Maria en Marta (Deel 2: Jezus is de opstanding en het leven)

Thema: Jezus is de opstanding en het leven
Tekst: Johannes 11: 21-27
Tekstgedeelte(n):

Johannes 11: 1-44

Door: Ds. M. Tel (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Bunschoten-Oost)
Gehouden te:

Bunschoten-Oost op 27 januari 2002
Mijdrecht op 10 maart 2002
Ede-Noord op 17 maart 2002

Opmerking RJCV: De delen van de prekenserie Maria en Marta kunnen afzonderlijk van elkaar gelezen worden. De preken passen vooral in de lijdenstijd, en de tijd vlak daarvoor. De prekenserie bestaat uit:
1: Luc10v38 - Wees eerst een Maria, en dan pas een Marta
2: Joh11v21 - Jezus is de opstanding en het leven
3: Joh12v01 - Jezus is arm geworden, om ons rijk te maken
Extra:

Inleiding op de prekenserie Maria en Marta.

Aanwijzingen voor de Liturgie

Votum en zegengroet
Ps. 139: 1-2
Ps. 139: 3-4
Collecte
Lied 221: 1-2
Lezen: Johannes 11: 1-44
Tekst: Johannes 11: 21-27
Ps. 36: 2-3
Ps. 135: 12
Zegen

Gemeente van onze Here Jezus Christus.

Leef jij wel echt. Met die vraag wil ik u bezig houden vandaag. Wanneer leef je nou eigenlijk echt? Als je het goed hebt in je leven? Een goed leven? Een feestelijk leven? Of leef je echt, wanneer je het juist moeilijk hebt? Als je je leven doorleefd hebt, bij moeiten hebt stilgestaan. Echt leven. Als jongere kan het je zomaar eens gevraagd worden, als je serieus wilt zijn, en groeien wilt in geloof. Ja, maar leef jij eigenlijk wel? Er is toch meer dan God en kerk. En als je ouder wordt, word het je van alle kanten voorgehouden: Zorg je wel dat je later ook echt leven kunt? Dat je wat opzij legt. Zodat je later kunt genieten van alle mooie dingen. Zeg maar, met een oude reclame, het Zwitserlevengevoel. En als je dan voortijdig alleen komt te staan? Of er treedt ziekte op. Leef je dan wel echt?

In onze maatschappij wordt veel waarde gehecht aan een goed leven. Een leven wat waard is om geleefd te worden. Waarin je goed verzorgd bent. Een maatschappij waarin de notitie eeuwig leven niet meer echt leeft. Dat telt niet meer zo. Hier moet je het voor elkaar hebben. In hoeverre heeft dat zijn weerslag op mij, dat ik het hier goed heb? Dat ik 2,5 keer modaal moet verdienen. Natuurlijk. Eeuwig leven is er ook nog. Dat geloof ik wel. Maar dat is straks. Als ik dood ga. Ik geloof, dus na dit leven is het leven ook verzekerd. Maar nu een goed leven. En eeuwig leven komt later.
Het wordt zo gauw een sluitpost. Een vergeetpost. Straks. Eerst hier alles rond.

Dat kun je Marta niet verwijten. Dat ze van Opstanding en eeuwig leven een sluitpost maakt. Ik weet het, Here, dat Lazarus zal opstaan, op de jongste dag. Het lijkt wel, of zij het ook ver weg schuift. We zijn altijd geneigd om het zo te lezen: daar heb ik nu niet zoveel aan. Nu is Lazarus dood. Toch ga ik een lans voor Marta breken in deze preek. Veel mensen denken over de woorden van Marta negatief in dit stuk. En natuurlijk heeft ze het allemaal niet op een rijtje, precies, hoe het zit. Natuurlijk zit ze omhoog met haar verdriet, en met haar vragen. Maar haar geloof blijft staan, door alles heen. Ik weet. Ik weet. Twee keer. 'Geloof je dat, Marta?' 'Ja. Ik geloof.' Nee, eeuwig leven is bij Marta geen sluitpost. Zij gelooft in de opstanding. Wat Jezus wel doet bij haar, is dat geloof nog meer op zichzelf betrekken. Geloof in Mij, zegt Hij. Daar draait het om. Wanneer leef je echt? Wanneer je gelooft dat Ik de Opstanding en het Leven ben. Dat is de kern van deze geschiedenis.

Jezus is de opstanding en het leven

Daar gaat hoofdstuk 11 over. Dat Jezus de opstanding is. We denken dat het in Johannes 11 over opstanding van Lazarus gaat. Zo staat het er ook boven. En daar komt het verhaal uit. Maar als Lazarus is opgestaan, zijn de belangrijkste lessen al geleerd. Jezus leert die belangrijkste lessen, door expres te laat te komen. Hij maakt het spannend. Hij is een heel eind van Bethanië vandaan. Zeker een dag lopen. En Hij krijgt bericht. Lazarus is ziek. U houdt toch zo van Hem. Kom gauw. Maak Hem beter. Maar wat doet Jezus? Hij blijft nog eens twee dagen. En pas als Hij weet dat Lazarus dood is, gaat Hij naar Maria en Marta toe. Hij neemt er ook nog de tijd voor. Er zit waarschijnlijk een sabbat tussen. Als Jezus aankomt is Lazarus in ieder geval al vier dagen dood. Nou, dan weet je het wel. Daar is niks meer aan te doen. Natuurlijk, Jezus heeft wel eens doden opgewekt. Maar die waren nog maar net dood. Maar vier dagen. Dan begint het te stinken, daar in dat warme land. Het lichaam begint al te ontbinden. Daar is geen redden meer aan. Waarom heeft Jezus zo lang gewacht. Wij weten het. We zullen Gods heerlijkheid zien, zegt Jezus. Hij gaat iets geweldigs doen. Wij weten het, Lazarus staat weer op. Maar zij niet. Zij zijn in verdriet. In Israël hebben ze zeven dagen rouw. En ze zijn dus nu al op de helft. En hoe vaak zullen ze het tegen elkaar gezegd hebben: Oh als Jezus nou maar hier geweest was. Misschien vlak na zijn dood. Wat had Hij niet kunnen doen. Maar nu is het te laat. Als Hij hier geweest was… Marta en Maria zeggen het tegen Jezus, allebei, met dezelfde woorden.

Ja, Jezus bouwt de spanning op. En valt Marta nu door de mand. 'Here, als U hier geweest was, zou mijn broer niet gestorven zijn.'? Het klinkt als een verwijt, ongeloof. Maar dat is het niet. Haar tweede zinnetje spreekt boekdelen. 'Maar ik weet dat God U geven zal, alles wat U van God vraagt.' Natuurlijk zijn er vragen. Natuurlijk weet ze niet hoe het verder moet. Natuurlijk had Jezus het anders kunnen doen. Maar geen twijfel aan Hem. Jezus is is immers zo dicht aan God verbonden. Je hoort het, twee keer het woordje God in haar zinnetje. Nee, alles wat Hij wil, dat zal gebeuren. Ik denk niet dat het een verkapte vraag is om Lazarus alsnog op te wekken. Daarvoor schrikt ze in vers 39 teveel. Niet de steen eraf. Nou kan het niet meer. Het lichaam is al in de ontbindingsfase. Geen vraag om opstanding. Maar wel, en dat is veel mooier eigenlijk: alles gewoon in de hand van Jezus leggen. Alles wat U begeert, dat kan gebeuren. Alles wat Jezus wil dus. Niet mijn wil, maar uw wil. Ze legt het in zijn handen. Onbeperkt. Wat wij willen, kan niet meer. Lazarus beter. Maar wat U wil, kan altijd. En daar heb ik vertrouwen in.

Dit leert ons veel over bidden, broeders en zusters. Wat een vragen, wat een niet begrijpen bij ons vaak. Waarom zo. Als dit of als dat. Maar het is niet zo. Vragen die leven. Vragen die je kan stellen ook. Doet Marta ook. Leg het maar bij de Here neer. Al het onbegrip. Dat wil Hij horen. Maar je mag het doen in vertrouwen. 'Alles wat U wilt, dat gebeurt. En dan is het goed. Want wij kennen U.'
Wij kijken hier achter de schermen. Wij horen dat Lazarus is opgestaan. Wij weten waarom Jezus die vertraging heeft ingebouwd. Wij weten veel beter dan Marta, dat het goed komt. Laat dat een gebedsles zijn. Als er niet gebeurt wat wij willen. Als God vertraagt, het komt maar niet. Misschien heeft Jezus expres een vertraging ingebouwd. Misschien wil Hij nog meer dan ik kan bevatten. Misschien wil Hij mijn gebed nog veel mooier verhoren dan ik in mijn hart voel dat ik dit van Hem begeer. Durf het over te geven. Je vragen zijn bij Jezus veilig. Het antwoord is veilig bij Hem ook.

Christus beschaamt Marta's vertrouwen niet. Geen berisping, over haar vraag. Nee, Hij ondersteunt dit geloof. Hij gaat er wel mee aan de gang. Heel subtiel buigt Hij dat geloof om. Van alles wat Jezus kan en wil, gaat Hij het ombuigen naar Zichzelf. 'Niet wat er uit mijn handen komt, maar geloof je in Mijzelf? Niet om wat Ik doe, maar om wie Ik ben.' Heel subtiel. Hij maakt een opmerking. Lazarus zal opstaan, Marta. Het klinkt als iedere jood die bij Marta en Maria thuis kwam. 'Gecondoleerd, Marta. Maar wij kennen de toekomst, hè? Het graf is het einde niet!' Een normale condoleantie. Zo reageert Marta er ook op. 'Dat weet ik. Hij zal opstaan op de laatste dag.' Dat geloofde iedere rechtzinnige jood. En Jezus zelf had het ook gezegd. In Johannes 5: 29. Ze zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, als Gods uur komt. Ze zullen leven. Dat geloofde Marta met heel haar hart. Daar putte ze troost uit. 'Bedankt voor de condoleantie, en ja, ik weet het. Lazarus zal opstaan op de jongte dag.'

Zo brengt Jezus haar al zover dat ze van het geloof in de opstanding getuigt. Maar nou nog een stap verder. 'Weet je wel waar je het over hebt, als je het over opstanding hebt, Marta? Ik ben het. Ik ben de opstanding en het leven.' Ik ben - hoe vaak horen we dat niet van onze Here? Ik ben het brood des levens. Ik ben de goede herder. Ik ben het levend water. Bekende woorden. Hij zet zichzelf daarmee op de voorgrond: 'Ik ben het. Ik ben het leven. Ik ben de Opstanding.' Jezus wil hier iets heel radicaals. Wij weten wat er volgt. Lazarus zal opstaan. Zelfs al is het de vierde dag. Zelfs al stinkt het al in het graf. Wij weten het. Maar Marta nog niet. Die moet onvoorwaardelijk in Jezus geloven. Ze weet alleen dat Hij te laat is gekomen. En misschien snapt ze ook wel, dat Hij helemaal niet zoveel haast heeft gemaakt. Maar toch: geloof je in Mij? Ook al heb je geen opstanding, zelfs geen genezing gezien. Geloof je dat Ik het Leven zelf ben? Zo kunnen geloven. Hou je dwars door je verdriet, je onbegrip heen, aan Mij vast.

Dat is geloven, broeders en zusters. Jezus schuift al onze zaakjes aan de kant. Al ons verdriet. Al onze belangrijke dingen. Al onze zaken waarvan we denken: dat is nou echt leven. Hij kent de afloop al. Wij niet. Maar voor de afloop vraagt Hij al: Geloof je in Mij. Niet om wat je ziet. Niet omdat je de afloop al kent. Maar gewoon, om Mij zelf. Omdat Ik de opstanding zelf ben. Voor Marta nog een veel zwaardere klus dan voor ons, trouwens. Wij weten niet alleen van Lazarus. Wij weten boven alles van Jezus. Die zondagmorgen. Toen het graf openging door de Goddelijke druk. Toen er alleen maar lijkkleden overbleven. Toen Jezus opstond. Toen Hij zijn discipelen tegenkwam. Ik ben de Opstanding. Ik ben het Leven. Wie anders? Wij weten het. En nou moet je er dus ook bij zijn. Echt leven, dat krijg je alleen van Mij. Hij zegt het prachtig, wat er gebeurt, als je in Hem gelooft. Onvoorwaardelijk. Niet omdat je gezien hebt dat het goed komt. Maar gewoon omdat je Hem vertrouwt. Wie gelooft, zal leven, ook al ben je gestorven. Wie leeft en gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven.

Twee parels van zinnen. De eerste voor de gestorvenen. Lazarus natuurlijk. Maar al die anderen. Je vrouw of je moeder, te vroeg naar het graf gebracht. Je kind, waar je niet eens mee kennis hebt kunnen maken. Je ouders die de leeftijd hadden. Allemaal. Ook al zijn ze gestorven. Ze zullen opstaan. En een heerlijk leven hebben. Dat is de eerste groep. Maar nou een stap verder. Nou de levenden ook. Als je leeft en gelooft, zul je in eeuwigheid niet sterven. Marta, helemaal levend voor Hem. Maria, die straks aan komt draven. Jansen, in het volle leven. De Graaf, vol met zorgen. Van Houwelingen, druk bezig met zijn zaak. [ noot voor de preeklezer: Als u durft is het leuk om hier plaatselijke namen in te vullen ] Een baby, nog maar net het levenslicht gezien. Alle levenden. Wie gelooft, zal niet sterven. Jezus stopt de opstanding, het leven niet ver weg. Hij zegt, dat begint nu. Als je nu in geloof leeft, leef je eeuwig. Leef jij wel echt, is de vraag. Je leeft niet, hoeveel plezier je ook hebt, of genoegens, als je niet met Christus bent. Je leeft wel, als je gelooft. Dan begint het leven met God nu al. Niet alleen maar hier en nu. Maar voor eeuwig. Zelfs al ben je doodziek, en heb je geen kans meer om te blijven leven. Je zult niet sterven in eeuwigheid. Zelfs al ben je psychisch zo zwaar belast, dat je geen uitkomst meer ziet. Niet alleen de gestorvenen zullen eens leven. Niet alleen Lazarus zal eens opstaan, op de jongste dag. Marta, dat begint vandaag. Wie gelooft heeft al het leven. Geloof je dat? Geloof je in het echte leven. Niet al je plezier, niet al je genoegens in je pensioentijd maakt het echte leven uit. Maar wie gelooft met Christus… leeft nu al met God. Dat is het echte leven.

Jezus is het Leven en de Opstanding. Geloof je dat? Meer nog dan Marta kan het ons gevraagd worden. Meer nog dan Marta zijn wij. Geloven we werkelijk dat Jezus boven alles uitgaan. Al ons plezier, feest. Al ons verdriet en rouw? Marta in ieder geval wel. Ze heeft natuurlijk al heel wat van haar geloof laten zien. 'Ik weet dat alles wat U van God begeert, U van God zult krijgen. Ik weet dat Lazarus zal opstaan.' Tot twee keer toe: Ik weet. Ze weet het zeker. Maar nu, nu haar gevraagd wordt al haar vastigheden en onvastigheden aan de kant te schuiven, zegt ze het nog zekerder. 'Ik geloof. Ik heb het geloofd, staat er eigenlijk. Ik heb het geloofd, en dat blijft zo. Zelfs nu. Zelfs nu U te laat bent. Ik geloof dat U Christus bent, de Zoon van God.' Dat is niet een antwoord, om je er maar even vanaf te maken. Zo kan het soms. Geloof jij. Ja, natuurlijk geloof ik. Maar wat je nou precies gelooft. Ach. Ik geloof in Jezus natuurlijk. Klaar. Nee, Marta doet het heel precies. Ik geloof dat U bent de Christus. De Zoon van God. Die in de wereld zou komen.

Jezus had gezegd: 'Ik ben. Ik voorop'. Marta geeft daar precies antwoord op. 'U bent. U voorop!' En ze neemt maar niet klakkeloos de woorden over, die Jezus ook gezegd heeft. Leven en Opstanding. Nee, een geloofsbelijdenis die klinkt als een klok. De Christus, de Gezalfde, waar iedereen het in Israël het over heeft, die bent U. Maar niet zomaar, zoals ze allemaal maar dachten, een geweldenaar. Een geweldige Koning. Nee, er staat meteen bij: De Zoon van God. Ze had het in haar eerste woord al gezegd: Tot twee keer toe noemde ze God. 'Wat U van God begeert, krijgt U van God.' God en Jezus horen voor haar bij elkaar. En hier vertelt ze hoe dat zit: 'Hij is de Zoon van God. Degene die altijd beloofd is.' Een prachtbelijdenis. We komen Hem maar één keer vaker tegen als Jezus op aarde is. Er zijn er die gezegd hebben: 'U bent de Christus.' Er zijn er die gezegd hebben: 'U bent de Zoon van God.' Maar hier allebei. En dat heeft alleen Petrus haar nog maar voorgedaan. Maar dit is wel zoals het moet. Hier wil schrijver Johannes komen. 'Ik heb dit geschreven', schrijft hij aan het eind, 'opdat U gelooft dat Jezus is de Christus, de Zoon van God'. Om deze woorden gaat het. Geen gemakkelijke woorden trouwens. Twee hoofdstukken eerder. Een blindgeborene die weer kan zien door Jezus. Hij zegt: Die man moet wel van God komen. Daar wordt Hij om uit de synagoge geworpen - hoort er niet meer bij. Een hoofdstuk verder: Iedereen wil Lazarus zien, die is opgewekt. Ze willen hem meteen maar doden. 'U bent de Christus, de Zoon van God, die komen zou.' Wie dat zegt, tekent zijn eigen veroordeling. Gelooft U dat? 'Jazeker.' Snapt ze alles, die Marta. Nee, straks staat ze weer voor een raadsel. Niet die steen weg. Er hangt een lijklucht. Maar dat is nu juist de kern. Niet snappen. En toch vasthouden, aan die ene. 'Ik ben.' 'Ja, Here, U bent het.'

Gelooft U dat, mijn broeder, mijn zuster? Ongeacht de afloop van uw leven? Ongeacht van al uw wensen, die u nog bij God hebt lopen? Ongeacht uw toestand nu? Geloof je dat Jezus het leven is? Ook al is leven zonder Hem pas echt leven, lijkt het wel. Gelooft U dat, hoeveel genoegen U na uw pensioen gepland hebt? Gelooft U dat het echte leven nu al begint? Jazeker, uw geliefden zullen leven, ook al zijn ze gestorven. Maar U kunt nu al aan dat leven beginnen. En zult in eeuwigheid niet sterven. Als U gelooft, dat Jezus is de Opstanding en het Leven.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar