| Thema: |
Jona is geïrriteerd omdat God goed doet en genadig is |
| Tekst: | Jona 4: 9-11 |
| Tekstgedeelte(n): | |
| Door: | Ds. Roelof Sietsma (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Grootegast) |
| Gehouden te: | Drachten-Oost op 17 november 2002; Grootegast op 24 november 2002 |
Aanwijzingen voor de Liturgie
Votum en zegengroet
Ps. 84: 1, 5
Wet
Ps. 139: 3, 11
Gebed
Lezen: Jona 3-4
Ps. 100
Tekst: Jona 4: 9-11
Preek
Lied 456: 3
Gebed (dankgebed en voorbeden)
Collecte
Lied 21: 1, 5-7
Zegen
Geliefde gemeente van onze Here Jezus Christus,
Jongens en meisjes,
Dat was wat! Die Jona! Maar eindelijk was hij dan op weg naar die stad Ninevé. Hij was uitgespuwd door die grote
vis, en toen had God zijn opdracht gewoon herhaald! En nu paste Jona wel op, om er weer voor te vluchten. Eén keer
was hij gevlucht, en hij had zijn zonde moeten bekennen, en door een groot wonder was hij ontkomen aan de dood. Hij
had er nog een prachtig lied over gemaakt, voor de Here: Jona 2: 9-10: "Met lofzeggingen wil ik aan U offeren, de
redding komt van de HEERE!" Vluchten? Dat zou hij geen tweede keer doen!
En zo gaat hij naar Ninevé, die grote stad, vergelijkbaar met Groningen of Leeuwarden! Hij preekt van het oordeel
dat komen gaat, om de zonden van dat volk. En wat gebeurt er? De mensen geloven het! Ze krijgen spijt en bekeren
zich! Zelfs de koning doet mee met het berouw, en heel de stad is in rep en roer. Iedereen moet zijn spijt laten
zien, en alle mensen doen het, en ze stoppen hun slechte dingen, hun kwade praktijken en verbeteren hun leven.
Direct, zonder aarzelen. Vol ontzag voor de God van Israël. Misschien zal die God dan medelijden hebben en zijn
strenge straf niet uitvoeren.
En het is waar! Als God ziet dat ze echt spijt hebben en echt stoppen met slechte dingen doen, dan zegt God: 'Ik ga
de stad sparen. Ik ga haar niet verwoesten, want de mensen hebben naar Mij geluisterd! Ik dreigde met straf, maar
nu ga ik die straf niet uitvoeren! Want Ik ben blij dat ze hun leven hebben gebeterd!'
Nou, reden om feest te vieren. Voor allemaal! Voor Ninevé, én voor Gods profeet, Jona. Als een zondaar zich
bekeert, is er altijd reden voor feest, voor vreugde!
Maar wat is dat? Jona is helemaal niet blij. Hij is vreselijk chagrijnig! Geïrriteerd. Als hij merkt dat de mensen
zich bekeren, valt hij terug in zijn oude zonde. Hij wordt weer de oude Jona die wil vluchten. Zijn mooie dankgebed
is hij vergeten, en boos zegt hij tot God: "Snapt U het nu, waarom ik vluchtte en niet naar Ninevé wilde?" Jona is
erg open. Hij laat zich diep in zijn hart kijken. Hij zegt niet: "O Here, zo is er niets aan, want ik rekende op
een mooi spektakel van brand en verwoesting, en nu gaat dat misschien niet door, want ze bekeren zich" - dat was op
zich al erg geweest - Nee, hij zegt iets dat nog erger is. Want hij toont dat hij heel goed begrijpt dat God goed
is, en dat het dus beter is, zoals God het doet. "Here", zegt hij, "ik wist dat U genadig bent, en barmhartig, en
goed. Daar vind ik niets aan. Neem mij maar weg, Here, zo wil ik niet leven!" Het is wel open, maar het is ook
erg.
En dan gaat Jona toch zitten wachten. Want dat oordeel zal misschien nog wel komen, op de 40e dag. En
God geeft aan Jona een prachtige plant. Er staat "boom", je mag ook "plant" vertalen. Dat lijkt me beter. De
wonderboom lijkt op een groot soort plant. Hij schiet uit de grond, met enorme bladeren. Een cadeau van de Here.
Werkelijk iets goeds! Heerlijk is het om in de hitte onder de grote, frisse bladeren van die plant te verblijven,
in de koele schaduw. Veel koeler dan zo'n zelfgemaakt hutje! Dit klopt in elk geval wel, wat Jona gezegd had, dat
de Here goed is.
Maar, zoals de Here het goede cadeau geeft, zo neemt Hij het ook weer weg, een dag later. De grote plant verdort,
gegeten door een worm.
En dan is Jona weer geïrriteerd. Alles zit me ook tegen, denkt hij. Waarom moest die plant nu doodgaan? Hij neemt
geen genoegen meer met zijn hutje in de hete zon.
De Here vraagt aan Jona: "Jona, is dit nu terecht, dat je zo boos bent? Zo geïrriteerd over het doodgaan van die
boom?" En Jona antwoordt: "Ja natuurlijk ben ik terecht boos. Zo'n mooie plant. Heerlijke koele schaduw. Net wat
een profeet nodig heeft, die ver van huis en ver van zijn volk Gods opdracht uitvoert. Waarom werd dat me dan zelfs
nog afgepakt? Zo wil ik het niet. Laat me dan maar liever doodgaan!"
En dan geeft God de uitlegging van de les aan Jona: "Jona", zegt God, "die plant was goed, hé! En jij wilde niet
dat het goede omkwam en verdween, hé! Jij wilde die plant sparen. Zo is het toch, Jona?
Maar Jona, dat is alleen maar een plant! Denk nou toch eens na! In de grote stad Ninevé leven alleen al 120.000
mensen die nog niet kunnen onderscheiden tussen links en rechts! Kleine kinderen! Moet je nagaan hoeveel mensen er
samen wel wonen! Meer dan een half miljoen! En denk eens aan alle dieren! Rundvee, schapen, geiten. Zie je het voor
je? Een krioelende stad vol leven. Schepselen van God. Die God ook nog op zijn woord geloofden! En die wil Ik
sparen. Ik wil niet dat die schepselen omkomen en verdwijnen. En dan ben jij geïrriteerd en chagrijnig, in plaats
dat je blij bent, en God looft en prijst om zijn goedheid?"
God loven en prijzen om zijn goedheid. Dat is het, waar God ons toe roept in dit leven. Groot en klein. Nu is het gemakkelijker om Gods goedheid te prijzen als die goedheid over ons heen komt, dan wanneer die over anderen heen komt, vooral en nog meer als die anderen bedreigend voor ons zijn, of: onze vijanden zijn, zoals de Assyriërs, die in Ninevé woonden, bepaald geen vrienden van Israël waren.
Dit thema:
Jona is geïrriteerd omdat God goed doet en genadig is |
doet sterk denken aan een uitspraak van de Here Jezus. Hij vertelde eens een gelijkenis over een heer die een
wijngaard had, en gedurende heel de dag nam de heer arbeiders in dienst: 's morgens heel vroeg, maar ook later, en
zelfs tegen de middag nog. En als het dan avond is, dan ontvangen ze allemaal eenzelfde loon: één schelling. En
degenen die het vroegste begonnen zijn mopperen tegen de heer. En dan legt die heer uit dat hij in zijn recht
staat, omdat hij hen gegeven heeft wat hij beloofd had. En dan vraagt hij: "Is uw oog misschien boos, omdat Ik goed
ben?" Dat is het, wat God tegen Jona zegt: "Is uw oog boos, omdat Ik goed ben?"
Het is dus niet altijd gemakkelijk of vanzelfsprekend om blij te zijn, als God goed is.
Daar gaat het dus nu over: De moeite om blij te zijn, als God goed is. We gaan daar een voorbeeld van zien uit de
wereld: in de wereld zie je die moeite. Daarna gaan we een voorbeeld zien uit de kerk: dat we daarvoor mogen
vechten in de kerk: om blij te zijn als God goed is. En ten slotte nog voor ons individuele, persoonlijke leven:
dat we dat van onszelf moeten eisen: blij te zijn, als God goed is!
Het eerste voorbeeld is genomen uit de politiek. Het gaat over het vluchtelingenprobleem. Dat is een groot en
moeilijk probleem. Of je nu een politieke of een economische vluchteling bent, het is altijd een enorm probleem.
Ook om economische redenen laat je niet zomaar huis, familie, volk en alles achter, om vluchtend een beter bestaan
te zoeken. En dat is een probleem ook hier in Europa, in Nederland. Ook voor ons: een moreel probleem. Want waar
danken wij het aan, dat hier genoeg regen, water, voedsel, vrede en leefmogelijkheden zijn? Toch ook alleen aan
Gods genade? Gods goedheid? Hebben andere wereldbewoners, waar vandaan ook maar, daar minder recht op? Jakobs
familie ging toch ook naar Egypte om koren? En Elimelek trok toch ook naar Moab om de honger? En Isaak trok toch
naar de Filistijnen, ook vanwege de hongersnood?
Die vraag beantwoorden, en het vluchtelingenprobleem oplossen, dat kunnen en hoeven we hier niet te doen. Maar het
gaat om het volgende: sommige vluchtelingen mogen hier blijven, anderen moeten weg. En soms moeten ze weg, maar
mogen ze nog even wachten op een officiële uitspraak, of ze mogen om een andere reden nog blijven, volgens bepaalde
regels. Maar ze hebben dan geen recht meer op onderdak en steun. Zo zijn blijkbaar die regels. Maar sommige
gemeenten in ons land organiseren toch onderdak en steun. Mensen worden beschermd tegen de kou en de honger. Zo kan
het gebeuren dat wat de gemeenten uit bewogenheid doen, botst met de regels die van hogerhand worden opgelegd. Dan
groeit er irritatie omdat er iets goeds wordt gedaan. Voelt u de overeenkomst? Gezegend door God met eten, drinken,
kleren, gezondheidszorg en vrede, gezeten onder onze wonderboom wijzen de leiders niet alleen vreemdelingen in nood
de deur, hoe begrijpelijk ook, maar worden zij ook geïrriteerd als genade, liefde, ontferming wordt betoond. Hun
oog wordt boos, omdat God toch nog goed is. Ja, God moet wel goed zijn voor ons, maar niet teveel voor die ander!
Dat kon wel eens bedreigend worden: zoveel vreemdelingen om ons heen!
Het tweede voorbeeld wil de boodschap van God aan Jona beter duidelijk maken voor ons, als we volk van God
willen zijn. Want wij weten veel beter dan de wereld dat ons oog niet boos mag zijn, als God goed is, en genade
geeft. In dit tweede voorbeeld gaat het niet over vluchtelingen. Wij zijn blij als we hen mogen ontvangen en
helpen. Maar nu over ons, als gemeente van Jezus Christus. Ook wij kunnen ontvankelijk zijn voor de neiging die bij
Jona zo doorzette.
Jona was bij uitstek een vertegenwoordiger van Israël. En Israël wilde wel graag de zaligheid voor zichzelf houden:
wij zijn het volk van God, en laat God de Assyriërs maar hard aanpakken. Stel je voor: Joden en Ninevieten samen
één volk van God? Dat was bedreigend!
En nu leven wij na Pinksteren. Het Evangelie is voor alle volkeren, ook voor ons. Natuurlijk. Maar bedreigt ons
niet het gevaar dat we zeggen: ja, maar het moet wel op de manier zoals wij het gewend zijn. Hebben we onze ogen
goed open voor de valkuil waar Israël in gevallen was: de valkuil van de irritatie om Gods genade als die genade
anders uitvalt dan wij verwachten, wensen of menen dat die moet zijn? Als voorbeeld noem ik de liturgie in de
kerkdiensten. Wij hebben onze orde van dienst en onze gewoonten. Maar orden van dienst mogen wel veranderen, en
gewoonten mogen met hun tijd meegaan. Israël riep bijvoorbeeld vroeger als volk: "Amen", als God gesproken had.
Niet één keer, maar vele keren achter elkaar, zoals Deuteronomium 27 duidelijk toont. (Deuteronomium 27: 15
vv.)
Tot voor kort deden wij dat helemaal niet: als gemeente "amen" uitroepen of zingen. Nu doen wij het schuchter, af
en toe weer eens. En hier en daar. In andere landen doen ze het dolenthousiast. U hebt het mee kunnen maken als u
de twee Keniase predikanten gehoord hebt op het Bereidheidscongres te Dalfsen: Na elke twee minuten vraagt de
voorganger: 'Amen?' Er mee eens? betekent dat. En heel de kerk roept het uit: 'Amen!' Zo is het! En tijdens de
dienst hoor je af en toe mensen uitroepen: 'Amen', of: 'Dank U wel!' of: 'Prijst de Heer!' En mensen willen uit de
grond van hun hart een lied zingen, en anderen worden betrokken in het voorlezen van de bijbeltekst, en zo zijn er
nog meer dingen te noemen, die liturgisch anders zijn, en te maken hebben met dit ene: meer enthousiasme. Wat vindt
U daarvan? Zegt U: 'nee, dat is niet gereformeerd'? En als God nu in zijn genade enthousiasme aan mensen geeft,
zodat ze 'amen' willen roepen, en hun armen in de lucht willen gooien, en uit willen roepen: 'Looft de Heer!' Hoe
reageren wij dan? Raken wij dan geïrriteerd? Chagrijnig? Als Jona? Omdat God goed is, en zulke genadegaven aan
mensen geeft?
Nu zegt U misschien: ja, maar dat hoort niet bij ons, dat is voor andere culturen, dat is Afrikaans, of Aziatisch,
maar Europeanen zijn nuchterder, die doen dat soort dingen niet. Dat past niet bij ons. En misschien zou U tegen
mij zeggen: "Man, word jij maar weer zendeling. Doe dat maar met Zuid-Amerikanen en Aziaten, maar niet met ons,
hier in Europa".
En op zich klopt er iets van dit laatste. Alhoewel ik zelf van nature helemaal niet zo'n spontaan figuur ben, ben
ik er in de zending aan gewend geraakt, dat gemeenteleden tijdens de dienst, maar ook overdag, in het dagelijks
leven, spontaan hun geloof belijden door 'amen' uit te roepen, ook door op elke plaats te bidden, midden op straat,
in de huiskamer, gewoon: overal. Die genade, die God geeft, die heb ik mogen leren kennen. Dat is waar. En het is
fantastisch.
Maar toch kloppen beide reacties ook niet. Wat betreft het laatste, de zending, en dat dit soort dingen meer daar
thuis zou horen, zeg ik: die inwoners van Zuid-Amerika zijn grotendeels nakomelingen van Europese immigranten. Als
je daar mensen in de kerk enthousiast 'Amen' of 'Halleluja' hoort en ziet roepen, dan zijn dat ook mensen van
Duitse, Poolse, of Oekraïense afkomst, en dat zijn toch geen warmbloedige volkeren van zichzelf!
En dan het eerste: dat wij, Europeanen en Nederlanders nuchterder zouden zijn, dan zeg ik: ook hier zit een andere
kant aan, want zelfs de Nederlanders, ja, zelfs de leden van de gereformeerde kerken vrijgemaakt roepen wel 'Amen'
en 'Halleluja', en heffen hun handen omhoog naar de hemel, misschien niet in de kerkdienst, maar wel als er
bijvoorbeeld een zangsamenkomst is. Hier vlakbij kon ik het met eigen ogen zien. Mensen die enthousiaster waren dan
ik. Dus, zo koel en koud zijn wij, Nederlanders, blijkbaar niet.
Nu gaat het er mij niet om dit soort dingen aan te vuren. Laat ieder voor zijn eigen besef doen wat hij of zij
gepast vindt voor de Here. Daar gaat het om. Zelf zeg ik als regel altijd hardop een 'amen' na het gebed van de
ouderling in de consistorie. Maar verder gaat mijn enthousiasme vaak niet. Helaas niet, zou ik kunnen zeggen. Ik
zou wel willen dat ik nog enthousiaster was. Maar het moet wel echt zijn. Gemeend. Je moet niet doen waar je je
niet geroepen toe voelt. Je moet geen 'Amen' zeggen als je 't niet meent. Je moet zelfs niet zingen als je 't niet
meent.
Maar het gaat er wel om dat wij, als volgelingen van Christus elkaar in deze zaak alle ruimte geven. Dus dat wij
een ander van harte 'Amen' laten zingen of zeggen, als hij zich daartoe gedrongen voelt. Zonder ons te ergeren. En
waarom is dat zo belangrijk? Dat is omdat God iemand zijn genade schenkt, als iemand ertoe komt God te prijzen door
middel van een 'Amen', 'Halleluja', 'Loof de Heer', of welke lofprijzing ook maar! Of dat nu tijdens of na de preek
is, of tijdens het zingen. Het mag van de Here! En als iemand zich daaraan ergert, en zich uitspreekt in de trant
van: "Wat hebben we aan al die poppenkast in de kerk?" dan zondigt hij, zoals Jona zondigde. Dan ergert hij of zij
zich aan Gods genade! Daar gaat het om! Ja, sterker nog: als God die goedheid en genade uitstort in de gemeente,
dat er enthousiast beleden wordt, dan wil God dat we blij zijn. Ook al hebben we zelf dat enthousiasme nog niet
bereikt. We mogen niet chagrijnig worden als Jona.
Kunnen we daar niet meer voor vechten in de kerk? Is het boek Jona dan niet voor ons geschreven? Wil God ons niet
waarschuwen, dat we niet verachten wat Hij ons in genade schenkt?
En zo komen we tot het derde en laatste: We moeten van onszelf eisen blij te zijn, als God goed is, en zijn
genade en goedheid uitdeelt!
Want waar komt dit uit voort, broeders en zusters, dat wij, terwijl we volk van God mogen en willen zijn, toch
bedreigd worden door die valkuil van de geest van Jona? Dat we kritisch worden als God iets in genade geeft. Ja, we
kunnen daar wel diepgaande analyses over ontwikkelen, en die kunnen zinvol zijn. Maar is de hoofdlijn in zulke
analyses niet altijd, dat wij, mensen, zondaren zijn? En dus geneigd zijn tot het kwade? Tot begeren, tot jaloezie?
God geeft iemand in genade iets goeds, en wij kunnen het in feite niet echt hebben? We vinden onszelf gewoon
beter?
Geneigd tot begeren, maar ook geneigd tot oordelen. Wie de goedheid en de genade van God in zijn broeder, zijn
zuster, of zijn naaste in het algemeen, niet waardeert, maar zichzelf veel beter vindt, die veroordeelt daarmee
zijn naaste. En loopt daarmee het grote risico uiteindelijk zichzelf te veroordelen. Die zit in feite onder zijn
wonderboom, en zegt tot zijn broeder, zijn zuster of zijn naaste: 'Jij bent niet goed genoeg! Kijk maar. Ik zie nog
dit in jou, en dat, en dat is niet goed!' Terwijl Christus zegt: "Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt".
Want met de maat waarmee je oordeelt, zul je uiteindelijk zelf gemeten worden.
Zo had Jona, in plaats van buiten de stad op het oordeel zitten wachten, de stad binnen moeten gaan en de inwoners
feliciteren met hun bekering. Hij had hen moeten bemoedigen en vertroosten met Gods grote goedheid.
Zo mogen ook wij, als wij Gods goedheid opmerken om ons heen, in de wereld en in de kerk, God daarvoor danken.
Persoonlijk, ook individueel, gemeend en oprecht. Laten we onze hoogmoed die ons steeds wil doen geloven dat wij
beter zijn, overwinnen, en zo onszelf overwinnen, en God danken voor zijn genade in onze naasten! Danken dat er nog
enthousiaste mensen zijn. Die zich niet schamen om de dingen eens anders te doen. Die zich niet schamen voor hun
enthousiasme, ondanks veel barrières die ze misschien tegenkomen.
Laten we Hem danken voor mensen, die van buiten komen, die Hem niet kenden, en juist door hun eerste liefde ons
weer leren dankbaar te zijn voor wat wij vaak als gewone dingen beschouwen.
Laten we Hem danken voor vluchtelingen, die ons door hun leven leren wat dankbaarheid is!
Ouders: leer uw kinderen toch danken om de genade die God niet alleen maar aan hen zelf geeft, maar ook in andere
mensen.
Als wij allen zo God steeds meer leren danken, in onze binnenkamer, maar ook daarbuiten, en onze dankbaarheid
kunnen tonen in onze gemeenschappelijke diensten en activiteiten, dan mogen we weten, dat God onze gebeden verhoord
heeft, en ons niet heeft laten vallen in de valkuil van Jona.
Amen.
http://www.prekendiespreken.nl/
For questions or remarks mail to
© Copyright Preken die Spreken / Speaking Sermons / Pregação Viva,
2002-2012.
No part of this publication may be reproduced or copied or made public
in any form without the expressed written authorization from Richard J.C.
Vos and the contributing minister. No consent to copy is required if it is
to be used for public worship service or preparation for Bible study(meetings).