| Thema: | God laat zijn gemeente waarschuwen voor stilstand in het geloof |
| Tekst: | Hebreeën 6: 4-6 |
| Tekstgedeelte(n): | Hebreeën 5: 11 - 6: 8 |
| Door: | Ds. J.B.K. de Vries (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Balkbrug) |
| Gehouden te: |
Vollenhove op 27 juni 1993 |
Aanwijzingen voor de Liturgie
Lezen:
Hebreeën 5: 11 - 6: 8
Tekst: Hebreeën 6: 4-6
Zingen:
Ps. 27: 7
Ps. 26: 2
Ps. 78: 1-3
Gez. 36: 2
Gez. 41
God is liefde. Dat is een bekende uitspraak uit de bijbel. Er zijn heel wat mensen, die bar weinig over de
bijbel weten, maar die deze tekst wel kennen. In die tekst komt inderdaad de kernboodschap van de bijbel naar
voren.
Die boodschap kent elke christen toch? Denk maar aan de tekst, die je uit je hoofd hoort te kennen, Johannes 3: 16:
Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem
gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.
In die tekst wordt het bewijs genoemd, dat God liefde is: De overgave van Jezus aan de kruisiging op Golgota. En
dat vergeten veel mensen, die zeggen: Volgens de Bijbel is God liefde, maar ik merk er niets van in deze wereld.
Dus heb ik niets aan zo'n God.
Nu lezen we in deze tekst uit Hebreeën ook niet veel over Gods liefde. De inhoud is eerder huiveringwekkend. Het
gaat over christenen, die afgevallen zijn en die onmogelijk weer tot bekering gebracht kunnen worden.
Vaak wordt dit de zonde tegen de Heilige Geest genoemd. Dat staat echter niet in de tekst. Het gaat hier niet om
een bepaalde zonde. Het gaat hier over afval. Een heel ernstige vorm van afval, waarover Gods oordeel komt.
Heeft dit nog wel iets te maken met Gods liefde? Daar zullen we het straks nog over hebben, als het evangelie
bediend wordt onder het thema:
God laat zijn gemeente waarschuwen voor stilstand in het geloof
|
De brief aan de Hebreeën, waar we uit gelezen hebben, is een merkwaardige brief. Wie de afzender is, weten we
niet. Want dat staat niet in de brief. Aan het slot van de brief wordt de naam van Timotheüs, de medewerker van
Paulus genoemd. De schrijver vertelt, dat Timotheüs in vrijheid gesteld is en dat hij samen met Timotheüs de lezers
zal bezoeken.
Vaak is gedacht, dat Paulus deze brief geschreven heeft. Maar dat is erg onwaarschijnlijk; want Paulus heeft in al
zijn andere brieven duidelijk zijn naam gezet. Ook staat aan het begin van zijn brieven, aan wie ze gestuurd zijn.
En dat ontbreekt hier.
De afzender is dus onbekend. Maar de geadresseerden zijn ook onbekend. Het is niet na te gaan, waar ze woonden. Er
is wel een verband met Italië, want de schrijver brengt de groeten over van de broeders uit Italië. Maar of de
schrijver daar woont, of de lezers, is niet uit te maken.
Gezien de inhoud van de brief is hij niet gericht aan een pas gestichte christelijke gemeente. Hij is voor mensen,
die al veel langere tijd christen zijn. Er wordt behoorlijk wat kennis van het christelijk geloof
verondersteld.
Het eerste onderwijs is lang geleden gegeven. Het onderwijs over Christus: Hij is de Messias, die in het Oude
Testament beloofd is. Hij heeft door zijn lijden en sterven aan het kruis de zonden betaald. De schuld bij God is
door Jezus Christus betaald.
In deze brief wordt Jezus de grote hogepriester genoemd, die de hemelen is doorgegaan. Hij is verzocht, maar heeft
niet gezondigd. Hij is door God geroepen tot dit ambt. Hij heeft het niet gezocht. Hij alleen is een oorzaak van
eeuwig heil geworden.
Het belijden van Jezus is geen kwestie van woorden alleen; het is ook zichtbaar in daden. Er komt bekering van dode
werken. In de andere godsdiensten hebben de daden, de werken van de mens een beslissende plaats. De schrijver noemt
dat echter: dode werken. De mens behoort door zijn daden het hiernamaals verdienen.
Dat is niet alleen in de heidense religies het centrale leerstuk; dat is ook zo in het jodendom. Jezus heeft zich
tegen die leer verzet. En daarom kreeg Hij de Farizeeën tegen zich. Die legden enorme nadruk op de goede werken van
de mens. Daarmee moest de gelovige jood het eeuwige leven verdienen.
Bij de Farizeeën kwam als eerste de gedachte op, dat Jezus uit de weg geruimd moest worden. Hij was een gevaar voor
Israël, want Hij had geen waardering voor de wet van God. Door die wet was de mens in staat de juiste daden te doen
om het heil te krijgen.
Jezus verwierp de wet als weg naar het eeuwige leven. De mens kan het eeuwige leven alleen door genade ontvangen.
De mens kan geen rechten opbouwen bij God met zijn goede werken; wat dat betreft zijn het dode werken; de mens kan
alleen smeken om genade.
God geeft die genade aan ieder, die Jezus belijdt als de Christus, de Messias, die het volkomen offer voor de
zonden heeft betaald. En die opgestaan is en naar de hemel gegaan om dat offer voor Gods troon te brengen.
Dat is de christelijke leer. Maar door die leer wordt het leven niet wetteloos. De christen leeft niet losbandig,
maar naar de geboden van Christus. De christen bekeert zich van dode werken. De daden, waarmee je volgens de Joden
het eeuwige leven verdient. Maar ook de daden, waarmee je volgens de heidense godsdiensten het eeuwige leven
krijgt.
De christen volgt Christus na. De vreugde over de verlossing kan niet anders blijken dan in een christelijk leven.
Een leven volgens de goede regels, die Christus heeft doorgegeven. Dat was een opvallend leven in de heidense
wereld van die tijd.
Die wereld was in religieus opzicht erg verdraagzaam. Alle mogelijke godsdiensten werden getolereerd. Mensen waren
vrij de godsdienst van hun keuze te beleven. Als ze de keizer maar erkenden als Heer en Heiland.
En dat kon men heel simpel bewijzen door wat wierook te branden voor de keizer. De christenen deden daar echter
niet aan mee. En op den duur kwam hun dat te staan op de beschuldiging van heiligschennis en majesteitsschennis. Ze
werden steeds meer als staatsgevaarlijk beschouwd.
Verder hielden de christenen zich afzijdig van allerlei andere zaken, die heel normaal gevonden werden. Met de
godsdienstige feesten van andere religies meedoen, vond men heel gewoon. Daar kregen de deelnemers zegen door de
offers aan de goden, geloofde men. Ook als dat goden waren, die ze zelf niet vereerden.
De christenen deden daar niet aan mee. Die hadden hun eigen godsdienstige feesten, die hadden het heilig avondmaal.
En ze sloegen uitnodigingen voor andere godsdienstige feesten af.
Ook op het terrein van de seksualiteit waren ze strak, volgens de heidense opvattingen. Seksuele omgang buiten het
huwelijk werd in de heidense wereld als heel normaal ervaren. Daar waren zelfs speciale tempels voor met aparte
priesters en priesteressen. Maar de christenen hielden zich daar afzijdig van.
Ook was opvallend, dat in de christelijke gemeente verschillende sociale groepen samen gingen. Slaven en meesters
volgden dezelfde eredienst, zaten aan dezelfde avondmaalstafel. Er was een grote saamhorigheid onder de christenen,
al waren ze afkomstig uit allerlei lagen van de maatschappij.
De waarschuwende woorden van deze tekst zijn geschreven aan mensen, die gekozen hadden voor Christus en de
christelijke gemeente. Leden van de christelijke kerk in een stad, die we niet kennen. In een tijd, dat de publieke
opinie en de staat zich al tegen de christenen beginnen te keren.
De eerste vervolging is dan al geweest; dat was in het jaar 64 onder keizer Nero in Rome. Petrus en Paulus zijn als
martelaren gestorven. De tweede vervolging staat vermoedelijk voor de deur. Die was onder keizer Domitianus. In die
tijd is de apostel Johannes naar Patmos verbannen.
De tijd van verdraagzaamheid voor de christelijke kerk is voorbij. De christenen worden steeds meer als een gevaar
voor de staat gezien. Ze doen niet mee met de keizerverering. Ze doen niet mee in circus en theater. Ze zijn de
maatschappij vijandig gezind; ze zijn een bedreiging, meent de massa.
Deze brief is geschreven aan mensen, die toch gekozen hebben voor Christus en zijn kerk. Ze hebben gebroken met het
joodse of het heidense leven. Ze horen bij de steeds meer geminachte en gehate minderheid van de christenen.
De schrijver heeft het over mensen, die eens verlicht zijn geweest. Het evangelie wordt vaker vergeleken met het
licht in een donkere wereld. Ze hebben het evangelie aanvaard.
Ze hebben van de hemelse gave genoten. Ze zijn blij geweest, omdat ze Gods genade gekregen hebben. Omdat Christus
al hun zonden betaald heeft. Hun schuld is helemaal weg. Er is geen angst meer voor God; Hij is hun Vader.
Ze hebben deel gekregen aan de Heilige Geest. Want door de Geest konden ze Jezus belijden als hun Heer en Hem
volgen. Ze hebben het goede woord van God en de krachten van de toekomende eeuw gesmaakt.
Ze waren blij met het evangelie van het kruis. Het evangelie van verlossing zonder menselijke prestaties. Het
evangelie van Gods liefde en genade. Ze hebben de krachten van de toekomst gevoeld, de krachten van het eeuwige
leven.
Ze waren er zeker van, dat hun bestaan niet zou eindigen in de dood en een voortbestaan als ziel, maar in
opstanding en eeuwig leven. Het christelijk geloof was geen aardige theorie voor hen, maar levende werkelijkheid.
Ze hadden zich bekeerd.
En voor zulke mensen heeft de schrijver van deze brief de indringende waarschuwing geschreven, die we gelezen
hebben.
De waarschuwing van het evangelie gaat dus niet alleen naar mensen, die zich aan God en Christus niets gelegen
laten liggen. Die gaat niet alleen naar de aanhangers van de niet-christelijke godsdiensten.
Die gaat ook naar de christelijke gemeente. Zoals die christelijke gemeente in de eerste eeuw in een onbekende
plaats. Die waarschuwing gaat ook naar de christelijke gemeente van de twintigste eeuw.
Je leeft in een tijd, waarin de christelijke waarden in de samenleving stukje bij beetje afgebroken worden. De
christelijke levensstijl wordt beschouwd als een ouderwetse zaak. Een kwestie van tijd; dan verdwijnt die vanzelf
wel. Dat sterft wel uit.
De keus voor het christelijk geloof is een keus van de minderheid in de Nederlandse samenleving. Een minderheid,
die steeds meer invloed en macht moet prijsgeven. Er worden meer kerken gesloten, dan gebouwd.
Wie dan toch blijft meedoen in de kerk van de Here Jezus Christus, hoeft toch niet zo'n indringende waarschuwing te
krijgen? Dat meedoen met de minderheid is toch al veelzeggend genoeg?
Maar zo lag dat ook voor de christelijke kerk, waaraan deze brief gestuurd werd. Daar was de bedreiging nog veel
groter dan in de moderne maatschappij. Daar kon je vanwege je christen-zijn voor de rechter gebracht worden. En een
veroordeling was heel waarschijnlijk.
Zo dreigend is het in ons land nog lang niet. Allerlei organisaties kunnen op levensbeschouwelijke grondslag hun
werk doen. Het gereformeerde leven kent gelukkig ook heel wat van die instellingen. In het onderwijs en de
politiek, op maatschappelijk terrein. Dat dit nog kan, is reden om God te danken.
Maar de waarschuwing van het evangelie mag je daarom nog niet naast je neer leggen. Die waarschuwing is bedoeld als
hulp, ook als het de kerk nog redelijk goed gaat. Die waarschuwing geldt ook onze kerken, waar nog wel groei te
constateren valt.
Laat er geen zelfgenoegzaamheid zijn. Denk niet: Deze waarschuwing is voor anderen, waar het niet goed gaat. Voor
kerken, die duidelijk te lijden hebben van leden-verlies en achteruitgang. Het evangelie waarschuwt voor hoogmoed
en zelfvoldaanheid. Het is de waarschuwing voor de ondergang. Die waarschuwing is nodig en daarom heeft God die
gegeven.
De schrijver van deze brief klaagt zijn lezers aan. Ze zijn traag geworden. De vaart is er uit. Ze zijn al
zolang christen; ze weten al zoveel, dat ze in staat moeten zijn de christelijke leer uit te dragen. Ze hebben
catechisaties gevolgd. Jarenlang hebben ze de preken gehoord. Hun kennis moet nu toch wel groot zijn.
Ze moeten er op uitgestuurd kunnen worden om het evangelie te brengen aan mensen, die het nog niet gehoord hebben.
Ze behoorden naar de tijd gerekend leraars te zijn. Ze zijn al zolang christen, dat ze anderen kunnen uitleggen,
wat het christelijk geloof inhoudt.
Maar ze missen de evangeliserende houding. Ze hebben een houding van: We weten het allemaal al. Ze lopen er niet
meer warm voor. Dat is te merken in de kerkdiensten. Die worden minder goed bezocht dan vroeger. Er zijn
gemeente-leden, die niet meer trouw komen.
De schrijvers vergelijkt hen met baby's. Ze zijn nog niet aan vast voedsel toe; dat kunnen ze nog niet verdragen.
Ze zijn nog aangewezen op de moedermelk. Terwijl ze al lang volwassen hadden moeten zijn en vast voedsel
gebruiken.
De eerste beginselen van het christelijk geloof hebben ze zich toch niet echt eigen gemaakt. Het leeft niet meer
voor hen. En dan zijn ze eigenlijk nog niet toe aan verdieping van hun geloofskennis.
De schrijver gaat die eerste beginselen over bekering, geloof, doop, handoplegging, opstanding en eeuwig leven niet
herhalen. Dat kunnen de ambtsdragers in de gemeente ongetwijfeld heel goed. Hij hoeft geen overbodig werk te
doen.
En daarom gaat hij verder met het uitleggen van het evangelie. Hij heeft het al over Christus als hogepriester
gehad. In hoofdstuk 7 gaat hij daar verdere uitleg over geven. Het inzicht in het evangelie moet groeien; een
herhaling van wat al bekend is, kan hij aan de ouderlingen overlaten.
Maar voor hij verder gaat, waarschuwt hij heel indringend. Dat is niet zomaar een waarschuwing. Die waarschuwing
gebeurt vanwege de toestand in de gemeente. Die wordt gekenmerkt door verslapping.
Er is geen groei in het geloof, maar er is stilstand. Men is echter wel gevoelig voor nieuwe ideeën. Ideeën, die
met het evangelie overeen lijken komen, maar die daar in werkelijkheid mee in strijd zijn.
Het eerste enthousiasme is gedoofd. De groei in het geloof is tot staan gekomen. De wereld, waarin ze leven, begint
vat te krijgen op de leden van de gemeente. Het anders leven wordt te veel en te zwaar. Het voortdurend oproeien
tegen de stroom in, maakt hen moe. Ze halen geen energie meer uit het evangelie om vol te houden.
Het christelijke leven dreigt een futloos leven te worden, een stukje sleur. Alles loopt nog wel. Er wordt nog wel
gebeden, maar de gedachten zijn er amper bij. De kerkdiensten worden nog wel bezocht, maar niet trouw meer.
Catechisaties worden nog wel gegeven, maar het grote belang ervan niet meer gezien.
Het christelijke leven is ingezakt. Het sleept zich wat voort, maar inzet, blijdschap, activiteit - dat ontbreekt.
En daarom moet de schrijver zo scherp waarschuwen.
Het is heel moeilijk de kerk van toen en van nu exact te vergelijken. Daarvoor weten we toch te weinig van de
gemeente, die oorspronkelijk deze brief kreeg. Maar God vond deze brief belangrijk genoeg om hem voor alle eeuwen
aan de kerk door te geven.
Soortgelijke gevaren als toen zijn er altijd geweest. Vreugde, die verwordt tot sleur. Enthousiasme, dat gedoofd
is.
Ook nu zijn er zaken, die zorgen baren. De financiële positie van de kerk kan vaak als graadmeter dienen voor het
geloof. Het is gelukkig niet elk jaar een groot probleem. Maar laten we eerlijk zijn: Door de jaren heen komt het
telkens weer terug.
Het lukt uiteindelijk toch wel, maar met moeite. En we vragen ons af: Hoe zou het resultaat zijn van de collecte
van vorige week? Het beste maar hopen! Vraag jezelf maar eens af: Heb ik echt goed gegeven? Of had ik andere
plannen met mijn geld i.v.m. mijn vakantie b.v.?
Wat zijn de ervaringen bij het vervullen van vacatures in de kerkeraad? Is het kenmerkend voor de gemeente, dat er
massaal aan bijbelstudie gedaan wordt? Zodat er meer dan genoeg bekwame broeders zijn, die kandidaat gesteld kunnen
worden?
Wat gebeurt er op de bijbelstudie-verenigingen voor de jeugd? Wordt er gewerkt om een beter inzicht te krijgen in
wat de Here je in het evangelie vertelt? Of gaat het er om gelijk te krijgen in één of ander kwestie van
tekstuitleg? Of ga je, omdat je ouders het willen in de hoop, dat de bespreking zo snel mogelijk afgelopen
is?
Of probeer je op de verenigingen voor de jongeren de leider of leidster het leven moeilijk te maken? In plaats van
te proberen meer te leren over de Bijbel? En ouders, wat houd je je kinderen voor, als het om het verenigingswerk
gaat?
Wat betekenen de kerkdiensten? Hou je ook bij hoeveel minuten de diverse onderdelen van de dienst duren? Vind je de
beste diensten de kortste? Weet je ook al heel goed, dat er nergens in de bijbel staat, dat je twee keer naar de
kerk moet?
Vind je, dat af en toe eens uitslapen op zondagmorgen best kan? Want zaterdagavond moet je toch je ontspanning
hebben. Zeker als je een hele week hard gewerkt hebt.
En kun je dat ook zo goed beredeneren? Want dat kan! Dan zeg je: Je kunt beter één keer goed luisteren en de preek
in je opnemen, dan twee keer, waarbij er niets blijft hangen. Daar is niets tegen in te brengen.
Maar de fout in al dergelijke dingen zit hierin, dat je je dan zo weinig mogelijk geven wilt. Het probeert met een
minimum. Christen zijn en als christen leven, dat hoort er toch eigenlijk wel bij. Dat past in onze streek; wat dat
betreft is er een groot verschil tussen de grote steden in het westen en onze omgeving.
Hier is de kerkelijkheid nog groot. Maar als dat gepaard gaat met een minimale inzet; als de gedachte leeft: Niet
overdrijven, niet te ijverig, niet te royaal. Met minder kun je ook nog wel verantwoord christen zijn - dan zit het
grandioos mis.
O, dan ben je niet prompt een ongelovige geworden. Maar dan heb je hier wel de waarschuwing van het evangelie. Die
was toen ook gericht tegen christenen en niet tegen mensen, die zich onttrokken hadden.
Christen willen zijn met zo weinig mogelijk inzet - dat was het grote gevaar bij de lezers van deze brief. Het
gevaar van de stilstand in het geloof. Stilstand betekent achteruitgang. En daarvoor waarschuwt de Here hier.
De schrijver van deze brief waarschuwt zijn lezers. De verslapping in het geloof betekent achteruitgang. Als het
geloof niet groeit, maar kwijnt, kan het ook wel eens verdwijnen.
Er bestaat geen automatisme: Eens christen, altijd christen. Eens gelovig, altijd gelovig. Eens belijdenis gedaan,
voor eeuwig behouden. Het geloof moet gevoed worden, moet groeien, want anders gaat het dood.
En dan komt de afval. Dan komt het verzet tegen het evangelie en de ontrouw. Dan wordt de keus gedaan voor de brede
weg, in plaats van de smalle weg. Onbewogenheid, kilheid en sleur kunnen uiteindelijk geen standhouden. Door het
evangelie stelt God je voor een radicale keus: Voor of tegen!
Wie het evangelie in al zijn grootheid heeft gekend, geloofd, ervaren en beleden en daarna nee zegt tegen Christus,
kan niet opnieuw tot geloof gebracht worden. Dat is de waarschuwing hier.
Stilstand in het geloof, verslapping; die situatie kan zo niet blijven. Er zit een ontwikkeling in. Het kan een
ontwikkeling zijn van bekering en herstel van het geloof. Het kan ook een ontwikkeling zijn naar de definitieve
afval.
De schrijver waarschuwt dus om vooral niet licht te denken over de inzinking van het geloof. De gemeente-leden
moeten niet gaan redeneren, dat dat vanzelf wel weer over gaat. Dat het allemaal wel goed komt.
Het kan ook de andere kant op gaan. De kant van de definitieve breuk met het evangelie. Een onherstelbare breuk.
Daar waarschuwt God ook voor op andere plaatsen in de bijbel. In Jesaja's tijd leek het uiterlijk wel mee te
vallen. Maar innerlijk had het volk een weerzin tegen God en zijn verbond.
De prediking van Jesaja zou dat volk brengen tot een duidelijke keus. Voor de meerderheid was dat een definitieve
keus tegen het evangelie van Gods liefde. En Gods oordeel daarover zou bestaan in verharding.
De schrijver van de Hebreeën-brief waarschuwt hier voor hetzelfde gevaar in de christelijke gemeente. Er bestaat
een vorm van afval, die door God met verharding gestraft wordt. Eerst verslapping, dan loslaten van het evangelie.
Dat kan ook in de christelijke gemeente uitlopen op de straf van verharding.
Mensen, die zich eerst niet willen bekeren, en zich later niet meer kunnen bekeren. De breuk met het evangelie kan
zo groot zijn, dat dat gelijk staat met het opnieuw kruisigen van Christus; en zo met het bespotten van
Christus.
Eerst Christus belijden als Heiland der wereld, Hem volgen, en Hem dan later toch weer afschrijven. Eerst zich door
de Geest laten leiden en later zich fanatiek verzetten tegen de Geest. Dan kan God je hart ontoegankelijk maken
voor de Geest.
Jezus heeft het zelf gehad over ranken aan de wijnstok, die geen vrucht dragen, en die er afgesneden worden. Eerst
bij Jezus horen, maar geen vruchten dragen en daarom tenslotte verloren gaan.
Jezus heeft het ook gehad over de kinderen van het Koninkrijk, die uitgeworpen worden in de buitenste duisternis.
Ze hebben erbij gehoord, maar ermee gebroken.
De schrijver van deze brief maakt een vergelijking met een stuk bouwland. Als daarop nuttige gewassen groeien,
blijft het in gebruik als bouwland. Maar als er onkruid op groeit, is het waardeloos en gaat de brand erin. Het is
één van beiden: zegen of vloek.
Het is niet zijn bedoeling de lezers tot wanhoop te brengen. Het is niet zijn bedoeling te zeggen: Iedereen, die
ooit lid van de kerk geweest is en met het geloof gebroken heeft, is reddeloos verloren.
Maar hij waarschuwt: Ga niet gewoon door, als er verslapping in het geloof is. Verslapping kan tot afval leiden. En
er is afval mogelijk, die door God gestraft wordt met onbekeerlijkheid. Dat is niet automatisch zo, maar dat gevaar
bestaat wel degelijk.
Ga verantwoord om met het evangelie, dat je gekregen hebt, met het geloof, dat God je geschonken heeft. Wat doet
het in je hart en je leven, dat je Jezus kent, die zich liet kruisigen voor je zonden?
Pas er voor op, dat een vanzelfsprekende zaak te vinden. Kijk uit, dat je het geloof en het heil niet als je
rechtmatig eigendom ziet. Als je je geloof niet onderhoudt, als je het niet voedt, kun je het voor eeuwig kwijt
raken.
Probeer niet met het minimale christen te blijven. Je kunt dat minimum ook voor altijd verliezen. Als er zo weinig
liefde is voor de Vader, die zijn Zoon voor je liet sterven, dan kan die Vader je straffen met ongeloof en
onbekeerlijkheid.
Ga wijs om met het evangelie van Gods liefde. Laat je geloof groeien. Neem daar tijd voor, want daardoor krijg je
de krachten van de eeuwige toekomst. Bezuinig niet op het evangelie en op het volgen van Christus. Want die
zuinigheid bedriegt de wijsheid.
De echte wijsheid kiest royaal voor het evangelie en probeert niet het te redden met het minimum. Want de Vader
zelf probeerde het ook niet met het minimum voor je. Hij gaf het maximum, het allermeeste, het liefste: Zijn eigen
Zoon.
Amen.
http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar
© Copyright Preken die Spreken / Speaking Sermons / Pregação Viva,
1997-2012.
Niets uit deze uitgave mag gepubliceerd of vermenigvuldigd of openbaar
gemaakt worden in welke vorm dan ook, zonder de voorafgaande schriftelijke
toestemming van Richard J.C. Vos en de bijdragende predikant. Voor vermenigvuldiging
ter voorbereiding van, en openbaarmaking tijdens diezelfde zondagse eredienst,
of ter voorbereiding van bijbelstudie(bijeenkomsten) is geen toestemming nodig.