Petrus en Cornelius (Deel 2: De Geest stelt Petrus voor een voldongen feit)

Thema: De Geest stelt Petrus voor een voldongen feit
Tekst: Handelingen 10: 34-35
Tekstgedeelte(n): Handelingen 10: 23b-48
Door: Ds. D. Griffioen (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Amsterdam-Centrum)
Gehouden te: Gereformeerde Kerk Amsterdam-Centrum op 14 april 2002
Gereformeerde Kerk Oegstgeest op 23 juni 2002
Gereformeerde Kerk Amsterdam-Zuidwest op 25 augustus 2002
Opmerking RJCV: Deel 1 van de prekenserie Petrus en Cornelius kan afzonderlijk van de andere delen worden gelezen. Het drieluik bestaat uit:
Petrus en Cornelius - 1: Het evangelie gaat over de grens van Israël,
Petrus en Cornelius - 2: De Geest stelt Petrus voor een voldongen feit,
Petrus en Cornelius - 3: Wat Christus binnenhaalt uit de heidenen wordt erkend door de kerk
Extra: Inleiding op de prekenserie: Petrus en Cornelius.

Aanwijzingen voor de Liturgie

Votum en zegengroet
Ps. 9: 1, 6, 8
Ps. 117
Schuldbelijdenis
Ps. 49: 1, 5
Genadeverkondiging
Ps. 66: 7
Lezen: Handelingen 10: 23b-48
Lied 399: 2, 6 (= Gez. 30: 2, 6)
Tekst: Handelingen 10: 34-35
Preek
Ps. 66: 2, 5
Wet
Ps. 144: 1, 7
Geloofsbelijdenis: Gez. 4
Lied 296: 1-3

Gemeente van onze Here Jezus Christus, broeders en zusters, lieve gasten,

Vorige week hadden we het over de veranderingen die door God tot stand gebracht zijn in de heiden Cornelius en de apostel Petrus. In beiden is de Geest aan het werk geweest. En ze zijn elkaar gaan zoeken. Cornelius heeft Petrus uitgenodigd om het goede nieuws van God te vertellen. En Petrus kreeg de vrijmoedigheid om heidenen in huis te nodigen en later met hen mee te gaan naar Caesarea. In het tweede gedeelte van Handelingen 10 vernemen we hoe Cornelius en de zijnen tot geloof komen. We horen ook hóe Petrus dat feit erkent en moet constateren dat er geen onderscheid is tussen Joden en heidenen die Jezus Christus hebben leren kennen.

Thema van de preek:

De Geest stelt Petrus voor een voldongen feit

  1. Het getuigenis van Cornelius
  2. De preek van Petrus
  3. Het werk van de Heilige Geest

1. Het getuigenis van Cornelius

Als Petrus na een voetreis van ongeveer vijftig kilometer met zijn groep van zeven personen uit Joppe (Handelingen 11: 12) in Caesarea aankomt bij het huis van Cornelius, dan merken ze dat ze méér dan welkom zijn. Het huis van Cornelius is vol. Hij heeft niet alleen zijn huispersoneel, maar zelfs zijn relaties en z'n trouwe vrienden uitgenodigd. Als Petrus binnenstapt gebeurt er iets vreemds. Cornelius werpt zich voor de voeten van Petrus, als was hij een hemelse boodschapper die op bovenmenselijke wijze geëerd dient te worden. Het is in die situatie de wereld op z'n kop: een Romein kniélt neer voor een Jood! Altijd hebben Romeinen geëist dat de volken die ze overwonnen hadden, voor hen zouden buigen als knipmessen. Nu buigt een Romein voor een Jood tot op de grond! De Joden hebben er altijd heel veel moeite mee gehad dat ze op de knieën moesten gaan voor de Romeinen. Nu gebeurt het juist andersom! De Romein Cornelius toont zijn nederigheid en brengt bovenmenselijke eer aan een Jood! Dit ongebruikelijke gebaar kan alleen verklaard worden uit het feit dat Cornelius bijzonder blij is met deze brenger van Gods goede bericht!
Petrus is ietwat verlegen met de situatie. "Dat was niet nodig geweest," vindt hij. "Dit kán helemaal niet!" Heel nuchter en afwijzend zegt hij: ' ik ben zelf ook maar een mens... ga maar gewoon staan!'

Dat het ongebruikelijk is dat Petrus het huis van een heiden binnen gegaan is, blijkt uit de verklaring die Petrus meteen na de begroeting afgeeft. Ietwat verlegen met de situatie zegt hij. "Het is voor Joden verboden om het huis van een niet-Jood binnen te gaan." Het is verboden om dat te doen. Hij gebruikt daarbij een woord dat iets ánders betekent dan 'wet' in de gewone zin van het woord. Hij zegt niét: 'het is tegen de wet van God!' (in het Grieks nomos). Hij zegt het anders: 'het is tegen de gewoonte, tegen de voorschriften'. (Voor de liefhebbers van Grieks: hij gebruikt het woord: athemitos, 'tegen de regels, tegen de gewoonte' {afgeleid van themis}, dat letterlijk wetteloosheid betekent, maar meer op een menselijk voorschrift duidt, dan een goddelijke wet). En daarmee geeft Petrus aan dat het om een voorschrift gaat, een menselijke regel die geoorloofd is. Hij wil daarmee aangeven dat het volgens een menselijk voorschrift niet goed is om met heidenen om te gaan. Die voorschriften werden geacht in de lijn van Gods geboden te liggen. Een soort taboe is het, waarom Joden nooit bij heidenen (niet-Israëlieten) in huis komen.

"Maar", zegt Petrus, "omdat God mij getoond heeft dat ik geen énkel mens nog voor onrein of onheilig mag houden, ben ik als gast in dit huis gekomen."
Er gaat een heel duidelijk signaal uit van deze verklaring. Cornelius heeft als proseliet élke dag gevoeld dat er een scheiding lag tussen Joden en heidenen. De godvrezenden geloofden in de God van Israël, maar konden niet volledig geaccepteerd worden in de gemeenschap van Gods volk. Cornelius moet het als muziek in de oren geklonken hebben dat Joden géén hogere mensen zijn en dat heidenen geen verachte schepsels, die behandeld moesten worden als onreinen en onheiligen. Die ene zin van Petrus: "Ik ben zelf ook maar een mens", laat zien dat hij nu gelooft dat God het onderscheid tussen zijn eigen volk en de volken uitgewist heeft. Allen moeten het evangelie horen!

Met deze woorden laat Petrus merken dat hij z'n les geleerd heeft. Wat God hem heeft laten zien over voedsel, geldt nu óók voor mensen. Dát Joden niet bij heidenen over de vloer kwamen was vanwege een menselijke uitwerking van een goddelijk voorschrift om zich niet te verontreinigen door omgang met heidenen. Niet omdat God dit zo nadrukkelijk gezegd had in zijn wet. In de voorschriften van Deuteronomium heeft God zijn volk er voor gewaarschuwd dat ze zich niet moesten inlaten met de godsdienstige dingen van de heidense volken. De Joden hebben de grenzen nét iets strakker getrokken: als Jood mag je zelfs niet met hen ómgaan en zeker niet in een heidens huis komen. Het zal ook te maken hebben met de rigide Joodse angst voor de keuken die niet kosjer kan zijn.

God heeft Petrus in het hemelse visioen laten zien, dat niemand door een wet uitgesloten mag worden! En dat niemand als onrein mag gelden. Petrus staat als Jood niet bóven de mensen van buiten Israël. Hij staat náást hen, hij is helemaal gelijk aan hen. Dat heeft Petrus nu geleerd van het visioen in Joppe. Heidenen mag hij niet langer voor 'onheilig' houden.

Petrus is over de drempel van het heidendom. Hij accepteert ze als mensen. Als mensen die het goede bericht van de verlossing van de Messias óók moeten horen!
Het moet een aandoenlijk moment geweest zijn, dat op dát moment alle menselijke grenzen tussen Joden en heidenen doorbroken zijn. En dat Petrus nu in de heidenen gelooft. En gelooft dat zij 'eraan' moeten geloven.
Petrus maakt aan Cornelius duidelijk dat hij vanwege het hemelse visioen zónder aarzeling of bezwaar gekomen is op de uitnodiging van Cornelius.
"Waarom heeft Cornelius mij uitgenodigd?", vraagt hij.

En dan vertelt Cornelius het verhaal van het visioen van de engel, dat hij vier dagen eerder gekregen had. Het verslag van Cornelius is gelijk aan vers 3-6. Hij vertelt er nu bij dat de engel een man was in 'stralend wit gewaad'. Maar hij rept nu met geen woord over de angst die hem toen overvallen had! Hij uit alleen maar z'n dankbaarheid dat Petrus bij hem gekomen is: "... het is goed dat u gekomen bent. Zo zijn we nu dan allemaal bij elkaar onder het oog van God om alles te horen wat de Heer u heeft opgedragen ons te zeggen."

Het is práchtig dat getuigenis van Cornelius: "Vertel met het Woord van de Here, wijs me de weg! We zijn allemaal bijeen om hier voor het aangezicht van God te staan. Wij willen graag álles horen wat de Here u heeft opgedragen!"
Het zijn mensen die ontvankelijk zijn voor het Woord van God. Zeg ons wat het Woord van God is en wij zullen dat geloven!

2. De preek van Petrus

Petrus begint zijn preek met de zeer persoonlijke verklaring over wat hij geleerd heeft van zijn ervaring van de laatste dagen. Hij opent met de conclusie. Waar ging het nu eigenlijk om? Dat er bij God geen aanzien des persoons is! Dus God houdt er geen persoonlijke voorkeuren op na! Hij is niet partijdig! Hij wijst niemand af of trekt ook niemand juist aan om z'n persoon.
De uitdrukking 'geen aanziens des persoons bij God' heeft voor Petrus de diepere betekenis dat er bij de goddelijke Rechter geen onrecht is, geen partijdigheid of aanneming van geschenken, (vergelijk 2 Kronieken 19: 7). Bij Mozes vinden we al dat de rechters niemand naar de ogen mogen kijken, geen geschenken aan mogen nemen, bij geen mensen de buitenkant mogen laten meewegen, of oren hebben naar iets dat in of aan hem is.

Hebben later de rabbi's, de Joodse geestelijke leiders, Jezus niet gevleid met de opmerkingen: "we weten dat U de personen niet aanziet, dat U onkreukbaar bent!"? Het is een compliment aan het adres van Jezus, uit onverwachte hoek! Zij gelóófden ook wel dat er bij God 'geen aanzien des persoons' is. Al meenden de rabbi's wél dat zijzélf een streepje voor hadden bij God.

Bij God is geen aanneming des persoons. Het betekent dat God nooit afgaat op uiterlijke criteria, zoals uiterlijk, ras, nationaliteit, maatschappelijk status of kaste. Hij accepteert wie Hem vreest en gerechtigheid doet, ...ook al is hij geen Jood. Cornelius is hier een levend voorbeeld van. Heidenen worden door God niét afgewezen omdat ze geen Jood zijn.1

Wat dit betekent voor gereformeerde mensen? In de eerst plaats dit: alle bloed- en bodem theorie onder ons weg valt. Iedere gedachte dat er ook maar één ras zou zijn dat beter, hoger, waardevoller of superieur is, kunnen we vergeten. Rangen, kasten en klassen bestaan niet voor God. Gevoelens van meerderwaardigheid hebben geen recht van bestaan. Ieder kerkisme krijgt geen millimeter de ruimte.2

En dat betekent meer positief gezegd: God neemt geen personen aan op uiterlijk of gedrag, op dingen die zij zouden bezitten of juist niet. God zoekt niets bij ons, en Hij vindt niets in ons. Hij dringt door tot de diepste kern van ons bestaan, tot ons hart. In ons hart verwerpt Hij álles wat zonde is of hoogmoedig en Hij schenkt er wat het leven weer écht maakt: Hij herschept de nieuwe mens. Wat hebben wij van God gekregen wat wij niet van Hem ontvangen hebben? Hij kijkt ons niet naar de ogen, Hij kijkt in ons hart! Over harten maakt God geen verschil, Hij wil ze állemaal bereiken met zijn verlossende bericht!
Maar dat wil niet zeggen dat God álle mensen zondermeer aanneemt. In de relatie tussen God en mensen heeft de éne mens of het éne volk niets vóór boven de ander.

Petrus zegt: ...iedereen die Hem dient en zijn wil doet, tot welk volk hij ook behoort, is Hem welgevallig, vers 35. Tot wélk volk hij ook hoort, is Hem welgevallig.
Bij God is geen aanneming des persoons. Hij oordeelt gelijk, én Hij biedt zijn heil in Christus Jezus zonder onderscheidt iedereen aan, zonder onderscheid. De Jood is niet rein in zichzelf, de heiden is niet onrein in zichzelf. De Geest van God bepaalt op Gods tijd wanneer de woorden van leven naar zulke mensen kunnen toestromen.

Ieder die Hem dient en zijn wil doet... pleziert Hem.

Noteert u even dat het ópvalt dat het dóen van gerechtigheid en het vrézen van God positief gewaardeerd wordt op de weg naar het heil! U denkt misschien, gaat dit niet de weg op naar werkheiligheid of een soort goede-werken-leer? Hebben de goede werken van Cornelius, zijn gebeden en zijn aalmoezen dat zin voor het verkrijgen van het heil? Ja, God merkt ze op. Hij schept er genoegen in.
Wie God vreest, écht vreest, in de zin van liefde en ontzag voor Hem toont, die ontkomt aan de klem van de maakbare gerechtigheid. Vergeet nóóit dat het heil van God komt. Híj moet het geven. Hij wil het ook geven aan allen die Hem vrezen en zijn wil doen. Je praat dan niet over beloning en zo, of je goed uit komt bij God. Van de vólken, de heidenen, die God zoeken geldt dat God hun inspanning niet veracht.

Het púnt in de woorden van Petrus is dus dat Cornelius, met zijn heidense nationaliteit, niet eerst Jood hoeft te worden om bij Gods genade te kunnen. Of dat zijn eigen gerechtigheid eerst compleet zou moeten zijn voor hij een christen zou kunnen worden. Als heidenen God zoeken zal God hen belonen door zich te láten vinden.

In de preek van Petrus krijgen we zo een nauwkeurig verslag van wat God gedaan heeft om mensen het heil te schenken. Het blijkt óók dat de preek voor een heiden publiek niet anders blijkt te zijn dan die voor een Joodse gehoor. Petrus spreekt over het werk van Jezus. Hij vat het samen zoals het vertolkt wordt in een recitatief van Bach's Matthaüs-Passion:

Hij heeft ons allen welgedaan
de blinden gaf Hij het gezicht
de lammen liet Hij wandelen
Hij bracht ons het Woord van zijn Vader,
Hij verdreef de duivelen,
bedroefden heeft Hij opgericht,
Hij nam de zondaars op en aan,
Anders heeft mijn Jezus niets gedaan.

Petrus zegt er nadrukkelijk bij dat Jezus dit alles gedaan heeft, omdat Hij door God gezalfd is en toegerust met de Heilige Geest.
God heeft in de komst van zijn Zoon Jezus het heil doen brengen aan iedereen in het Joodse land. God heeft Jezus van Nazaret aangewezen voor zijn werk als Messias. Door de Heilige Geest en door kracht. Overal waar Hij kwam heeft Hij met betoon van Kracht en Geest de macht van de satan gebroken. En Petrus zegt erbij: "wij zijn getuigen van de feiten die Hij deed in het Joodse land en in Jeruzalem!"
De autoriteiten hebben Jezus wel gedood door kruisiging. Maar áchter die intrige lag het plan van God.

Als derde gebeurtenis uit het leven van Jezus noemt Petrus de opstanding. Zíj hebben Hem wel gedood, maar God heeft Hem opgewekt van de doden. Velen zijn daar getuigen van, niet het hele Joodse volk, maar zij die steeds bij Hem geweest zijn, de apostelen. Wij hebben na zijn opstanding uit de dood met hem gegeten en gedronken!, zegt Petrus. Hij schetst Jezus dus een historisch persoon. In en door wie God zijn reddende werk aan mensen aanbiedt.

Hij heeft óns opgedragen als zijn getuigen aan het volk te verkondigen dat Hij degene is die door God is aangewezen als rechter over levenden en doden.

Dat is dus het werk van Gods getuigen. Mensen aanzeggen dat Jezus door zijn werk aangewezen is als Rechter. Zó wil God dus het heil bij de mensen brengen, zodat ze kunnen ontsnappen aan het oordeel van God.

3. het werk van de Heilige Geest

Hoe aandachtig Cornelius, zijn gezin, zijn verwanten en vrienden luisteren naar de preek van Petrus, weten we niet. Maar plotseling gebeurt er iets. Nog vóór hij klaar was met z'n preek, valt de Heilige Geest op hen. Petrus kan zijn verhaal niet eens af maken! Ze beginnen te spreken met tongen (= in andere talen te spreken) en ze maken God groot. Petrus kán zelfs niet meer verder spreken. Hij hóeft ook niet meer verder te spreken. De Geest neemt de hoorders mee, neemt ze zó in bezit dat ze zichzelf niet meer zijn. De Geest laat ze doen van God van hen verwacht: Gods naam groot maken, in allerlei uitingen van talen.

Dus er gebeurde precies zoals met de apostelen en de overige discipelen op de Pinksterdag! Met dit verschil dat de mensen tóen konden hóren wat de tongensprekers zeiden. Nu spreken ze in tongen en loven God, maar niemand verstaat het. Toch is het even indrukwekkend. Er gebeuren dingen die mensen niet opgeroepen hebben, die men niet in de hand heeft. Dingen die je ook niet op kúnt roepen. De Geest zelf heeft besloten op dát moment zijn heerlijkheid te tonen in die tekenen van tongentaal.

Er is nóg een opmerkelijk verschil in volgorde van gebeurtenissen in het huis van Cornelius én die op eerste Pinksterdag in Jeruzalem, Handelingen 2: 37-42. Niet alleen omdat hier om mínder mensen gaat. Op Pinksteren was de volgorde anders. Op Pinksteren waren er eerst de tekenen (de tongentalen, mét de wind en de verschijnselen van vuurvlammen) en daarna de preek met de toelichting van Petrus. In de nieuwe gemeenschap van de heidenen die tot geloof gekomen zijn volgen de tekenen van de tongentaal ná het horen van de preek van Petrus. Het effect is gelijk als op Pinksteren: ze zijn overtuigd van hun zonde, ze bekeerden zich en kwamen tot geloof.
En daarna werden ze gedoopt in de naam van Jezus ter afwassing van de zonde. Dat hele heftige proces van horen, geloof en bekering werd dus afgesloten met het ontvangen van de Geest. Dat gebeurde op Pinksteren bij Joden die al in God geloofden, maar op dát moment ook in Jezus' dood en opstanding gingen geloven.

In Caesarea vormen de tekenen de kroon op het werk van de Geest! De gebeurtenissen van Pinksteren (Jeruzalem) spelen zich eigenlijk in omgekeerde volgorde af. De Geest vervult de hoorders tijdens het luisteren naar de preek en dan komen plotseling de tekenen naar buiten. Er wordt niet genoemd dat de aanwezigen tot geloof gekomen waren. Het wordt door Petrus wel genoemd in het volgende hoofdstuk: de gave van de Geest is gegeven op het geloof, Handelingen 11: 17.
De apostel ziet de gaven van de Geest en concludeert dat de aanwezigen tot geloof gekomen zijn, zich bekeerd hebben en dus gedoopt moeten worden!

Voelt u aan waarom de Geest het zó gedaan heeft, in dié volgorde? De christen-joden die bij Cornelius aanwezig waren moesten ervan overtuigd worden dát de heidenen óók tot geloof konden komen. Daarom die reinverklaring vooraf in dat visioen van Petrus en de tekenen van de Geest in de tongentaal als de indrukwekkende onderstreping achteraf dat ze door God rein verklaard zijn. Alsof de Geest met nadruk wil verklaren: Let op Petrus, hier staan heidenen voor je, die nét zo geloven en vervuld zijn van de Geest als jullie op Pinksteren. Ze zijn aan jullie gelijk!

De tekenen van de Geest in de hoorders illustreren wat Petrus gezegd heeft. Dat Jezus de Heer van allen is, vers 36. Dat ieder die in Hem gelooft, vergeving van zonden ontvangt, vers 43. De Geest zou op állen uitgestort worden. Het gebeurt in het huis van Cornelius. De Geest raakt mensen aan. En de bewijzen van zijn inwoning zijn niet meer te stoppen.

De christen-joden (letterlijk staat er: gelovige besnedenen), de vrienden en metgezellen van Petrus, zijn buitengewoon verbaasd. Helemaal perplex zijn ze, dat de gave van de Geest óók aan de heidenen geschonken is, evenals aan hen. Wat een gewéldig moment van verzoening, van uitwissing van alle verschillen moet dat geweest zijn. Iedereen ziet en hoort het nu: er is geen verschil meer tussen Joden en volken. (Israël en de heidenen; laos en ta ethnè).

Let er op hóe snel Petrus is met zijn conclusies. "Zou iemand deze mensen het water van de doop kunnen weigeren? Mensen die net als wij de heilige Geest hebben gekregen?!" Als God deze heidenen heeft geaccepteerd en vernieuwd heeft door zijn Geest, dan móet de christelijke gemeente ze óók aanvaarden. Het is ook de énige reden waarom God Cornelius en zijn huis tot geloof brengt. Petrus en de christen-joden moeten wéten dat God hen de Heilige Geest geschonken heeft, op dezelfde manier zoals zij. Dat is een machtige reden dat ze gerechtvaardigd zijn, dat ze rein verklaard zijn voor God! Nog niét gedoopt, maar wél hebben ze de Geest al gekregen. Het is dus wel duidelijk dat zij door God aanvaard zijn en met Hem verzoend. Ze behoren dus dadelijk gedoopt te worden, deze heidenen die het woord van God aanvaard hebben. "Dompel ze onder en zet ze op de naam van Jezus", zegt Petrus!

En Petrus beveelt dat er water gehaald moet worden. En ze werden allemaal gedoopt in de naam van Jezus. Het teken van het water onderstreept dat er in Christus geen onderscheid meer is tussen Jood en heiden. Als Cornelius vraagt aan Petrus om nog een paar dagen te bij hen te blijven, dan doet hij dat. Je hoeft niet te vragen wat een fijne tijd die mensen met elkaar gehad hebben! God heeft de grenzen doorbroken. Hij heeft drempels weggenomen. Een nieuwe gemeenschap is gesticht.

Amen.


1 Vergelijk de vraag die ik in de vorige preek stelde. Wat betekenen die woorden dat wat God voor rein verklaard heeft, dat wij niet voor onrein mogen verklaren nu voor onze omgang met 'anderen', en voor de viering van het Avondmaal? De uitdrukking 'bij God is geen aanneming des persoons' is dus een andere zegswijze van de reinverklaring van wat onrein genoemd is.

2 Dit houdt ook in dat we niét mogen geloven in een christendom boven geloofsverdeeldheid, want dan zouden we tóch onderscheid maken tussen christenen. Of ook de gedachte dat de éne wereldsamenleving ons uiteindelijk zou kunnen redden van conflicten tussen volken en naties die veroorzaakt worden door 'aanzien des persoons'. Bij God is er geen aanzien des persoons.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar