Zonde - Ziekte - Genezing (Deel 2: Wie is er echt ziek?)

Thema: Wie is er echt ziek?
Tekst: Marcus 9: 14-29
Tekstgedeelte(n): Marcus 9: 1-13
Marcus 9: 33-40
Marcus 9: 14-29
Door: Ds. J. Haveman (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Hattem-Noord)
Gehouden te: Roodeschool op 1 december 2002
Opmerking RJCV:

De prekenserie Zonde - Ziekte - Genezing bestaat uit:
1: Mar09v14 - Bezeten!
2: Mar09v14-2 - Wie is er echt ziek?
3a: Jak05v14 - Het wonder van de genezing op het gebed - 1
3b: Jak05v14-2 - Het wonder van de genezing op het gebed - 2
4: Jak05v15b - Echte gemeenschap is helen door te delen

De delen dienen in serie gelezen te worden.

Extra: Inleiding op de prekenserie: Zonde - Ziekte - Genezing.

Aanwijzingen voor de Liturgie

Votum en zegengroet
Lied 124
Ps. 32: 1
Lezen: Marcus 9: 1-13; Marcus 9: 33-40
Ps. 113
Tekst: Marcus 9: 14-29
Preek
Gez. 37
Gez. 1: 13
Gez. 21: 2-3
Zegen

Gemeente van onze Here Jezus Christus, broeders en zusters, jongens en meisjes,

Als je ziek bent, wat doe je dan? Als je hoofdpijn hebt, of griep - dan ga je naar bed en dan neem je misschien een aspirientje. En meestal is het dan na een tijdje wel weer over.
Maar als je nou behoorlijk ziek bent, als het niet overgaat? Wat doe je dan? Dan moet je toch maar even naar de dokter. En die gaat je onderzoeken om te kijken wat er aan de hand is. Je krijgt medicijnen of een kuurtje, moet een tijdje rustig aan doen - en meestal voel je je dan al gauw een stuk beter.
Het kan ook zijn dat je echt heel erg ziek bent. Dan ga je naar het ziekenhuis en moet je misschien geopereerd worden. Gelukkig zijn er in onze tijd knappe artsen en goede medicijnen en kunnen er heel veel mensen weer beter worden gemaakt.

We hebben uit de bijbel net gelezen over die jongen die zo heel vreselijk ziek was. Laten we hem Mattias noemen. Mattias valt soms zomaar op de grond en maakt allemaal rare bewegingen, heeft het schuim op de mond staan en knarst met zijn tanden of wordt helemaal stijf. Wat naar om te zien. En wat erg voor Mattias, en voor z'n vader en moeder! Er staat dat Mattias een boze geest in zich heeft en dat die er voor zorgt dat hij zo ziek is. Vorige keer hebben we het erover gehad, dat als je zo heel erg ziek bent, dat dat dan niet betekent dat je perse een boze geest in je hebt. Maar het kan wel: dat je onder invloed komt van een boze geest, als je dat bijvoorbeeld graag wilt en wel spannend vindt of allerlei gevaarlijke spelletjes speelt. We weten niet hoe het gekomen is dat Mattias bezeten is geraakt, wel dat hij het al van kinds af aan heeft, en dat hij soms zelfs door die boze geest in het water of het vuur wordt gedreven. Mattias zal wel onder de brandwonden zitten. En z'n ouders moeten steeds op hem letten of er niet iets ergs met hem gebeurt. Wat vreselijk hé? Wat kun je dan blij zijn als je gezond bent en gewoon kunt spelen!

