In de schijnbaar koude omgang van Jezus met zijn familie wordt het glashelder waar het in de kerk om gaat

Thema: In de schijnbaar koude omgang van Jezus met zijn familie wordt het glashelder waar het in de kerk om gaat
Tekst: Marcus 3: 31-35
Tekstgedeelte(n): Marcus 3: 1-6
Marcus 3: 13-22
Marcus 3: 31-35
Door: Ds. Ton de Ruiter (destijds predikant gereformeerde kerk vrijgem. Enkhuizen)
Gehouden te: Enkhuizen op 10 september 1995
Extra: Summary on the sermon about Mark 3: 31-35

Aanwijzingen voor de Liturgie

Votum en zegengroet
Ps. 86: 5
Wet
Ps. 86: 1-2, 4 (vers 4 bekend, maar gezongen in nood! Zie versen 1-2)
Lezen: Marcus 3: 1-6; Marcus 3: 13-22
Ps. 119: 36, 61
Tekst: Marcus 3: 31-35
Preek
Ps. 131: 1-3
(Belijdenis van het geloof)
Gebed
Collecte
Ps. 119: 21-22

Onze tekst lijkt koud en hard. Onze goede Heer Jezus zegt over zijn moeder en broers: zij zijn eigenlijk geen familie van Mij. Even tevoren had Jezus ook zoiets gezegd tegen de schriftgeleerden. Vooraanstaande mensen in de kerk. Ze kregen te horen dat ze verloren zouden gaan als ze zich niet bekeerden. Dat was ook al zo schokkend. Waarom spreekt Jezus zo schokkend en cru?

Maria en haar andere zoons hoorden dat Jezus zei: wie zijn mijn broers en mijn moeder? En in zijn antwoord wees hij niet hun kant uit. Wonderlijk.

Maar: Weet u / jij zeker dat Hij wel naar u / jou wijst? Een belangrijke vraag! Voor ons allemaal, oud en jong, gezond en ziek.

We kunnen wel denken dat we horen bij de familie van Jezus (gedoopt, kerklid, enz), maar ziet de Here Jezus u/jou ook als zijn familie?
Om die vraag gaat het.
Laten we luisteren naar de tekst.

Ik verkondig u:

In de schijnbaar koude omgang van Jezus met zijn familie wordt het glashelder waar het in de kerk om gaat

We zien:

  1. Hoe zijn familie met Jezus omgaat
  2. Hoe Jezus met zijn familie omgaat

1. Hoe zijn familie met Jezus omgaat

Jezus had dus broers. Ergens anders lezen we ook dat Hij zussen had. Jozef en Maria hadden blijkbaar een groot gezin gekregen. Van Jozef lezen we niet zo veel. Hij lijkt al vroeg gestorven te zijn. Misschien dat Jezus zelfs een tijdlang de zaak van zijn vader gerund heeft. Hij wordt immers de timmerman genoemd. Dan heeft Hij al jong de zorg voor zijn moeder, broertjes en zusjes op zijn schouders gehad. Daarover is ons echter niets bekend.
Maar Jezus kende dus de bloedband. Hij voelde als mens ook de familiebanden trekken, net zo als u en ik die met uw en mijn familie voelen. Ja ook zijn verantwoordelijkheid tegenover zijn familie kende Hij, beter dan welk mens ook. Hij kende ook het gebod "eer uw vader en uw moeder".
En toch spreekt Hij hier dit koud lijkende woord: Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broers? Het is net of Hij hen niet wil kennen. Hij stelt hen in ieder geval op de tweede plaats.
Dat is pijnlijk geweest. Voor Maria, voor de broers.
Maar zou het ook niet pijnlijk voor Jezus zelf geweest zijn, dat Hij zo moest spreken?

Het woord dat Jezus hier spreekt doet ons denken aan dat andere woord dat hij sprak tot zijn moeder. We lazen het in Johannes 2. Daar is Maria met Jezus en zijn discipelen op een bruiloftsfeest. Maar op een gegeven moment lijkt het feest in duigen te vallen want de wijn raakt op.
Toen zei Maria tegen Jezus: "ze hebben geen wijn". Ze verwachtte, zo blijkt uit het vervolg, dat Hij uit de nood zou kunnen helpen en ze drong er als moeder bij Hem op aan iets te doen. Als moeder heb je immers bij je eigen zoon toch wel wat invloed? Maar dan zegt Jezus, en het klinkt ook heel koud en afstandelijk: "Vrouw, wat heb ik met u van node? Wat heb ik met u te maken? Mijn ure is nog niet gekomen".
Met andere woorden: moeder, ken uw plaats. U vraagt van Mij een goddelijk wonder te doen, om gebruik te maken van mijn goddelijke macht. Maar daarin hebt u als moeder niets, maar dan ook niets te zeggen. Als Gods Zoon, sta ik onder de leiding van de Heilige Geest en laat Ik me niet door u of door welk mens ook de weg voorschrijven. Vrouw, u vergeet dat Ik, uw zoon, tegelijk uw God ben. Maria werd op haar plaats gezet. Meent u echt dat u moet zeggen wat Ik moet doen?
Eigenlijk best hardhandig.

Zo werd ook Petrus een keer hardhandig aangepakt. Dat was toen Hij de Here Jezus wilde gaan voorschrijven wat Jezus moest doen. Hoe goed en edel bedoeld ook van Petrus - de Here Jezus zegt: Petrus ken je plaats: achter Mij, satan. Je bent niet bedacht op de dingen Gods maar op de dingen van mensen. Niet wat God belangrijk vindt en wil bewerken is centraal in jou denken, maar wat jijzelf en mensen belangrijk vinden. Je staat Mij in de weg. Je loopt Mij voor de voeten. Je bent voor mij een satan, een tegenstander, een verleider. Iemand die Mij ontrouw wil maken aan mijn opdracht.
Ook dat klinkt hard en schijnbaar koud.
Maar het wordt gezegd door de Zoon van God, die ziet dat Petrus zijn plaats als volgeling verlaat en vóór Jezus gaat staan en gaat zeggen: Here U moet de andere kant op. De mens, Petrus, gaat God voorschrijven wat Hij moet doen.
Petrus en Maria vergeten dat Jezus Gods Zoon is. Zelf God. Ze denken het beter te weten dan Jezus. Ze menen dat ze Hem moeten aansporen of corrigeren.
Alsof God de Vader aan Jezus niet goed leiding geeft door de Heilige Geest!

Hetzelfde lijkt in onze tekst aan de hand te zijn.
Maria en haar zoons komen. Ze willen met Jezus praten. Hoewel Hij druk bezig is laten ze Hem roepen.
Ze zijn vol van zorg om Hem. In hoofdstuk 3: 21 lezen we dat zij, zijn naastbestaanden, Hem wilden halen omdat ze menen dat Hij buiten zijn zinnen was. Hij is gek aan het worden, denken ze.
Zij menen dat Hij niet goed bij zijn hoofd is. En in die mening worden ze versterkt door de geleerden uit Jeruzalem. Die vinden het gedrag van Jezus zo raar, dat ze zeggen: Hij is bezeten. Hij is bezeten door Beëlzebul, door de overste der boze geesten.

"Hij is gek geworden", of "Hij is bezeten". Hoe kwam men toch tot zulke gedachten?
Nou, lees het voorafgaande.
Hoofdstuk 3: 1 v.v. - daar gaat Jezus haast brutaal op de sabbat genezen, terwijl Hij weet dat er velen zijn die zich daaraan zullen ergeren. Toch doet Hij het. Hij maakt zichzelf gehaat. Wat wil Hij eigenlijk bereiken? Zo bewerkt hij toch zijn eigen ondergang.
Dat blijkt ook wel. 3: 6 - ... [ Lezen: 3: 6 v.v. ]

Maar dan nog gekker: in 3: 13-19 gaat Jezus bewust en publiek 12 speciale volgelingen aanstellen: 12 dienaars.
Daarmee wekt Jezus toch op zijn minst de suggestie dat hij een nieuwe aartsvader is en dat hij een nieuw Israël gaat bouwen (12 stammen van Israël, 12 zonen van Jacob; en nu neemt Jezus 12 discipelen). Dat prikkelt de joden toch. Dat vraagt toch om verzet. Dat is toch je eigen glazen ingooien. Jezus pakt het niet erg verstandig aan. Jezus is dom bezig. Strijkt de leiders tegen de haren in.
Hij begint een nieuw Israël! Houdt zich niet aan allerlei gewoonten. En Hij jaagt alle schriftgeleerden, rabbies, farizeeën tegen zich in het harnas. Dat is toch al te dwaas. Gek. Waanzin. Zo bereikt Hij zijn doel toch nooit.
En druk dat Hij zich maakte. Moet je zien. Hij heeft niet eens tijd om brood te eten.

Je ziet de broers van Jezus en moeder Maria met zorg naar Kapernaum komen.
Dat kan zo niet. Dit gaat niet goed. Hij zet gewoon allerlei zaken in Israël op zijn kop. En Hij gebruikt daar zowaar de slogan voor dat hij jonge wijn brengt en die behoort in jonge zakken (2: 22).
Maar Hij breekt zijn eigen toekomst af. Jawel, veel volk loopt achter Hem aan. Maar de harten van de familieleden zijn met zorg vervuld. Ze willen met Hem praten en Hem zo mogelijk naar huis halen.
Maar zijn ze dan vergeten dat Jezus God is. Ze kennen zijn geboorte-geschiedenis toch. Ja, maar het lijkt ook zo raar wat Hij doet.
Ze vergeten dat zij maar mensjes zijn en dat Hij Gods Zoon is en dat Hij dus weet wat Hij doet. Dat vergeten ze en ze vertrouwen Hem niet meer. Ze vinden zijn doen te wonderlijk. En dan gaan ze in de weg lopen. In plaats van medewerkers worden ze tegenwerkers.

En Jezus voelt pijnlijk hoe er daardoor scheiding komt binnen zijn familie. Ze begrijpen Hem niet. Ze vertrouwen Hem niet. Ze volgen niet maar willen Hem zelfs de weg voorschrijven die Hij moet gaan.
Angst, zorg, ongeloof drijft hen. Dat is verschrikkelijk geweest voor Jezus die echt de bloedband ook wel voelde. Ze zouden het liefst willen dat Hij zijn werk afbrak en met hen mee zou gaan.
Pijnlijk wordt Jezus daardoor getroffen. Zo gaat zijn familie met Hem om.
Maar Jezus voelt: zo kunnen zijn moeder en broers niet met Hem mee naar zijn koninkrijk. Hun ongeloof staat in de weg. En zijn hart huilt. Hij is ook echt mens.

2. Hoe gaat Hij nu met zijn familie om?

Hij probeert hen te brengen in de goede houding tegenover Hem, zodat ze wel mee kunnen.
En dan spreekt Hij de woorden waarin het verdriet doorklinkt: mijn moeder en broers zijn niet daarbuiten, maar hierbinnen. Mensen met wie ik echt verbonden ben, die zitten hier, rond me. Zij, die in de luisterhouding bij Mij zitten als Ik spreek. Dat wil God op dit moment. Mijn familieleden buiten staan op de verkeerde plaats. In plaats van volgeling van Mij te zijn, willen ze dat Ik hen volg. Zij willen voor Mij zorgen en mijn zaken regelen. Maar dat kunnen ze helemaal niet. Dat kan geen mens. Zij kunnen het koninkrijk van God niet bouwen, want ze weten niet eens wat het koninkrijk van God is. Daarvoor is eerst nodig dat je luistert. Al klinkt het nog zo wonderlijk voor je gevoel: luisteren en de weg gaan die Ik wijs. Anders kan je het koninkrijk der hemelen niet in. Ik ben de weg de waarheid en het leven.

De bloedeigen familie stoot zich aan Jezus. Ze vertrouwen Hem niet. Maar dat is eerste voorwaarde om het koninkrijk van God binnen te gaan.

Dat koninkrijk dat zo nieuw is. Het gaat ook het nieuwe verbond heten. Het sluit aan bij het oude verbond, maar het is tegelijk nieuw en zo wonderlijk!
Zo wonderlijk dat velen het niet konden en kunnen bevatten. Je gaat het pas zien en beleven als je je overgeeft aan de Here Jezus. Als je aan zijn voeten gaat zitten. Als je je er op zet in vertrouwen op Hem te leven, hoe het ook gaat.
Dat moest Maria, dat moesten de broers en zussen leren. Petrus. Dat moet iedere volgeling leren.

Daarom spreekt Hij deze op het eerste gezicht pijnlijke woorden; tot hun behoud. Opdat ze zich niet aan Hem stoten, ook al gaat Hij wonderlijke wegen.
Zie, mijn broeder en mijn moeder. En Hij keek naar de luisterende discipelen om Hem heen.
Zo begint het. Luisteren naar Jezus en Hem vertrouwen. Van Hem horen wat de wil van God is en daarnaar doen.

Maria en haar zonen waren ook familie. Maar toen ze niet wilden luisteren toen brak er iets in de familieband. Die band werd losser. Voor Jezus breekt er iets kapot. Er is geen geloof/vertrouwen in Hem. Dat is beslissend in de kerk.
Vers 35: Al wie de tijd neemt om te luisteren naar Jezus en dan doet wat gezegd wordt, van die mensen zegt Jezus: jij bent mijn broeder / zuster / moeder.
Jij wilt een arme van geest zijn. Jou kan Ik vullen met nieuwe, hemelse wijsheid. Jou kan ik dat nieuwe leven geven. Jij kunt dan ook echt een instrument, een getuige van Mij zijn: Mijn hand, Mijn voet, Mijn tong. Via jou, kan Ik Jezus iets van mijn koninkrijk laten zien en demonstreren in de wereld.
Mijn volgelingen, mijn dienaren
zijn mijn broer, zus en moeder.

Broeders en zusters, jongens en meisjes: bent u/jij geregeld heel persoonlijk bezig met de vraag: wat wil de Here nu van mij? Probeer je zo de Bijbel in jou leven te laten spreken?
Zit je geregeld aan de voeten van de Here Jezus; ook alleen, met je bijbel, en biddend?
Geen tijd, geen tijd. Dacht u dat die mensen die bij Jezus waren niets anders te doen hadden? Zij maakten tijd. Maakt u wel eens tijd? Om aan de voeten van Jezus te zitten? Natuurlijk, in de kerk en op vereniging zijn we aan de voeten van Jezus. Maar hoevaak verwerkt u wat u gehoord hebt voor uzelf, past u het toe in eigen leven. Biddend. Pratend met God.
Het gaat er bij ons allen om dat in woorden en daden merkbaar wordt dat we vertrouwen op en luisteren naar de Here Jezus. Dan zijn we zijn medewerkers, zijn familie. Soms op moeilijke en voor ons onbegrijpelijke wegen. Maar Jezus is bij ons en zal ons dan leiden door zijn Geest.
Bij gezondheid, bij ziekte. Vertrouw Hem!

Maria en haar andere zoons en dochters - ze waren kerkleden. Ze hoorden bij Israël uit de stam van Juda.
Maar Jezus laat hen voelen - als u geen volgeling van Mij wilt zijn dan ken Ik u niet!
Al bent u honderd keer mijn moeder of broeder of zuster. Er is maar één weg tot God: volg Mij; vertrouw Mij!
Zo gaat Jezus nu met zijn familie om. Hij dringt hen de ene weg tot behoud te gaan. Als moeder, broers en zussen moeten zij leerlingen worden, volgelingen. Hun broer en zoon als Héér erkennen. Dat was moeilijk, maar ze hebben het tenslotte geleerd. Ze zijn er ook bij als het pinksteren wordt.

Ze hebben het punt wat Jezus hen wilde bijbrengen geleerd: echt luisteren en helemaal buigen voor Jezus. Toen kon Jezus ook zijn moeder en broers echt als zijn familie aannemen en vormen. Eerder niet. Eerder stonden ze zijn werk aan hen in de weg.

Want alleen wie zich gehoorzaam geeft mag nu en straks bij zijn sterven en op de jongste dag weten en horen dat Jezus zegt: jij bent mijn broer, jij bent mijn zus - want jij wilde, met vallen en opstaan een volgeling van Mij zijn. Daarom ben jij familie van Mij.

Het woord van Jezus lijkt op het eerste gezicht koud en hard. Maar het was vol liefde. Een poging om zijn moeder en broers te laten zien waar het om gaat. Jezus wilde hen redden. Maar dat kon alleen als ze echt achter Hem wilden gaan. Volgelingen wilden worden. Ze moeten die smalle weg op.
Dat is de weg die Jezus ook ons vandaag wijst. Dat we Hem vòlgen. Kijk naar uzelf deze week heel nadrukkelijk als volgeling. Leg uw bijbel open bij dit bijbelgedeelte in uw/jouw kamer, zodat je oog er geregeld op valt. Beproef uzelf steeds weer: ben ik een volgeling vandaag? Dan alleen ben je broer of zus van Jezus, en dus kind van God. Wie zo bezig is zal deze week waarschijnlijk ook beter gaan zien hoe groot het geschenk is, dat we dagelijks om vergeving mogen vragen, voor al die keren dat we het vergeten om volgeling te zijn. Of voor die keren dat we te laf waren om ons echt als volgeling van Jezus te gedragen. Zeg het maar eerlijk tegen de Here Jezus en Hij zal je helpen het al meer te leren. Want Hij wil niets liever dan dat u echt leert een broer, zus van Hem te zijn en zo te leven. Strek uw handen daar dan ook verlangend, biddend naar uit.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar