Ik ben de Opstanding en het Leven

Thema:

Jezus zeide tot Maria:
Ik ben de Opstanding en het Leven,
al wie in Mij gelooft zal leven ook al is hij gestorven, en een ieder die leeft en in Mij gelooft zal in eeuwigheid niet sterven, gelooft gij dat?

Tekst: Johannes 11: 25-26
Tekstgedeelte(n): Johannes 11: 1-44
Door: Dr. J.R. Douma (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Haarlem)
Gehouden te: Beverwijk en Krommenie in maart 1999
Extra: Meer preken van ds. Jos Douma vindt u op: www.josdouma.nl/preken/

Aanwijzingen voor de Liturgie

  1. Votum en zegengroet
  2. Ps. 84: 1-2
  3. (Morgendienst: Wet + zingen)
  4. Gebed
  5. Ps. 119: 49-50
  6. Lezen: Johannes 11: 1-44
  7. Ps. 86: 5, 7
  8. Tekst: Johannes 11: 25-26
  9. Preek
  10. Ps. 73: 9-10
  11. (Middagdienst: Geloofsbelijdenis + zingen)
  12. Gebed
  13. Collecte
  14. Gez. 28
  15. Zegen

Gemeente van Christus,

Met vragen rond leven en dood krijgt iedereen te maken. Want vroeg of laat komt de dood je leven binnen. En de vragen die dat met zich meebrengt, zijn vragen waar we echt mee kunnen worstelen. Vragen waar we vaak helemaal niet uitkomen. Helemaal als het sterven voor ons besef veel te vroeg komt. En als die dood ons leven binnenkomt, dan beseffen we ook dat die dood niet past bij het leven. Het is er mee in strijd. De dood is de vijand van het leven.

Tegelijk zeggen we ook wel eens: 'De dood hoort nu eenmaal bij het leven.' En ook dat is waar. Tenminste als we ermee bedoelen dat je je ogen niet kunt sluiten voor de werkelijkheid van dood. De dood is er. Midden in het leven weten we ons door de dood omgeven. En je hebt er niks aan als je vragen, die dat met zich meebrengt, wegduwt. Het zijn vragen die gesteld moeten worden. Wat gebeurt er eigenlijk als je sterft? Wat is er eigenlijk na de dood? Waar vind ik troost en rust, zodat ik ondanks de dood toch verder kan leven?

En we hebben ook allemaal namen in ons hoofd, als het gaat over leven en dood, over sterven en de leegte die dan achterblijft. Namen van mensen die ons heel lief waren. Mensen die we niet wilden missen en die we toch moeten missen. Ze waren soms nog jong, veel te jong voor ons gevoel. En ook als ze al ouder waren, toch blijft de pijn en het gemis. We hebben namen in ons hoofd, we zien hun gezichten voor ons. Ze zijn gestorven. En zo kwam de dood ons leven binnen.

En ook onze eigen namen verbinden we met die vragen rond leven en dood. Want de dood komt niet alleen ons leven binnen als we een geliefde moeten afstaan. Ook zelf moeten we eens sterven. Wanneer, dat weten we niet. Maar het moment komt. Je kunt er bang voor zijn omdat de dood een grens is. En soms kijk je nu al de dood in de ogen als een ziekte je lichaam en je leven ruïneert.

Met vragen rond leven en dood krijgt ledereen te maken. En dan ga je zoeken naar de antwoorden. Antwoorden op vragen die altijd al zijn gesteld en die altijd weer worden gesteld. Want ieder mens moet zelf weer zoeken en moet zelf weer vinden. Vandaag zoeken we samen, en we laten ons bij dat zoeken leiden door een verhaal uit de bijbel. Een verhaal waarin mensen voorkomen zoals u en ik, mensen met hun vragen rond leven en dood. En we komen er nog Iemand tegen. Een mens zoals u en ik, en tegelijk veel meer dan u en ik. Zijn naam is Jezus. Ja, ook Hij heeft een naam, Jezus. Verlosser betekent dat. En uit de geschiedenis die we zo-even gelezen hebben, mogen we leren dat zijn naam waar is: Jezus is zoals Hij heet, een Verlosser, ook midden in onze worsteling met vragen rond leven en dood.


Er was iemand ziek.' Zo begint de geschiedenis. 'Er was iemand ziek.' Dat zinnetje is typerend voor het mensenleven. Want we leven in een wereld vol zieken, een wereld vol ziekten, in een wereld die in veel opzichten verziekt is. 'Er was iemand ziek.' En je voelt al direct aan: dit loopt niet goed af. Vanaf het begin is de dood al levensgroot aanwezig. Want de zieke sterft. De bijbel verdoezelt de werkelijkheid van ziekte en dood niet: ze zijn kenmerkend voor het leven. Want het leven is in heel veel opzichten 'om te huilen'.

'Er was iemand ziek.' En die iemand heeft een naam. Ja, ook déze zieke heeft een naam, zoals alle zieken. Lazarus is zijn naam. 'God helpt' betekent dat. Hij heeft twee zussen, Marta en Maria, hij heeft een huis, in Betanië, Hij heeft vrienden en veel bekenden. Hij is een mens zoals wij. Hij wordt ziek en de velen om hem heen maken zich zorgen. Hoe gaat dit verder?

Eén vriend van deze Lazarus krijgt heel speciaal de boodschap van zijn ziekte te horen. 'Here, zie, die Gij lief hebt, is ziek.' De Here Jezus moet het weten. Als er Iemand kan helpen, is Hij het wel. Want het is aan Hem te danken dat vele lammen weer lopen, dat vele blinden weer zien, dat vele doven weer horen. En zelfs zijn er doden die weer leven, dankzij Jezus. En nu is Lazarus ziek, Jezus' eigen vriend.

'Here, uw vriend is ziek, Lazarus uit Betanië.' Je zou denken dat Jezus, als hij dit bericht ontvangt van Maria en Marta, wel direct op weg zal gaan naar Betanië, naar zijn vriend, om bij hem te zijn, want dat wil je toch graag als vriend, maar vooral ook om hem te genezen. Want dat kán deze Vriend.

Maar Jezus doet het niet. Want de ziekte van deze vriend is er een niet ten dode, maar ter ere van God. Door deze ziekte zal de Zoon van God verheerlijkt worden. Dát zegt Jezus erover. Met heel zijn wezen is Hij betrokken bij Lazarus, zijn vriend. Hij heeft hem lief. Het is opvallend hoe menselijk de Here Jezus in deze geschiedenis naar ons toekomt. Er wordt gesproken over zijn vrienden die Hij liefheeft, en straks rollen er tranen uit Jezus' ogen, is Hij ontroerd en verbolgen tegelijk. Maar hier, bij het bericht van Lazarus' ziekte, zien we Jezus vooral als de Zoon van God, mens tussen de mensen, vriend tussen de vrienden, en tegelijk: Zoon van God. En zo weet Hij dat deze ziekte een speciaal doel heeft. En in wat er straks gaat gebeuren moet niet Lazarus centraal staan, de vriend van Jezus. Maar moet Christus centraal staan, de Zoon van God.

En daarom wacht Jezus. Hij wacht tot zijn vriend gestorven is. Want het wonder dat Hij zal doen is groter nog dan het wonder dat Maria en Marta nu van Hem vragen. Jezus zal laten zien dat Hij meer is dan een Wonderdoener, meer dan een Geneesheer die zieken weer gezond maakt, Hij maakt doden levend!


De verslagenheid is groot in Betanië, als Jezus daar aankomt. Lazarus is gestorven. Hij is dood. Een harde werkelijkheid. Vier dagen al is hij in het graf. En zeven dagen lang wordt er gerouwd, volgens Joods gebruik. Vele van de Joden zijn naar Maria en Marta toegekomen Om te troosten en te delen in het verdriet. En dat is een geweldige bemoediging in dagen van rouw: dat er mensen komen om je verdriet te delen. Nee, niet om het weg te nemen, want dat kan niet, het verdriet wegnemen. Om het te delen. Zonder woorden vaak, want wat moet je zeggen in het aangezicht van de dood.
Jezus was tot nog toe afwezig geweest bij het verdriet om Lazarus. En als Marta hoort dat Jezus is aangekomen, gaat ze Hem tegemoet. Ze wil Hem graag zo snel mogelijk zien en spreken. En in de eerste woorden die ze zegt, klinkt een zacht verwijt door. 'Here, als U hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn.' Waar was U, Here? Waar was U? Dat is een vraag die je wel eens stelt als de dood je leven binnendringt. Waar was U Here? Een vraag uit de diepte van een gewond hart.