Maar was er dan geen dokter voor Mattias? En waarom gaf die hem dan geen goede medicijnen? Die hadden ze in die tijd nog niet. En pilletjes helpen ook niet tegen boze geesten. En daarom gaat Mattias vader op een goede dag naar de Here Jezus toe. Want hij heeft gehoord dat Jezus heel machtig is; overal wordt verteld dat Hij allerlei wonderen doet. Blinde mensen kunnen weer zien. Lamme mensen weer lopen. Er is dus nog een klein kansje dat Mattias beter wordt! En hoopvol gaan ze op zoek naar die Grote Wonderdoener. Maar Jezus is er niet. Wel zijn er een paar discipelen van Hem, en ook die kunnen mensen beter maken. Maar wat ze ook proberen, het helpt niets. Mattias vader wordt er heel verdrietig van: nu is alle hoop verkeken. Zijn zoon zal nooit beter worden. Er zijn ook een paar schriftgeleerden uit de tempel van Jeruzalem bij en die gaan nu ruzie maken met de discipelen van Jezus. "Zie je wel dat jullie niks kunnen. Dat het allemaal bedrog is. Jullie meester is er niet meer bij en meteen kunnen jullie ook niks meer. 't Is allemaal onzin mensen. Volksverlakkerij. Trap er niet in!" En zo proberen ze de goedgelovige massa op te ruien en bij Jezus vandaan te drijven. "Zou het dan toch niet waar zijn...?"

Plotseling ontstaat er tumult. Er klinkt verbazing. De mensen kunnen hun ogen niet geloven: "Daar is Jezus! Hij is helemaal niet weg!" En snel lopen ze naar Hem toe en begroeten Hem. Het klinkt een beetje overdreven en een tikkeltje schijnheilig, zoals mensen je welkom heten die zich betrapt voelen. De Zoon van God is weer terug in de rauwe werkelijkheid. De nacht ervoor was Hij namelijk op de berg geweest en had iets heel moois en bijzonders meegemaakt. Zijn Vader in de hemel had Hem toen moed ingesproken en Hem kracht gegeven voor het zware werk dat komen gaat. Dáárvoor waren Mozes en Elia teruggekomen. Het was net alsof Jezus weer even in de hemel was. Maar nu stond Hij weer met beide benen op de aarde. "Waarover waren jullie aan het ruziemaken?", vraagt Hij. Het blijft stil. De discipelen zeggen niks. En de schriftgeleerden zeggen niks. Schamen ze zich? Dan komt Mattias vader naar voren. "Meester, ik heb mijn zoon bij hen gebracht. Hij is bezeten door een boze geest die vreselijke dingen met hem doet. En ik wilde graag dat uw discipelen de boze geest uitdreven, maar ze konden het niet." Wat zal de Here nu zeggen? Zal Hij boos worden op zijn discipelen? Zal Hij vol medelijden Mattias gelijk beter maken? Nee. Wat de Here zegt is heel vreemd. "O ongelovig geslacht, hoe lang zal Ik nog bij jullie zijn? Hoe lang zal Ik jullie nog verdragen? Breng de jongen bij Mij." De Here heeft het dus helemaal niet over Mattias en over hoe erg het is dat hij zo ziek is. Hij heeft het niet over ziekte, maar over ongeloof. O ongelovig geslacht, zegt Hij. Wie bedoelt Hij daarmee? De discipelen die niet kunnen genezen? De schriftgeleerden die niet in Hem willen geloven? De vader van Mattias? Ja, zij allemaal samen. Al die mensen om Hem heen die achter Hem aansjouwen alsof Hij een soort Jomanda is die met bestraalt water een commercieel circus in stand houdt. Mensen die voor de kick van het wonder komen en gehandicapten willen zien opstaan uit hun rolstoel. Mensen die wel van Hem willen profiteren - zelf beter van Hem willen worden - maar niet in Hem geloven. Ongelovig geslacht. Hier zie je dus dat Jezus er opnieuw doorheen prikt, door al die opgeklopte goedgelovigheid die niets anders is dan ongeloof. Wat zijn ze toch druk aan het praten en discussiëren over de gevolgen van zijn verdwijning? Laten ze zich liever bezighouden en vrezen voor zijn verschijning! Wie is hier eigenlijk echt ziek?

Ja, wie is er in dit verhaal echt ziek? Die jongen natuurlijk, Mattias, want die heeft zo'n verschrikkelijk boze geest. Oké. Maar op welke zere plek legt de Here Jezus nou zijn vinger? Op dat van het ongeloof. Want nog veel erger dan bezeten zijn door een demon is het bezeten zijn van ongeloof. Want, zo is het toch: je kunt vreselijk ziek zijn en toch kerngezond, namelijk in het geloof. En je kunt straatarm zijn en toch schatrijk, namelijk in het geloof. En waar kom je verder mee, nee misschien niet in dit leven, maar wel in de eeuwigheid?

Wie is er echt ziek? Degene die in ongeloof aan Jezus voorbij gaat en er niet aan wil dat Hij de Zoon van God is, de beloofde Messias en Verlosser. Degene die Hem alleen maar beschouwd als een buitengewoon begaafd mens met bijzondere krachten, een Goeroe, een Grote Wonderdoener. Degene die alleen maar van Hem wil profiteren - beter wil worden van Hem -, maar zich niet met hart en ziel aan Hem wil overgeven en toevertrouwen. Die zijn ziek. Die moeten beter worden!

Bij Jezus gaat het maar niet om de wonderen die Hij doet. Nee, die wonderen zijn middelen tot een bepaald doel. Ze laten zijn almacht zien. Ze wijzen op zijn God-zijn. Hij is niet in de eerste plaats gekomen om zieke mensen van hun kwaal te genezen (want ondanks alle genezingen die onze Heiland deed, Hij heeft niet alle mensen genezen, en Hij heeft ook nog niet de ziekte weggenomen). Hij kwam dus niet allereerst om zieken beter te maken, maar om mensen tot geloof te brengen. En telkens weer blijkt dat de mensen zo gebiologeerd zijn door zijn wonderen, dat ze vergeten verder te kijken dan hun neus lang is. Vandaar Jezus' uitroep: "O ongelovig geslacht - hoelang zal Ik nog bij jullie zijn, hoelang jullie nog verdragen?"

En toch gaat Jezus ook nu weer genezen! Want zijn heilige godheid verdraagt geen sporen van de zonde. Dat vloekt met elkaar. Net zoals de boze geest vloekt met Jezus. Want zo gauw de jongen bij de Here wordt gebracht, grijpt de boze geest hem aan en krijgt hij weer zo'n vreselijke aanval. De duivel kan God niet verdragen en bij de goddelijke majesteit in de buurt gekomen, siddert hij. En zo laat de Here Jezus door de bevrijding van deze jongen iets zien van het komende Koninkrijk waar de duivel verdreven zal zijn en voorgoed te gronde gericht. In zijn Rijk, bij Hem geen duivelse invloeden meer, zelfs geen zonde en de trieste gevolgen daarvan. Echt helemaal bevrijd!

Maar zover is het nog niet. In wat er eerst gebeuren gaat zie je een bevestiging van wat ik net aangaf als hoofddoel van de hele geschiedenis: het gaat om geloof. Want als de boze geest Mattias aangrijpt en op de grond werpt, vraagt Jezus aan zijn vader hoelang hij dit al heeft. Het antwoord is: van kinds af aan. Maar waarom vraagt de Here dit? Hij weet dat toch wel!? Of wil Hij misschien de indruk wegnemen dat de jongen zijn bezetenheid aan zichzelf te danken heeft? Persoonlijk denk ik dat de Here de vader van Mattias iets wil laten voelen. Zoiets als: die jongen is al zó lang zó ernstig ziek. En je bent al overal met hem naar toe geweest en je hebt alles al geprobeerd. Waarom kom je nu pas - aan het eind van het traject, ten einde raad - naar Mij toe? Dat je het zo moet opvatten wordt nog versterkt door wat de vader zegt: "Maar als U iets kunt doen, help ons en heb medelijden met ons!" Is Jezus voor de vader wel méér dan andere dokters / genezers / kwakzalvers? Klinkt er twijfel door in dat 'als U kunt...'? Redeneert hij zo van 'ik heb alles al geprobeerd, dit kan er ook nog wel bij - baat het niet, het zal ook vast niet schaden'?

Daar gaat de Here op door. En Hij laat zien dat het punt niet is 'kunnen' of 'niet kunnen', maar 'geloven' of 'niet geloven'. "Het gaat erom dat u kunt geloven - alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft!" De vraag is niet of Jezus iets kan, maar of de vader kan geloven. Of er niet nog iets in hem is wat hem weerhoudt. Of het meer bij hem is dan 'eerst zien, dan geloven' - ja of er niet het omgekeerde moet zijn: eerst geloven, dan zien! Is de vader tweeslachtig, hinkt hij op twee gedachten, wordt hij naar twee kanten getrokken? Wankelt hij hier niet op de grens van het rijk van de boze geesten en het Rijk van de Almachtige? "Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp."

En is dit gevoel van die machteloze vader niet heel herkenbaar? Want je kunt daar best tegenaan lopen, moeite mee hebben: 'alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft'. Ja, is dat wel zo? Zijn alle dingen mogelijk? Matteüs voegt er in zijn beschrijving van de gebeurtenis nog deze woorden van de Here aan toe: "Want voorwaar Ik zeg u, indien gij een geloof hebt als een mosterdzaad, zult gij tot deze berg zeggen: verplaats u van hier daarheen en hij zal zich verplaatsen, en niets zal u onmogelijk zijn." Dus als je maar geloof hebt als een mosterdzaadje - en daar wordt dan het kleinste zaad mee bedoeld, van die piepkleine korreltjes die je zo wegblaast - als je maar zo weinig geloof hebt, zelfs dan al kun je bergen verzetten! Maar dan de realiteit: wie van ons kan een berg verzetten? Het is trouwens nog nooit gebeurd, en misschien ook niet zo zinvol. Nou, laten we dan het onderwerp ziekte maar weer pakken. Iemand is ernstig ziek, de dood nabij. Kan zelfs een klein beetje geloof je dan al redden, genezen, beter maken? En de andere kant: als je niet geneest, heb je dan niet genoeg geloof gehad? Met dit soort vragen kun je best zitten, het kan je verwarren en je verder van huis brengen dan ooit. Wat wil de Here Jezus bereiken als Hij zegt dat alle dingen mogelijk zijn voor wie gelooft?

Je zou kunnen zeggen dat Hij een schok teweeg wil brengen. En dat is soms nodig om mensen nog echt te kunnen bereiken. Nou is het gevaar dat je zulke woorden los pulkt uit het verband, en dat het een kreet wordt die je overal op kunt plakken: 'alles is mogelijk voor wie gelooft'. Terwijl de Here het heel duidelijk in een bepaalde context gezegd heeft: er wordt een ernstig zieke jongen bij Hem gebracht, en om Hem heen staan allemaal goedgelovige maar in wezen toch ongelovige mensen, belust op sensatie, maar niet op geloof, aanvaarding en overgave aan de Here. En tegen deze mensen zegt de Here Jezus nu dat alles mogelijk is voor wie gelooft. Laten we als voorbeeld de discipelen nemen - ik loop nu even vooruit naar het eind van de tekst. Als alles achter de rug is vragen ze aan hun Heer en Meester: "Waarom hebben wij die boze geest niet uit kunnen drijven?" En dan zegt Jezus: "Dit geslacht (deze boze geesten) kan door niets uitvaren dan door gebed." Waarom zegt Hij dat zo? Hadden de discipelen dan niet gebeden? Da's moeilijk te zeggen want daarover lezen we niet. Maar wellicht waren ze in hun gedachten meer met zichzelf dan met God bezig. 'Wij zullen jou wel even beter maken'. Alsof die macht hen zelf ter beschikking stond. Dat zelfde proef je ook een beetje uit wat Johannes iets later zegt, als hij constateert dat er ook nog iemand anders is, iemand die niet bij de discipelkring van Jezus hoort, die boze geesten uitdrijft. 'Wij hebben het hem belet, omdat hij ons niet volgde'. Maar de Here maakt dan duidelijk dat het geen exclusief voorrecht is voor bepaalde personen. Matteüs zegt dat Jezus bij de genezing van de maanzieke jongen ook nog gezegd heeft, dat de discipelen hem niet konden genezen vanwege hun ongeloof (in de vertaling staat kleingeloof, maar in het Grieks toch echt ongeloof!) Stel je voor: ongeloof bij de discipelen! Geloofden ze dan niet? Ja natuurlijk wel, alleen was het net als bij die vader nog zo tweeslachtig, zo dubbel. En de Here wil ze dat duidelijk maken door hen een schok te geven: je denkt wel dat je in God gelooft, maar is het ook werkelijk zo? En krijgt de Here dan ook die plaats in je leven die daarbij hoort? Of blijf je nog steeds denken en handelen vanuit je eigen ideeën en plannetjes en wensen. Besef je wel dat je God daarmee behoorlijk voor de voeten kunt lopen? Wat staat er bij je centraal? Is dat toch niet nog steeds je eigen 'ik'? Ik kan genezen. Ik kan boze geesten uitdrijven. Ik moet een goed christen zijn. Ik moet me aan de wet houden. Ik... Ja, en dan kun je het dus net niet.

Ja, ik geloof Here, maar kom mijn ongeloof te hulp. Zijn de woorden van die vader je niet uit het hart gegrepen? Want wie kan in deze zondige werkelijkheid, te midden van alle ellende en verdorvenheid, alle moeite, leed en tranen, wie kan hier volmaakt geloven? Het breekt je toch bij de handen af? Wat sta je vaak machteloos toe te kijken.
En toch is dat het begin uit de ellende, die schreeuw van de vader 'ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp.' Als je dat erkent ben je precies waar je wezen moet. "Toen riepen zij de Here in hun benauwdheid, en Hij verloste hen uit hun angsten..." Je hulp buiten je zelf, in Jezus Christus zoeken (Heilig Avondmaal). En zodoende zien we hoe eerst de vader schreeuwend zijn ongeloof verliest, waarna op Christus bevel de boze geest met een schreeuw uit de jongen wegvlucht. Eerst geloven, dan zien! Ook onze wereld van vandaag is vol van wonderen, als je ze maar ziet, in geloof!

Alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft - dan gaat het dus niet om geloof als een soort tovermiddel dat je alles krijgt wat je graag wilt, dat je alles naar jouw hand kunt zetten. Maar dan heb je alle verwachting van Jezus Christus: ik geloof dat Hij het kan, en wil, en zal... Zulk geloof kan nooit teveel verwachten! Laten we elkaar daarom met die woorden bemoedigen.

Amen.

Gebed (na de preek)

Goed en genadig God,

Hartelijk danken we U voor de wondermacht van Jezus Christus, uw Zoon, onze Heiland. Dat Hij, toen Hij hier op aarde was, heeft laten zien dat Hij tot grote dingen in staat was, allerlei mensen heeft genezen, ja zelfs doden heeft teruggebracht in het leven. We danken U dat er daardoor bij ons geen enkel misverstand over hoeft bestaan of Hij werkelijk uw goddelijke Zoon was, de beloofde en verwachte Messias, onze Redder en Zaligmaker.
Here, wil ons leren niet alleen maar op die wonderen en tekenen te letten, maar ook te begrijpen welke bedoeling U er mee had. Dat U aandrong op geloof in U en overgave aan U. Here, kom ons daarin te hulp. Want ook wij hinken nog zo vaak op twee gedachten. En ook bij ons moet het vaak zoals wijzelf graag willen, of prettig vinden. En ook wij stellen allemaal eisen aan onszelf of aan anderen voordat het geloof in beeld komt. Here, leer ons dat omdraaien. Laat ons helemaal leeg worden van onszelf, ons kunnen en ons moeten. Echt helemaal leeg. En vult U dan door uw Geest de ruimte die er in ons leven komt, zodat we helemaal vol worden van U en alles van U verwachten - niet van onszelf maar van U. U kunt alle dingen - geef dat dat ons geloof, ons vertrouwen is.
Here, wil ook in onze tijd liefdevol en genadig omzien naar zieken, gehandicapten, mensen die hun leed zwaar te dragen hebben. Wil verlichting, beterschap, genezing geven als dat uw wil is. En als U een andere bedoeling met ons hebt, kom ons dan net als die vader van die ernstig zieke jongen te hulp in de strijd tussen geloof en ongeloof. Want het is lang niet altijd makkelijk, Here God. Houd U ons vast.
Wij danken U voor deze kerkdienst. Geef ons een fijne zondag. [ Breng ons als dat kan vanmiddag nogmaals samen rondom uw Woord. ] Vergeef al onze zonden. Neem ons zingen, danken en offeren aan. Wij bidden in Christus onze Redder.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar