde gezegend worden!? In de psalmen en de profeten is gesproken over de zegen van Abraham voor de volken, Psalm 2: 7-8; Psalm 22: 27-28; Jesaja 2: 1vv; Jesaja 42: 6; Joël 2: 28vv. Uiteindelijk zullen álle volken toestromen naar het huis van God en God zou zijn Geest uitstorten over álle vlees. Cornelius moet in de synagoge gehoord hebben van dié beloften voor de volken. Cornelius heeft ongetwijfeld ook de afstand gevoeld die er bestond tussen Joden en 'heidenen' zoals hij. Hij heeft er zijn reden voor gehad om niet (nóg niet) die laatste stap te doen en zich te laten besnijden. Dan zou hij voor de Joden 'er écht bij horen', al wist hij dat de afstand, 'omdat hij niet van hetzelfde bloed was', zou blijven.1
Waarom 'de volken' (= de heidenen, de 'onbesnedenen') zo ver weg gehouden werden? Het tragische was dat de
wetsgetrouwe Joden de leer van Gods verkiezing verwarden met die van de leer van de bevoordeling. En dat had tot
gevolg dat ze vervuld werden met nationale trots en zichzelf hóger achtte dan de heidenen. Men verachtte de volken
als 'honden' en men ontwikkelde allerlei regels om de Joden apart te houden van de volken. Een orthodoxe Jood zou
het nooit in z'n hoofd halen het huis van een heiden binnen te lopen, zelfs geen godvrezende. Of een heiden in zijn
eigen huis uitnodigen. Alle familiaire contacten met heidenen waren verboden. En een vrome Jood zou nooit zo ver
komen om samen met een heiden aan tafel te gaan zitten.
Dat het vooroordeel tegen heidenen óók in Petrus zat is begrijpelijk. Het zou er niet mogen zijn, maar het was tóch
nog aanwezig in de Pinksterkerk, zelfs bij de 'informele' leider van de apostelen, Petrus.
Het is opvallend dat de Geest tegelijk op werkt in de bekering van de apostel Petrus, als in die van de vrome Romeinse legeroverste Cornelius. Want terwijl de Geest Petrus aan het 'bewerken' is, wordt er een engel gestuurd naar het huis van Cornelius om hem een boodschap van God te brengen. Gods Geest stuurt een éngel met een boodschap aan een heiden en een visoen aan een apostel. Dus geen profeet, geen Joodse leider, zelfs geen apostel gaat er naar Cornelius. Een engel van God brengt het verlossende bericht.
Als je het héle verhaal van Cornelius' bekering overziet dat wordt het ook wel duidelijk waaróm dat zo is. De
Joodse apostelen waren nog láng zo ver niet om heidenen toe te laten in de gemeente. De Joodse leiders zaten óók
nog muurvast in hun negatieve vooroordelen ten opzichte van de heidenen. Gods Geest schakelt daarom een engel in.
Zonder tussenkomst van mensen, dus rechtstreeks een boodschapper uit de hemel. Om die vrome Cornelius te vertellen
dat God acht heeft geslagen op het geloof van Cornelius.
Cornelius zag omstreeks zijn gebedsuur, tegen de avond, ineens een engel van God bij hem binnenkomen die hem bij
zijn naam riep: Cornelius! Geen wonder dat Cornelius zich te pletter schrok en angstig uitriep: 'wat is er, heer?!'
Prompt antwoordt de engel met zijn boodschap: 'Uw gebeden en gaven aan de armen (aalmoezen) zijn voor God niet
onopgemerkt gebleven. Stuur daarom enkele mannen naar Joppe om te vragen of een zekere Simon bij u wil komen, die
ook Petrus wordt genoemd. Hij logeert bij Simon, een leerlooier, die aan zee woont.'
Het is dus wáár. Gebeden en goede werken doén ertoe bij God. Ze stijgen op naar God! De hemel wordt ervoor geopend. Ze worden voor Gods aangezicht vermeld! God hóórt ze! Het is zó bijzonder dat het óók geldt ten aanzien van godvrezenden, in wezen heidenen, die er 'nóg niet' bij hoorden! Dat hun gebeden worden opgeschreven in het gedachtenisboek van God. Dank God ervoor dat 'heidenen die veraf' zijn óók tot God mogen bidden en dat God zulke gebeden wil hóren!
De boodschapper uit de hemel zegt: "God heeft je gebeden gehóórd, Cornelius!" Wat is dat ook voor ons een
geweldige opsteker dat onze gebeden opgemerkt worden door God! De engel zegt erbij: 'stuur nú mensen naar Joppe om
een zekere Simon die Petrus genoemd wordt te halen!' Het is een vrij vage opdracht. De engel zegt er niets bij over
welke boodschap het gaat en wie die boodschapper is. Cornelius moet dus wel degelijk geloven dat die opdracht
heilzaam voor hem is.
We zien dat Cornelius geloof hecht aan de opdracht van de engel. De gedrilde Romeinse officier, die gewend was zelf
bevelen te geven, volgde onmiddellijk deze dienstorder van hogerhand op.2 Hij kreeg het bevel van de
engel om naar Joppe te gaan, en hij ging. Hij riep meteen twee vertrouwde huisslaven tot zich en zond ze samen met
een gelovige soldaat naar Joppe. Zij moeten vragen of Simon Petrus bij Cornelius in Joppe wil komen.
Terwijl de vrome slaven van Cornelius in een snelle wandeling van ongeveer vijftig kilometer naar Joppe onderweg
zijn, is de Geest bezig om bij Petrus het laatste zetje te geven zodat hij er helemaal klaar voor is om bij
heidenen op bezoek te gaan.
De Heer Jezus onderneemt concreet actie om Petrus óók zo ver te krijgen dat hij het evangelie óók aan de heidenen
zal vertellen. Dus Jezus stapt niet af van zijn plan om op het fundament van profeten en apostelen zijn gemeente te
bouwen. De apostelen, te beginnen met Petrus moest toch op weg gaan om álle volken tot discipelen van Jezus te
maken? (Matteüs 28: 18-20)
Het blijkt allerminst vanzelfsprekend dat Petrus op de heidenen afstapt om het reddende evangelie te brengen. De
Geest moet hem er zelfs toe bewegen.
Weet u wat zo opvallend is in dit verhaal. Dat de onwennige apostel Petrus, die nog verstrikt zit in zijn
religieusculturele schema van 'eigen volk' en 'niet-mijn-volk' door het ingrijpen van de Geest op andere gedachten
wordt gebracht. Ook de apostel moet er aan geloven dat heidenen het moeten horen. De Opgestane Heer heeft toch zijn
discipelen uitgezonden om álle volken tot Zijn discipelen te maken? Die opdracht blijft staan. Nadat de Geest van
Cornelius een 'zoeker' gemaakt heeft, horen we hóe de Geest Petrus verandert, zodat hij naar de heiden Cornelius
toe gaat. (En in het hoofdstuk 11 worden de ándere apostelen door de Geest 'over de streep getrokken'.)
Als Petrus in Joppe omstreeks twaalf uur 's middags in zijn gastenkamer op het dak is om te bidden, wordt hij
overvallen door een sterke trek in eten. Terwijl uit de keuken beneden allerlei lekkere geuren van het eten
opstijgen, valt hij in een soort extase, een geestvervoering. Wat wij ons daarbij voor moeten stellen, weet ik
niet. Het kwam niet van binnenuit en hij werd ook niet door middelen beïnvloed (hij was niét wat men noemt
'stoned'). Zijn zintuigen werkten normaal. Hij werd wel buiten de aardse werkelijkheid getrokken en kwam in een
hemelse sfeer. Hij krijgt een bijzonder visioen te zien. Hij kijkt in een open hemel. Hij ziet iets dat voor God
bestaat, maar voor hem helemaal nieuw is! Een voorwerp, dat lijkt op een groot vierkant zeildoek, daalt uit de
hemel neer. Als het lager komt, ziet Petrus dat zich allerlei dieren in dat zeildoek bevinden. Als het nóg
dichterbij komt, herkent hij dieren. Zijn scherpe oog herkent direct de twee soorten dieren. Reine dieren en
ónreine dieren. Viervoeters, kruipende dieren en vogels, een gemengde dierentuin van rein en onrein. Dieren die je
als een oprecht kind van Abraham volgens Leviticus 11 en Deuteronomium 14 niet eten mag.
Dán klinkt Gods eigen stem: 'Kom, Petrus, slacht en eet!'
De eerste reactie van Petrus is impulsief en direct: 'Geen sprake van, Heer! Nog nooit heb ik iets gegeten dat
door de wet wordt uitgesloten, dat onrein is.' Dat zegt een volwassen man, die drie jaar lang dagelijks gewandeld
heeft met Jezus en aan de voeten van de Heer gezeten heeft om les te krijgen in het wandelen met God. 'Dat doe ik
niet, Here, want nog nóóit heb ik iets gegeten dat onrein was.'
Opnieuw sprak de stem van God hem toe: 'Wat God rein heeft verklaard, mag jij niet als uitgesloten beschouwen.'
Weer weigert Petrus beslist en duidelijk het hemelse bevel te gehoorzamen. En hij staat heel sterk! Zijn het niet Gods eigen woorden, die scheiding gemaakt hebben tussen reine en onreine dieren? Het nadrukkelijke gebod van God heeft hij zijn leven lang trouw gehouden: Petrus eet geen onreine dieren! Nooit!
Door de herhaling van het hemelse gezicht moet de verwarring bij Petrus groot geweest zijn. De wet van God is er
altijd zó duidelijk over geweest! Moet nu ineens álles op de helling? Allerlei tegenstrijdige gedachten flitsen
door het hoofd van Petrus. Is het misschien een verzoeking? Is er dan niets meer heilig? Petrus moet gedacht
hebben: wát is God bezig te doen! Gaat álles wat heilig gebod is nu ineens over boord? Komt het er opeens niet meer
op aan om rein te blijven? Is dit het einde van de 'kosjere' keuken?
Dat het bevel om te slachten en te eten, rijp en groen, rein en onrein, drie keer herhaald is, maakt het des te
moeilijker voor Petrus. De woorden dreunen nog na in de oren van Petrus: "Wat God rein verklaard heeft, mag jij
niet onrein verklaren en uitsluiten!"
Toen verdween het zeildoek met de gemengde dieren weer in de hemel. En Petrus bleef in verwarring achter. Klem gezet tussen de hoge waarden in zijn leven over rein en onrein én het hemelse bevel om alles te wissen.
Petrus worstelt met het visioen. Hoe kom je in het reine met zo'n bevel dat alles op z'n kop lijkt te zetten? Petrus zal gedacht hebben aan de woorden van Jezus die onreine mensen heeft aangeraakt, waardoor Hijzelf óók onrein werd, maar die dat uiteindelijk deed om ánderen rein te maken. Jezus heeft daarmee aangegeven dat Hij speciaal gekomen was om wat onrein verklaard is vanwege de zonde, door God weer rein genoemd zou worden. Maar het is wél de omkering van alle gangbare waarden. Iets dat eigenlijk helemaal niet kán. Het laat in z'n ongerijmdheid iets zien van het onvoorstelbare geheim van het evangelie. Wat onmogelijk is voor mensen, dat maakt God mogelijk.
Hoe langer je er over nadenkt, hoe onbegrijpelijker het wordt. De grote vraag is: waarom heeft God op dát moment
rein verklaard wat altijd onrein genoemd is? En wij kunnen Petrus zo goed begrijpen. Z'n héle leven heeft hij zo
integer mogelijk om willen gaan met de wet van God. En ook met de voorschriften die zijn voorouders uit die wet
gehaald hebben. Hij heeft áltijd loyaal geleefd uit liefde voor de wet van God. Tot en met de consequenties toe
naar het optrekken van de hoge scheidingsmuur naar de heidenen toe. Wij kunnen Petrus zó goed begrijpen in zijn
heilige verontwaardiging om onreine dieren te eten. En z'n verwarring om dat bevel van God dat hij dat niet onrein
mag verklaren wat God rein verklaard heeft.
Het is de vraag voor álle christenen van álle eeuwen. Als ze staan voor de keus om een andere richting in te slaan
dan ze altijd gewend zijn geweest. Wát wil de Geest tot ons zeggen? Wát betekenen de woorden van God over rein en
onheilig voor ons, nú, in deze concrete situatie?3
De verwarring bij Petrus komt op heel wonderlijk manier tot een einde.
Petrus wordt uit z'n verdoving gehaald door de boodschappers van Cornelius. Letterlijk gered door de bel. En stem
roept van beneden. "Hallo, Petrus, ben je daar boven? Hier zijn twee mannen voor je uit Joppe. Ze willen je
spreken!"
Maar vóórdat er gebeld werd, sprak de Geest tot Petrus: "Twee mannen zijn naar je op zoek. "Ga zonder bezwaar te
maken met ze mee, want Ik heb hen gezonden."
Ga zonder aarzeling met hen mee. Het woord haakt duidelijk in bij het woord dat van toepassing is op het slachten
en eten van onreine dieren. Vooruit, slacht en eet... Wat God rein verklaard heeft, mag je niet als uitgesloten
beschouwen... Ga met ze mee...
Nú pas valt het laatste stukje van de hemelse puzzel op z'n plaats. Dus dát was de bedoeling van dat zeildoek
met die hele dierentuin die uit de hemel neerdaalde! De stem zei: "tast toe zonder aarzelingen... God heeft het
heilig verklaard... ga zonder bezwaar te maken met ze mee..." God heeft Petrus laten zien 'dat men geen mens als
door de wet uitgesloten mag beschouwen of onrein mag noemen', Handelingen 10: 28.
Hoe perfect sluit het werk van de Geest in Cornelius én in Petrus in elkaar! Er is geen heidens persoon zó onrein
of de Geest brengt een boodschapper van Verlosser op z'n weg. Zó brengt de Geest mensen in de richting van het
heil.
Het gaat dus niet in de eerste plaats om de kwestie van reine of onreine dieren, het gaat om ménsen. Petrus moet
met die twee héidenen mee gaan, zonder bezwaar te maken! God heeft ze rein verklaard! Ga rustig met ze mee! De
heidenen zijn kosjer omdat God ze rein heeft verklaard. Dat is de ándere kant van de beweging van de Geest: de
Geest werkt de apostelen zodat ze op zoek gaan naar 'zoekers'.
De boden van Cornelius uit Joppe verklaren hoe God door zijn engel aan hun heer heeft laten weten op welke
manier Simon in z'n huis genodigd moet worden. En hij nodigde de bedienden van Cornelius in huis en onthaalde hen
gastvrij.
Is het niet aandoenlijk dat Petrus die heidense mannen zómaar in huis neemt, en samen met ze eet? En dat hij de
volgende morgen meegaat om het goede bericht van Jezus bij Cornelius thuis te bezorgen. Eerst laat hij zien dat hij
z'n les geleerd heeft. Hij ontvangt zijn heidense gasten in huis en eet met ze. Dat is de bekering van Petrus. Hij
gaat met heidenen om alsof ze heiligen zijn, niet meer onrein!
Het is niet de bedoeling dat de zoekers naar God als gasten bij Petrus blijven. Petrus moet met hén mee gaan. Zó heeft de Geest het gewild. De Geest werkt in de vrome proseliet Cornelius, de zoeker die genade gevonden heeft bij God. Tegelijk duwt de Geest Petrus in de rug om óver de drempel van zijn gewoonten en vooroordelen heen te stappen. Omdat God de waas van onreinheid die over de volken lag, weggenomen heeft. De beloften van Abraham dat het heil uiteindelijk naar álle volken moet, komen tot vervulling! Petrus was nog niet zo ver. We zijn verwonderd over zóveel geduld van God om die bekering bij Petrus tot stand te brengen. Er is geen onderscheid tussen Jood en Romein. Christus moet óók aan de Romeinen (= heidenen) gebracht worden.
Hebben wij de les van Gods Geest geleerd? Dat wij die vroeger onrein waren, nu door God rein verklaard zijn? Daar moeten we God voor danken. Het tweede is of we iets geleerd hebben over de manier van evangeliseren. Dat we het goede bericht bij de mensen thuis moeten brengen, dat we niemand mogen mijden of ontlopen. De Geest werkt in mensen, in heidenen, en die laten wel merken dat ze 'vatbaar' zijn voor het goede nieuws, dat ze 'zoekers' geworden zijn. De Geest zorgt er wel voor dat je uitgenodigd wordt! Maar wij moeten niet wachten tot die 'zoekers' hier in de kerk komen. Het heil moet worden thuisbezorgd! Cornelius moest het heil niet bij Petrus thuis hálen, hij moest Petrus uitnodigen in z'n eigen huis! Jezus wil dat mensen die zoeken uiteindelijk thuis een online verbinding krijgen met Woord van God en de Geest. Hij zorgt dat ze thuis op hun wenken bediend worden! Christenen zijn boodschappers van God. Ze zijn de SRV-wagens van het koninkrijk die het heil bij de zoekers thuis moeten brengen. De Geest die álle drempels van rein en onrein al heeft weggenomen, heeft vroeger óns al erbij getrokken. Nu moeten wij nog in de richting van de zoekers, zodra de Geest ons die kant op duwt. Zijn wij al bekeerd, 'gelóven' wij óók al in heidenen, zoals Petrus, dat ze rein verklaard zijn? Geloven wij dat? En gaan we ook zó met hen om? Dóen wij ook zo, nu de Geest de tussenmuur die scheiding bracht, weggenomen heeft. Gelóven wij dat die muur écht weggenomen is en er geen onderscheid meer is tussen 'hen' en 'ons'?
Amen.
1 Het is een interessante vraag waarom Cornelius wel in alles leefde als een Israëliet - hij sprak de gebeden en gaf aalmoezen, schrijft Lucas - maar nog niet die laatste beslissing genomen had: zich laten besnijden. We weten dat 'godvrezenden' (jodengenoten, proselieten) over het algemeen erg veel moeite hadden met die laatste stap om zich bij de Joden te voegen. De Romeinen keken altijd wat neer op de 'besnedenen', met hun vreemde wetten en in hun ogen bijzondere gewoonten. En dat terwijl omgekeerd de Joden minachting toonden voor de 'onbesnedenen'. De proselieten werden door de Joden niet als volwaardig Jood aangezien. Pas door de besnijdenis werd je echt Jood, maar dan moest je ook álle wetten (612 stuks!) stipt naleven. Cornelius was al dichterbij gekomen, maar toch was hij nog veraf. In Handelingen wordt niets gemeld waarom Cornelius wel in alles als de vrome Jood wilde leven, maar toch 'nog' niet besneden was en dus nog niet toegetreden was tot de Joodse gemeenschap. Zou de culturele drempel voor hem te hoog geweest zijn?
2 Het was in Joppe, eeuwen eerder, dat de ongehoorzame profeet Jona het bevel van God om naar het oosten te gaan om tegen Nineve te spreken negeerde. Hij monsterde aan op een schip om niet naar het oosten, maar naar het westen te gaan. Jona dacht dat het mogelijk was om onder Gods bevel weg te vluchten.
3 In dit verband zijn er twee vragen te stellen: De eerste is: betekent deze tekst nu dat er voor ons
geen onreine dieren meer zijn? Denk aan de Papoea's - fervente varkensliefhebbers en varkenshouders - die deze
tekst omarmd hebben als een geschenk uit de hemel: wat we in de varkens van onze voorouders gekregen hebben, dat is
dus écht van God, zeiden ze. God heeft óók onze varkens rein verklaard, terwijl het vroeger in Israël onreine
dieren waren die niet gegeten mochten worden. De tweede vraag voor ons is: hebben de reinheidswetten voor ons
vandaag nog betekenis?
Deze vragen hebben grote betekenis voor ons zendings- en evangelisatiewerk.
http://www.prekendiespreken.nl/
For questions or remarks mail to
© Copyright Preken die Spreken / Speaking Sermons / Pregação Viva,
2002-2012.
No part of this publication may be reproduced or copied or made public
in any form without the expressed written authorization from Richard J.C.
Vos and the contributing minister. No consent to copy is required if it is
to be used for public worship service or preparation for Bible study(meetings).