Ook Marta's hart is gewond, maar tegelijk leeft er in haar hart verwachting. 'Ook nu weet ik, dat God U geven zal wat U begeert', zegt ze tegen Jezus. Ze verwacht waarschijnlijk dat Jezus met haar zal bidden tot zijn Vader, dat hij voorbede zal doen voor haar en Maria: kracht om het verlies van Lazarus in het geloof een plaats te geven in haar leven. Want dat lukt je niet alleen: daar heb je de hulp van de Here bij nodig.

En dan zegt de Here Jezus: 'Marta, je broer zal ópstaan.' Die woorden stellen Marta eigenlijk teleur. 'Bent u daarvoor gekomen, Here Jezus? Iedereen heeft me dat al verteld. Iedereen troost me met die woorden. Ik weet het wel: eens zal ik Lazarus weer ontmoeten. Als hij zal opstaan op de jongste dag. Maar U hebt toch wel meer te zeggen, Here?' En de Here heeft meer te zeggen. Nu kan Hij de woorden spreken die het centrum vormen van het verhaal over de dode Lazarus die weer levend wordt. Want dat is eigenlijk niet de kern van die geschiedenis: dat een dode weer leeft. De kern is hier dat we Christus ontmoeten. Jezus is zijn naam. Verlosser. Hij spreekt het verlossende woord in het leven van hen die door de dood zijn omgeven. Het verlossende antwoord op onze vragen en rond leven en dood.


'Ik ben de Opstanding en het Leven' 'Marta, de opstanding, dat is niet iets van later, dat is iets van nu.' 'Ik bén de Opstanding en het Leven.' Deze woorden vormen het grootste wonder in het verhaal over Lazarus. Hier ontmoeten we Jezus Christus, de Zoon van God. Hij is de Opstanding in Eigen Persoon. Hij is het Leven in Eigen Persoon. En wie worstelt met vragen rond leven en dood, vindt bij Jezus het antwoord. Sterker nog: Jezus ís het Antwoord in Eigen Persoon. En als je in Hem gelooft, dat wil zeggen: als je ja zegt tegen Jezus, als je je aan Hem overgeeft, dan mag je in je leven temidden van de dood, merken dat Hij is de Opstanding en het Leven. Dan komt er rust in je leven. Niet dat de dood dan weg is, niet dat je dan onsterfelijk wordt, maar er is een antwoord op je vragen rond leven en dood. En dat Antwoord is: Christus.

'Ik ben de Opstanding en het Leven.' Deze diepe uitspraak, die altijd weer als nieuw in de oren klinkt, legt de Here Jezus vervolgens in twee zinnen uit. Want Hij wil twee dingen zeggen, omdat zijn macht gaat over de doden én over de levenden.

In de eerste zin licht Hij toe wat het betekent dat Hij de Opstanding is. 'Ik ben de Opstanding: wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven.' Dat gold voor Lazarus, en het geldt voor ieder die in geloof gestorven is en voor ieder die in het geloof sterft. Want als je Christus kent als je Verlosser, dan kun je niet meer sterven. Tenminste niet meer echt sterven. Ja, hier op aarde is dat sterven echt, voor wie achterblijven. Er valt echt een lege plaats. Maar omdat Christus de Opstanding is, mag wie sterft léven, leven met God. Eeuwig leven heet dat in de bijbel. En dat is niet zozeer heel erg verschrikkelijk lang leven, maar het is een leven dat eeuwigheidswaarde heeft, omdat het een leven bij God is. 'Ik ben de Opstanding', zegt Jezus. En Hij zegt het over mensen die gestorven zijn. Zij zullen opstaan.

En tegen mensen die leven zegt Hij: 'Ik ben het Leven, en een ieder die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven.' Dat is de tweede zin, waarin Jezus zijn diepe uitspraak, die altijd weer als nieuw in de oren klinkt, uitlegt: 'je zult in eeuwigheid niet sterven als je in Mij gelooft.'. Dat gold allereerst voor Marta, met wie Jezus op dat moment in gesprek is. En het gold ook voor Maria. En het geldt voor allen die in leven zijn en die leven in geloof. Dankzij Christus, die het Leven is, kan de dood je in eeuwigheid geen kwaad meer doen: nooit zul je het leven verliezen. Want als je gelooft in Christus, ontsnap je aan de macht van de dood. En sterven zal dan niet betekenen dat je er geweest bent, nee, je zult je dood overleven, omdat Jezus het Leven in Eigen Persoon is.

'Ik ben de Opstanding en het Leven.' Jezus brengt dus niet de opstanding en het leven, straks op de jongste dag, nee, Hij is het, hier en nu en vandaag voor ieder die gelooft. Zo komt Hij naar je toe. Hij, die zelf ook gestorven is en opgewekt, Hij komt je tegemoet als de Opstanding en het Leven om je nabij te zijn in je machteloosheid en je verdriet, in het gevecht met vragen die woelen in je hart. En zo kwam Hij ook naar Marta toe en naar Maria en naar allen die treurden om Lazarus die gestorven was. Hij komt met een woord: 'Ik ben de Opstanding en het Leven.' En in dat woord ligt het allergrootste wonder opgesloten: de dood is dood, leve het Leven.


Ja, de dood is dood, leve het Leven. Dat gaat Jezus nu laten zien bij het graf van Lazarus. Zijn woord over Opstanding en Leven gaat Hij nu onderstrepen met de daad. Met Maria en Marta en vele anderen gaat Hij mee naar het graf. Een rouwstoet. Jezus loopt mee in een rouwstoet. En ook Hij heeft verdriet. En wat komt de Zoon van God daarin dicht bij ons mensen. Hij heeft verdriet om zijn gestorven vriend. 'Jezus weende.' En ook is Hij verbolgen in de geest. Hij is boos op de dood, Hij maakt zich kwaad over de macht van de dood en over wat de dood allemaal aanricht in mensenlevens. Boosheid en verdriet zijn er in Jezus, als Hij meeloopt in de rouwstoet naar het graf, Jezus huilt. Hij is niet de grote Buitenstaander, de Onbewogene: zijn vriend is dood en met zijn andere vrienden is Hij diep verdrietig en ook boos op de dood.

Maar tegelijk is Jezus, Gods eigen Zoon, ook machtiger dan de dood. En dat laat Hij zien bij het graf van Lazarus. Hij stelt een daad als onderstreping van zijn woord. Geen stunt waarbij Lazarus in de schijnwerpers staat, maar een teken waarbij al het licht valt op Christus. 'Lazarus, kom naar buiten.' En Lazarus komt tot leven en naar buiten, en daar staat hij voor de Opstanding en het Leven, Jezus zijn vriend, Gods Zoon die macht heeft over de dood.

'Ik ben de Opstanding en het Leven.' Dat wordt daar bij het geopende graf duidelijk. Jezus is wat Hij zegt voor ieder die gelooft en zich overgeeft aan Hem. Ja, voor ieder die gelóóft. Want het woord dat Jezus sprak tot Marta, wordt gevolgd door een vraag aan Marta.

'Ik ben de Opstanding en het Leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven; en een ieder die leeft en in Mij gelooft zal in eeuwigheid niet sterven.' Gelooft gij dat? Die vraag komt op deze dag ook naar u toe. 'Gelooft u dat?' Gelooft u dat Jezus de Opstanding is en het Leven? Want dat is Hij als u Hem aanneemt als uw Verlosser. Jezus is zijn naam. Hij haalt de angel uit je vragen rond leven en dood, als je Hem belijdt als de Heer van je leven.

Geloof. Daar vraagt Jezus om. En geloven, dat is: de uitgestoken hand van Christus aanpakken en vasthouden en nooit weer loslaten. Hij is je Verlosser. Hij is de Opstanding en het Leven. Hij is het Antwoord op je vragen rond leven en dood.

Nee, dat betekent niet dat je verdriet dan weg is. Het betekent ook niet dat de dood dan weg is. En de pijn van het leven dat zo vaak om te huilen is, is niet weg. Maar er is wel iets anders. Er is Iemand anders, die je over de grens van de dood helpt heen te kijken.
En dan zie je: de Opstanding en het Leven, dan zie je Christus. Licht in het duister. Leven na de dood. Want de dood is dood, leve het leven.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar