Petrus en Cornelius (Deel 1: Wat Christus binnenhaalt uit de heidenen wordt erkend door de kerk)

Thema: Wat Christus binnenhaalt uit de heidenen wordt erkend door de kerk
Tekst: Handelingen 11: 18
Tekstgedeelte(n): Handelingen 11: 1-18
Door: Ds. D. Griffioen (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Amsterdam-Centrum)
Gehouden te: Amsterdam-Centrum op 5 mei 2002
Oegstgeest op 18 augustus 2002
Amsterdam-Zuidwest op 1 september 2002
Opmerking RJCV: Deel 1 van de prekenserie Petrus en Cornelius kan afzonderlijk van de andere delen worden gelezen. Het drieluik bestaat uit:
Petrus en Cornelius - 1: Het evangelie gaat over de grens van Israël,
Petrus en Cornelius - 2: De Geest stelt Petrus voor een voldongen feit,
Petrus en Cornelius - 3: Wat Christus binnenhaalt uit de heidenen wordt erkend door de kerk
Extra: Inleiding op de prekenserie: Petrus en Cornelius.

Aanwijzingen voor de Liturgie

Liturgische aanwijzingen:
Votum en zegengroet
Ps. 35: 9, 13 en Ps. 40: 4, 7
(Ochtenddienst: Wet)
(Ochtenddienst: Ps. 71: 1, 4, 14)
Lezen: Handelingen 11: 1-18
Ps. 111: 1-2
Tekst: Handelingen 11: 18
Preek
Lied 319: 1-5
(Middagdienst: Geloofsbelijdenis: Gez. 4)
Ps. 119: 24, 28 en Lied 312: 1-3
Zegen

Gemeente van onze Here Jezus Christus, broeders en zusters, lieve gasten,

Enige jaren geleden gebeurde er in witte presbyteriaanse kerk in het zuiden van Amerika het volgende. Tussen al die zondags geklede blanke kerkgangers schuifelde een sjofele zwarte man naar binnen en ging ergens midden tussen de mensen in een bank zitten. Johnny heette hij. Spoedig kwam de koster naar hem toe: "u bent hier verkeerd, denk ik, u hoort hier niet!" Daarop verliet de gast met gebogen hoofd de kerk en ging naar huis. De zwarte Johnny dacht thuis lang na over die gebeurtenis. "Waarom zou ik daar niet thuis zijn in die kerk? Laat ik het volgende week wéér proberen, maar dan zal ik een keurig net pak aan trekken, net zoals die andere kerkgangers!"
De volgende week schoof die zwarte Johnny, in keurig net pak gestoken, wéér de kerkbank van de presbyteriaanse kerk in. Wéér werd hij op z'n schouder getikt door iemand: "U hoort hier niet te zitten!" De net geklede zwarte gast verliet teleurgesteld de kerk.
Thuis dacht Johnny erover na. "De mannen dragen daar allemaal een stropdas. Misschien moet ik het volgende week een stropdas aandoen." De volgende week verscheen de zwarte Johnny strak in 't pak, mét stropdas in de kerk. Wéér werd bij het binnenlopen in de kerk tegen gehouden. "U hoort hier niet, meneer, u kunt beter gaan."
De zwarte Johnny dacht diep na en kreeg ineens een idee. Die kerkmensen hebben allemaal een prachtige boekwerk onder hun arm, zo'n bijbel met liedbundel, goud op snee in een etui van duur leer. Van z'n laatste spaarcentjes kocht hij een schitterend kerkboek en liep er de volgende zondag trots mee naar de kerk.
Voor de vijfde keer kreeg onze zwarte vriend een diepe teleurstelling te verwerken toen hij bij de deur werd tegengehouden.
Leeg, afgewezen en teleurgesteld droop de zwarte Johnny af. Thuis liet hij zich op z'n bed vallen en viel in slaap. In een droom verscheen de Heer Jezus aan hem en zei tegen de herhaaldelijk afgewezen man: "Je hoeft het niet te proberen om daar binnen te gaan, Johnny, want Ik heb het óók geprobeerd, maar Mij is het óók niet gelukt!"
Je hebt het dan over welke voorwaarden je moet stellen aan de mensen die van buiten de kerk zich aanmelden om 'binnen' te komen. Waar gaat het eigenlijk om? De vraag is: welke drempel leggen wij kerkbinnentreders voor de voeten? En welke eisen stelt Jezus Christus aan de kerk voor de toelating van nieuwe leden van buitenaf?

U denkt natuurlijk dat zo iets bij ons niet voorkomt! U zou het niet willen geloven, maar het komt bij ons óók nog voor. Subtieler misschien en meer verborgen, maar het komt wél voor!
Een nieuweling in de kerk stelde eens een heel onverwachte vraag aan mij. Hij was een paar jaar geleden op wonderlijke wijze tot geloof gekomen. Hij is van harte lid geworden van onze gemeente en doet echt aan alles mee. Hij is dagelijks zeer gelukkig dat hij Jezus Christus heeft leren kennen als zijn Verlosser en Heer. Toch vroeg hij op een bepaald moment aan mij: ben ik eigenlijk wel gereformeerd genoeg? Hoezo, wat bedoel je, vroeg ik hem. Ja, zei hij, ik heb het gevoel dat ik in mijn gedrag nog lang niet zo ver ben als alle leden in de kerk.
Van zo'n vraag kan je schrikken. Is het dan tóch waar dat je om 'er bij te horen', om lid van de gemeente te zijn 'in volle rechten' zoals wij dat noemen, een bepaald gedrag moet vertonen? Stellen wij - goed bedoeld weliswaar - aan álle kerkbinnentreders toch uiterlijke voorwaarden waar aan ze moeten voldoen voordat ze lid kunnen worden van de kerk?

Thema:

Ze hébben het, dus ze horen erbij!

De geschiedenis van de bekering van Cornelius (en van Petrus niet te vergeten!) leert ons dat er aan de buitenstaanders (de heidenen!) geen andere eisen gesteld mogen worden dan dat zij geloven! Dat zij geloven in Jezus Christus en die gekruisigd! Cornelius werd gedoopt, maar hij hoefde niet besneden te worden. Iedere 'messiasbelijdende Jood' van die tijd nam eigenlijk zondermeer aan dat je natuurlijk in Jezus moest geloven om 'erbij te horen'. Maar daarnaast gold dat je óók besneden moest worden, voordat je er écht bij mocht horen!
Let dus op dat Cornelius niet dat hele pakket van de Joodse rituelen en voorschriften doorgelopen moest hebben, tot en met de besnijdenis toe voordat hij door de 'ballotagecommissie van de gemeente' acceptabel gevonden werd. Hij is tot geloof gekomen en hij werd gedoopt. Toen hoorde hij er hélemaal bij!

Waarom deze gebeurtenis van die heftige uitslaande ruzie in Jeruzalem ons verteld wordt? Omdat de Geest aan Petrus en aan heel de gemeente in Jeruzalem duidelijk wil maken wat nu werkelijk de 'toelatingscriteria van de gemeente van Christus' zijn. Dat leren we vandaag in deze derde preek uit de serie Petrus en Cornelius. De Koning van de kerk stelt geheel geen eisen dan het geloof in Jezus. In de gemeente van Jeruzalem moest men dat nog leren. Hoe men dat geleerd heeft, dat horen wij vandaag.

Het bericht dat de heidenen het woord van God hebben aangenomen, verspreidde zich als een lopend vuurtje. De apostelen, de broeders overal in Judea hoorden ervan. Maar zoals het altijd gaat met geruchten, het nieuws van de bekering van Cornelius en zijn huisgenoten, ging op een bepaalde manier rond. "Heb je het al gehoord, er zijn heidenen tot geloof gekomen...!" "Ze zeggen dat Petrus in Caesarea in het huis van een heiden is geweest. Hij heeft er gelogeerd en heeft er zelfs met die heidenen gegéten ook! Het moet niet gekker worden! Is er dan niets meer heilig?"

Als de apostel Petrus na zijn toer langs Samaria, Joppe en Caesarea uiteindelijk weer terugkeert in Jeruzalem, ontstaat er een kletterende discussie. De verwijten slingeren door de lucht. Men verwijt Petrus dat bij onbesnedenen het huis is binnengegaan en zelfs met hen gegeten heeft! Zoiets doet men niet. Dat kán gewoon niet!

Het in huis gaan bij een 'onbesnedene' en daar de maaltijd gebruiken wordt heel zwaar aangerekend. In Lucas 15: 2 verwijten de Joodse leiders Jezus dat hij met zóndaren eet. Daar wordt bezwaar tegen gemaakt. Zoiets dóet men niet. Als je eet met zondaren en heidenen, dan doe je iets wat niet geoorloofd is. Dan heb je deel aan hun zonde!
Tafelgemeenschap onderhouden met heidenen, mensen 'die de voorhuid nog hebben', vergelijk Handelingen 10: 23, dat is 'not done'. Het druist in tegen álle gewoonten van die tijd.
De besneden joodse christenen wonden zich er gewéldig over op. En het zijn niet eens die lui 'van de besnijdenis-partij', of de extremisten, de fanatiekelingen, die Petrus daarover attaqueren. Het zijn gewone joodse christenen uit Jeruzalem die vinden dat Petrus minachting heeft getoond voor alle geldende reinheidsvoorschriften. Heidenen eten voedsel dat 'profaan is en onrein'. Dat past voor geen méter met de voedselbeperkingen uit Leviticus. Als je voet over de drempel zet bij een heiden, dan ga je je al te buiten aan een ceremoniële regel. Want een heidens huis kán nooit kosjer zijn.
Wij verbazen ons er over hoe fel de gemeenteleden in Jeruzalem reageren op het wonder van Cornelius.

De kardinale kwestie is dat ze er een punt van maken dat Petrus gedaan heeft alsof er nu helemaal geen verschil meer is tussen heidenen en Joden. Er is blijkbaar niemand die dolgelukkig is met het bericht dat de heidenen het Woord van God hebben aanvaard! Niemand die bij alle vragen die je kunt hebben bij zo iets nieuws, vooraf met overheersende dankbaarheid vaststelt: "Hé, broeders, er is een heiden tot geloof in Jezus gekomen! Laten we God er voor danken!" Men stelt zélfs niet de vraag of het wel op de goede gronden is gebeurd dat Petrus naar de heidenen is gegaan met het Woord van God. De aanval richt zich op Petrus persoonlijk. Dat hij bij onbesnedenen naar binnen is gegaan en met hen gegeten heeft... Dat is het grote grief in de gemeente van Jeruzalem.

Gaat het nu om een kleinigheid? Iets waarvan wij zeggen: moeten wij dáárover ruzie maken? Ja en nee. Het is tekenend dat men het in de gemeente van Jeruzalem zo hoog opneemt. Het laat zien dat men daar nog veel moet leren over de weg die Heer Jezus gaat om het evangelie bij de volken (= de heidenen) te brengen.
Dát de ruzie zo hoog oploopt, is omdat er achter die ordinaire discussie twee werelden botsen. Het is een levenskwestie voor de kerk op dat moment. De Joden hadden de idee dat de reinheidswetten zó strikt uitgelegd en nageleefd moesten worden dat je nooit bij een heiden over de drempel mocht gaan en al helemaal nooit met een onbesnedene mocht eten. Het punt is dat ze zelfs zó ver gingen dat ze hun eigen geïnterpreteerde regels als de wet van God handhaafden! En iedereen in de gemeente van Christus in Jeruzalem en Judea dacht er zo over.
De Joden die tot geloof in Jezus gekomen waren, én de apostelen, zijn tot op dat moment nog nóóit over de streep gegaan.

Een groot deel van het eerste deel van hoofdstuk 11 beschrijft wat Petrus gezegd heeft om zich te verdedigen. Het valt op dat hij er geen persoonlijke kwestie van maakt en zeer beslist niet spreekt over zijn persoonlijke ervaringen en eigen gevoelens. Hij zegt precies wát God gedaan heeft met hemzelf én met Cornelius de laatste vier dagen in Joppe en Caesarea. Hij begint met het visioen van het zeildoek met de gemengde dieren, dat uit de hemel neerdaalde. En die stem die tot Petrus sprak: "Vooruit, Petrus, slacht en eet!" En hij eindigt met het nieuws dat er zes broeders uit Joppe met hem meegegaan zijn naar Caesarea.

Het is aandoenlijk hóe Petrus aantoont dat de wet van God die scheiding maakte tussen joden en heidenen zijn tijd heeft gehad. Petrus wil maar zeggen: ik heb me aanvankelijk óók verzet tegen het omgaan met die heidenen. Maar, ik ben voor God zelf gezwicht. Ik die altijd keurig afstand heb gehouden tot de heidenen, ik heb geleerd dat ik niet voor onrein mag houden wat God rein verklaard heeft (vers 4-10).

De tweede reden is gelegen, zo zei hij, in het goddelijke bevel, meteen na het visioen met de gemengde dieren, om met de drie mannen die uit Caesarea gekomen waren, mee te gaan (vers 11-12). Petrus wil maar zeggen: ik ben niet op eigen houtje naar het huis van de heiden Cornelius gegaan, het was Gods Geest zelf die me bevel gaf erheen te gaan...

De derde reden die Petrus noemt is de goddelijke voorbereiding in het huis van Cornelius (vers 13-14). De van God gezonden engel droeg Cornelius op om iemand naar Joppe te sturen en te vragen naar Simon Petrus, die hem de boodschap van de redding zou zenden. De engel is aan Cornelius verschenen. De engel vertelde hem om boodschappers naar Joppe te sturen om Simon Petrus te halen.

In het vierde argument van Petrus waarmee hij zich verdedigt wordt zichtbaar dat de hele gebeurtenis in het plan van God past. Ook daaruit bleek duidelijk dat er sprake was van een goddelijke actie. De Heilige Geest is neergedaald op Cornelius en zijn huiskring, toen ik nog maar nét begonnen was met spreken, zegt Petrus. Dáármee was het voor hem en álle getuigen duidelijk geworden: God heeft óók de heidenen het geloof geschonken. Nu mogen wíj ze niet meer buitensluiten!

Petrus verwijst zelf naar de woorden van Johannes de Doper, die zei: "Jullie zullen gedoopt worden met de Heilige Geest..."
De conclusie van Petrus is duidelijk. Aan Cornelius en zijn verwanten is de Heilige Geest geschonken nét zoals aan ons. Wie ben ik dat ik God dan nog kan tegenhouden? En heb je het over het werk van de Geest, die in ons komt, die over ons komt, dan heb je het over het komen van de Geest zoals Hij ook op de apostelen gekomen was in het begin, op Pinksteren. Het werk van de Geest is door niemand tegen te houden. Dat werk valt niet te conditioneren, dat is duidelijk.

De argumenten van Petrus maken indruk op de opgewonden gemeente. Toen zij dit gehoord hadden, waren ze gerustgesteld. En zij kwamen tot rust. Het is toch duidelijk dat God geen onderscheid maakt tussen mensen uit het uitverkoren volk én de mensen uit de volken?

Ik wil dat u er van doordrongen bent dat Petrus die kort tevoren door ingrijpen van God zelf om gelegd moest worden en onder de overmacht van de feiten moest erkennen: Niemand kan toch het doopwater weigeren aan deze mensen die evenals wij de Heilige Geest ontvangen hebben? (Handelingen 10: 47). Hij gebruikt dit argument om zijn critici in Jeruzalem te mond te snoeren en om te leggen: Als God dus aan hen dezelfde gave heeft geschonken als aan ons toen wij in de Heer Jezus Christus gingen geloven, wie ben ik dat ik God had kunnen tegenhouden? Handelingen 11: 17.
Het binnengaan in een huis wat niet rein (kosjer) is geen overtreding van een aloud voorschrift meer. Omdat de Geest er al eerder in gegaan is, moet het voor iedereen duidelijk zijn dat het huis niet langer onrein of onheilig is. Pas als ze dit punt zien blijkt het voor de verontruste broeders in Jeruzalem geen punt meer te zijn. Ja, maar daar bleef het niet bij. Ik weet het wel dat wij veel punten, gevoelige punten in ons kerkelijk leven zo oplossen. Laat u/jou dit gezegd zijn. Dat ze niet alleen gerustgesteld zijn. Zij verheerlijkten God met de woorden: Blijkbaar heeft God ook aan de heidenen de bekering ten leven gegeven. Het wordt zonneklaar dat God ook aan mensen die buiten zijn de omkeer naar binnen geeft.

Wat dit allemaal voor ons te zeggen heeft?
Dit, dat het verhaal van de gelijktijdige bekering van Petrus én Cornelius geen incident is. Het is ook geen leuke anekdote over christen-joden die nog wat te strak in het vel van de thora (de wet) zitten. Of het eenmalige feit dat er ook eens iemand van buiten de gaven van de Geest mag ervaren.
Het verhaal van de bekering van Petrus én Cornelius is het verhaal dat God geen onderscheid maakt in zijn gemeente. Dat het evangelie óók voor de heidenen bestemd is. Dat de gemeente van Christus écht bestaat uit joden én heidenen die tot geloof in Christus Jezus gekomen zijn.

Het blijkt later dat de 'besnijdenis-partij' nog niet volledig overtuigd is. Dezelfde belachelijke reden om onderscheid te maken tussen heiden-christenen en joden-christenen komt later in Handelingen 15 nog weer terug. Het is in moderne vorm nog herkenbaar in de kerk in de vorm van racisme (alsof God een voorkeur heeft voor huidskleur of volk!), of in de vorm van kerkelijk nationalisme (right of wrong, it's my church!) of van sociale discriminatie (of je dat nu tribalisme noemt, of kastenstelsel, seksisme). We moeten er élke dag weer er aan herinnerd worden dat God geen onderscheid maakt tussen mensen naar ras, taal of cultuur. Dus geloven we wel zeker dat God geen aanzien des persoons kent? Handelingen 10: 34.

De geschiedenis van de bekering van Cornelius en Petrus toont ons dat zowel voor het Pinksteren van Handelingen 2 als het Pinksterfeest van de heidenen, Handelingen 10: 46, er geen ruimte is voor overschatting áls voor onderschatting van het werk van de Geest. Petrus vertelde het evangelie van Jezus Christus aan Cornelius, de man die tot bekering gekomen was, Handelingen 11: 18. Wat van Cornelius gezegd is, wordt afwisselend genoemd dat hij 'de gave van de Geest' ontvangen heeft, én dat hij 'gedoopt is met de Heilige Geest'. (respectievelijk Handelingen 10: 45-47, Handelingen 11: 17, én Handelingen 11: 16)
Het waterteken van de doop is het bewijs van zijn totale redding. De besnijdenis is niet meer nodig.

Denkt u, denk jij wel eens aan uw, jouw eigen bekering. Zou er verschil zijn met die van Cornelius? Ik denk het niet. Cornelius was een soldaat, maar is een zoeker geworden. Hij werd gevonden, bekeerd op het initiatief van God. In die zin is álles wat de Geest in jou en mij doet een overtuigend signaal van de kracht en werving van de Geest. Het evangelie is een kracht tot redding voor ieder die gelooft, allereerst de joden, maar ook de Grieken (=heidenen), schrijft Paulus later, Romeinen 1: 16.

God werkt aan twee kanten om mensen bij elkaar te brengen en ze te behouden. En ze tot rust te brengen, als de problemen hoog opgelopen zijn. God werkt door zijn Geest en Woord na Pinksteren in Joden én heidenen om ze het heil in Christus te brengen. Om ze elkaar te laten ontmoeten op het scherp van de snede. Letterlijk, want het mes van de Geest snijdt naar twee kanten. In de apostelen en álle verkondigers van het Woord is de Geest actief is om mensen te veranderen, én Hij verandert mensen van binnen uit, door ze de goede richting naar de gemeente te duwen.
God werkt in 'gewone' gemeenteleden zoals jij en ik. Hij duwt je als met een onzichtbare hand in de richting van de Heer. Tegelijkertijd worden de geroepen kinderen van God vervuld met de Geest om op u en jou af te stappen. Zo brengt de Geest mensen van twee kanten bij elkaar in de éne kudde. Een kudde waarin geen A en B leden zijn, maar alles en in allen in Christus.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar