Dwazen uit het Oosten wijzen de weg naar Jezus

Thema: Dwazen uit het Oosten wijzen de weg naar Jezus (Kerst)
Tekst: Matteüs 2: 11
Tekstgedeelte(n): Matteüs 2: 1-12
Filippenzen 2: 1-11
Door: Ds. J.T. Oldenhuis (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Helpman)
Gehouden te: Zwolle-Zuid op kerst 1995
Extra: Gebeden

Aanwijzingen voor de Liturgie

  1. Votum en Zegengroet
  2. Ps. 89: 1, 3
  3. Wetslezing: Exodus 19: 3-8a; Exodus 16-19a; Exodus 20:1-18
  4. Gez. 1: 1, 13
  5. Gebed 1: aanbidding, schuldbelijdenis, zegen over samenkomst, aanwezigheid van God, opening van het Woord
  6. Ps. ?
  7. Schriftlezing: Matteüs 2: 1-12; Filippenzen 2: 1-11
  8. Ps. 72: 6-7, 10
  9. Tekstlezing: Matteüs 2: 11
  10. Preek
  11. Gez. 30: 4-5
  12. Mededelingen
  13. Gebed 2: dankzegging en voorbeden
  14. Collecte
  15. Gez. 25: 1-3
  16. Zegen

Gebed 1

Here God, eens heel in het begin van de geschiedenis van de mensheid, hebt u de mensen, die van u weggelopen waren in hoogmoed en opstand, teruggeroepen met een belofte, de belofte, dat u de macht van het kwaad dat de mens in de wereld had gebracht, zou breken. U zou een mens geven, een van ons, die dat zou doen. En veel later hebt u dat gedaan, na eeuwen wachten en uitkijken, hebt u die oude belofte waar gemaakt, u hebt iemand gegeven, een echt kind, geboren uit Maria, tegelijk iemand die van u vandaan kwam, uw eigen zoon, Jezus is Hij genoemd, en zijn naam bevat de boodschap van zijn werk: in Hem hebt u zelf de redding gegeven. En vandaag zijn we weer bij elkaar gekomen als mensen die Hem erkennen als hun enige Redder en Heer, om u daarvoor te danken. Want dit is nog altijd het grootste wonder aller tijden U Vader zag bewogen de wereld in haar nood, uw Zoon kwam uit de hoge tot redding van de dood. En we danken u, dat we vandaag veel meer nog mogen weten dan de herders op het veld te Betlehem, aan wie als eerste het nieuws gebracht werd, dat blijdschap betekende voor heel uw volk. Want we weten dat deze Jezus vandaag zit aan uw rechterhand en zijn werk volbracht heeft en de macht van het kwaad heeft gebroken. Het is geen sprookje geweest. De feiten zijn betuigd door de mensen die Hem naar de hemel hebben zien gaan. En zo zijn wij hier samen: o Gij, ons heil ons hoogste goed, gij werd een mens van vlees en bloed, werd onze broeder en door u zijn wij Gods eigen kinderen nu. U die voor ons geboren zijt, U zij ons hart ons lied gewijd. Wij voegen juichend onze stem, in 't grote koor, tot eer van Hem.

Here, geef dat we een fijne dienst hebben met elkaar. Geef dat we goed kerstfeest vieren. Met de bijbel erbij, en met de deuren open geef dat velen de weg naar Christus vinden, het kind in de kribbe en tegelijk de man van smarten en de koning der koningen.

Amen.


Gemeente van onze Here Jezus Christus,

Kerstfeest, dat is het feest van de kaarsjes en de sterren. Je kunt ze overal zien branden. Het staat zo gezellig, het grote licht kan dan uit, en de ster wordt opgehangen voor het raam. Wees een ster niet eens de weg? En was er niet heel vroeger in de bijbel al zoiets gezegd van een ster die zou opgaan in Israël? Het lijkt er wel op dat de ster nog de weg wijst. Dat is zo'n beetje de symboliek van het kerstfeest geworden: in het duister van de wereld fonkelt een ster, de ster wijst de weg in de nacht. Wijzen uit het Oosten vonden de weg bij die ster. En vandaag aan de dag wordt aan de duizenden nog de weg gewezen met het licht van de ster, lijkt het wel. Kerstfeest lijkt wel het feest van het sterrenlicht.

Natuurlijk heeft dat te maken met die ster die zo'n wonderlijke rol speelt bij de geboorte van het kind Jezus. Je zou er haast van gaan denken, dat het lot van die Jezus dan toch in de sterren heeft gestaan. Is er dan niet toch ergens een beetje recht gegeven aan al die mensen die het vandaag ook in de sterren zoeken en in de tekens van de dierenriem? Zou het kerstfeest dan toch een beetje de astrologie in het gevlij komen?

Ja, die ster speelt wel een wonderlijke rol in de geschiedenis van de geboorte van Jezus. En de mensen die daardoor zijn aangelokt toch eigenlijk ook. Die wijzen uit het oosten. Ze komen zo maar uit een ver land de bijbel binnen, ze komen in Jeruzalem, ze worden doorgestuurd naar Betlehem en via een wat slinkse beweging verdwijnen ze weer uit het gezichtsveld buiten de grenzen, en niemand die weet waar ze gebleven zijn. Wat zijn het eigenlijk voor lieden. Wat doen ze nu precies? Wat is hun functie. En waarom komen ze helemaal van zo ver? Wat voegen ze eigenlijk toe aan het verhaal van de feiten van de geboorte van het kind Jezus? En waarom is het nu precies Matteüs die ze ten tonele voert? Niemand van de andere evangelisten heeft ze zelfs maar genoemd. Ze komen nergens en nooit meer in de bijbel voor. Wat betekent dat verhaal van die wijzen eigenlijk precies?

Ik vat het zo samen:

Dwazen uit het Oosten wijzen de weg naar Jezus

Drie punten:

  1. Ze werden gelokt door een kaars
  2. Ze werden geleid door het licht
  3. En ze bogen zich gelovend voor een kind

1. Ze werden gelokt door een kaars

Weet u wel, dat er hier meer mensen in de kerk zitten, dan er ooit bij de kribbe van Jezus hebben gestaan? Je kunt nu vandaag wel heel hoog opgeven van dat kind dat daar geboren werd, en er werd ook in die nacht heel hoog van Hem opgegeven, bedenk het eens even, duizenden engelen hebben daar de lucht boven de velden van Efratha gevuld met hun victoriegeroep en dat was toch niet niks, maar dat is allemaal weggeëbd, diezelfde nacht nog. Een paar herders, en dat waren vaak de besten niet van de maatschappij, hebben het gehoord. En is er wel ooit nog eens weer op gezinspeeld? Hoor je er nou ooit ergens in de evangeliën nog iemand over spreken over die engelenzang? Als de herders het niet verteld hadden aan Maria en Jozef, dan zouden we er misschien wel niks van geweten hebben. Want Jozef en Maria hebben het kennelijk nauwelijks gehoord. En er is ook geen engel naar de kribbe gegaan waar Jezus in lag. Nee, zulk hoog bezoek is daarin die stal niet geweest. Er kwamen diezelfde nacht nog een paar van dat ruwe herdersvolk kijken. En dat was alles. En je leest er ook niets van dat er later mensen uit het plaatsje Betlehem op af gegaan zijn. Die hadden er anders wel van gehoord door de herders. Dat hebben we gelezen in het evangelie van Lucas. Maar niks hoor, ze zijn niet wezen kijken en nog minder aanbidden of zo. Helemaal niks van dat al. Dat kind is geboren en er is heel veel rondom die geboorte gezegd door niet de eerste de besten, door de engelen nog wel, en toen zijn er een paar herders op af gegaan. En dat is nu echt helemaal alles.

Ja, een poos later zijn er een stel vreemde figuren opgedoken in Betlehem. DE wijzen uit het oosten. Zo noemt Matteüs ze. Ze zijn daar binnen gekomen in het huis in Betlehem. 'Huis' staat er in vers 11. Dat hebt u toch wel goed onthouden, hè? Matteüs schrijft niet over een stal. Maria en Jozef hadden kennelijk intussen een gewoon onderkomen ergens gevonden. En die vreemdelingen hebben wat navraag gedaan hier en daar en die zijn aar tenslotte terechtgekomen. Zo zal het welgegaan zijn. En dat zal best opgevallen zijn in dat dorpje. Want echt, dat was een dorpje van niks. Ja het was vroeger wel bekend geweest als de plaats waar koning David vandaan gekomen was. Maar dat was al lang geleden. David was als koning meer verbonden aan Jeruzalem. Dat was de stad van David. En Betlehem, dat was een vergeten dorp, meer niet. Echt: precies zoals de profeet Micha gezegd had: het kleinste onder de dorpen van Juda. Want zo stond het bij de profeet Micha letterlijk. Een onbetekenend gat, meer niet. En daar vallen zulke vreemde figuren op natuurlijk.

Nou ze hebben het huisje gevonden en ze zijn binnengekomen. En ze hebben een kind gevonden, met zijn moeder. Dat zal ze heel vreemd zijn aangekomen, maar daarover straks. Ze hebben zich toch gebogen en alles wat ze bij zich hadden hebben ze uitgepakt. En toen zijn ze weer weggegaan, en niemand heeft ooit meer wat van ze gehoord. En hoe opvallend hun verschijning in dat dorp Betlehem ook geweest is, je leest nog niet dat iemand van de dorpelingen nu ook eens gaat kijken wat daar in dat huisje aan de hand is. Werkelijk: dat kind Jezus heeft de wereld niet bij zich gehad, heeft de mensen van zijn eigen stam en van zijn eigen volk nog niet bij zijn wieg gehad. Het is allemaal wel heel erg pover rond zijn geboorte. Er zitten er hier echt meer mensen in de kerk dan er toen op de been zijn gekomen voor dat kind.

Ja en dan even later, toen zijn er nog eens een aantal mensen gekomen in dat dorp. Die kwamen met slechte bedoelingen. Ze zijn alle huizen binnengestormd, en ze hebben de vaders en de moeders opzij gedrukt. Het is echt te erg om te vertellen eigenlijk. Ze hebben de kleine kinderen tot en met twee jaar in koelen bloede afgemaakt. Ze kwamen kort na die vreemde wijzen uit het oosten aan. Het een had wel terdege wat het ander te maken. Het is werkelijk verschrikkelijk wat daar in Betlehem toen is gebeurd. Maar toen was dat kind -waarom het ging- al verdwenen, met de noorderzon verdwenen nota bene.

En de mensen zijn daar in Betlehem achtergebleven met allemaal vragen en met bitterheid ook. Dat vergeet je toch nooit weer, als zoiets in je dorp is gebeurd? Dat heeft toch op de dorpsschool om zo te zeggen altijd nog lege banken opgeleverd. Daar blijf je toch mee geconfronteerd, als ze aan dat jonge stel dachten, Jozef en Maria en hun kind, dat daar maar een poosje onder hen heeft gewoond, dan hebben ze eraan gedacht met gemengde gevoelens, denk ik. Het had ze weinig geluk gebracht. Het was verschrikkelijk. Het hoefde ook nooit weer te komen eigenlijk. Dat kind bracht ongeluk. Al dat vreemde gedoe heeft er maar aan meegeholpen, dat ze dat kind liever verzwegen. Kijk zo is Jezus nu op deze aarde gekomen. Helemaal niet verwacht door iedereen, of verwelkomd door velen, of aanbeden door zijn volk, of vereerd door de menigte. Integendeel. Veracht, verstoten, en verwijderd. Er is eigenlijk niets liefelijks aan dat hele verhaal, dat Matteüs hier vertelt. Dat is de tendens van zijn verslag. Vanaf het eerste begin van zijn verschijning op aarde is die Jezus aan de kant geschoven eigenlijk. Vooral door zijn eigen volksgenoten. En toch... en toch zegt Matteüs, en toch is dit nu degene die altijd al door God is beloofd is, dit is nu toch degene die als de door God gegeven redder moet worden aanvaard. Juist omdat hij zo veracht en terzijde geschoven is, omdat Hij zo gehaat is geweest vanaf het eerste begin. Ja, juist daarom kun je in Hem degene herkennen, die door God gegeven zou worden om de zaken in orde te maken bij God. Hij droeg de last van al die ellende vanaf de eerste dag van zijn geboorte met zich mee. En daarom moet je veel meer in Hem zien, dan zomaar een baby of zomaar een kind. Dat maken nu bijvoorbeeld die wijzen uit het Oosten heel goed duidelijk.

Want wat zijn dat voor mensen? O ja, de verbeelding heeft vanaf het eerste begin van de christelijk traditie de verhalen rondom hen vermenigvuldigd. Er zijn koningen van gemaakt, hoge edele verschijningen, verfijnd van beschaving, rijdend op kamelen, met een gevolg van dienstpersoneel, een heel gezelschap is het geworden zo langzamerhand, men heeft er een twaalftal van gemaakt, en men heeft er namen en geschiedenissen bij gezocht, en het minste is toch altijd wel geweest dat ze met zijn drieën waren, mooie namen hebben ze gekregen Melchior, koning der Perzen is hij genoemd, Balthasar koning over India en Gaspar die door de traditie aan Arabië is verbonden. Ze hebben een eigen dag gekregen te hunner nagedachtenis, 6 januari, dat is de dag van de Drie koningen. En er is ook nog een vierde wijze bij gefantaseerd, het beroemde sprookje van de Vierde wijze heeft velen gestreeld.

Maar echt, we weten er eigenlijk maar heel weinig van. Ze kwamen uit het Oosten staat er. Dat betekent in elk geval: ze kwamen ver weg. Waar precies vandaan, Matteüs vertelt het niet en Matteüs is de enige die erover schrijft. We weten het gewoon niet. Hoeveel het er waren, onbekend. Hun namen, niet overgeleverd. Waren het koningen? Dat zegt Matteüs in ieder geval niet. Hij spreekt over wijzen. Magiërs is het woord dat hij gebruikt. En dat woord wordt op andere plaatsen in het Nieuwe Testament vertaald met tovenaar. Elymas de tovenaar en Simon de tovenaar, dat waren magiërs. En die zijn in de christelijk kerk nooit uitgegroeid tot koningen of wijzen. Integendeel: Petrus heeft Simon de tovenaar een gal van bitterheid en een warnet van ongerechtigheid genoemd. En Elymas is door Paulus voor een duivelskind uitgemaakt. Weet maar goed, dat zulke tovenaarspraktijken in de bijbel heel streng afgekeurd worden. Wie zich langs die weg kennis wil verwerven, bewandelt de weg der duisternis. Wie waarzeggerij pleegt is de Here een gruwel staat er in het Oude Testament. Al die occulte praktijken en geheimzinnige trucjes waarmee zulke lieden macht over medemensen proberen te krijgen worden scherp afgewezen. God spreekt door zijn woord duidelijk en helder en hij zegt: dat is de weg van het licht. En die waarzeggerij is duisternis. En toen Israël zich met dat soort praktijken inliet, heeft God mee daarom de straf van de ballingschap over hen doen komen. Jesaja heeft het woord gesproken, dat God de waarzeggers als dwazen aan de kaak zal stellen.

Nu, die zogenaamde wijzen uit het Oosten behoren regelrecht tot dat gilde. Het gilde der dwazen. Ze kennen God niet, en ze koersen op wonderlijke dingen, sterrengeflonker is hun leidraad. Dat zijn dwaalgeesten vergeleken bij degenen die God kennen en zijn woord hebben, die de profetie kennen en de geschriften van de profeten kunnen lezen. Je kunt het eigenlijk wel zo zeggen: die zogenaamde wijzen leven in het donker, vergeleken bij de mensen in Israël die het woord van God hebben.

En wat gebeurt er nu? Die wijzen die eigenlijk dwazen zijn en die eigenlijk in de duisternis leven, die hebben een lichtje zien schijnen. 'We hebben een ster in het oosten gezien', staat er in onze vertaling, maar dat moet zijn: 'we hebben een ster zien opgaan'. Ze hebben dus bij hun onderzoek van de hemel een ster ergens opgemerkt. Geen sterrenbeeld ook geen komeet, een gewone ster. Wat dat voor een ster is geweest, weet ik niet. Het hoeft helemaal geen flonkerende ster te zijn geweest. Geen zeer lichtgevende of zo, of een bewegende, nee gewoon ineens was daar een ster die ze niet kenden. En dat is voor hen het signaal dat er ergens iemand geboren is. Een nieuwe ster een nieuwe geboorte. Het lot der mensen straat in de sterren geschreven. Ze weten niet beter. En ze trekken de conclusie die bij hun duister past. En ze hebben die conclusie kennelijk verbonden met allerhande verhalen die nog van de Joden zijn blijven hangen, die daar eeuwen geleden in ballingschap in die landen zijn uitgewaaierd. Die spraken over een te verwachten heerser der wereld, een redder der volkeren een licht der natiën. En was het misschien ook niet zo, dat nog veeleerder een oude collega van deze sterrenwichelaars, ook zo'n wonderlijke waarzegger, Bileam, in nog veel vroegere tijden een spreuk had afgegeven over een ster die zou opgaan in Jakob? Hoe het ook zij: deze mensen verbinden die ster met die verwachtingen van de Joden en ze concluderen, dat er dus die te verwachten redder der mensheid geboren moet zijn.

Heeft die ster ze nu de weg gewezen? Stond het nu echt in de sterren geschreven? Welnee. Er stond helemaal niet bij waar die redder der mensheid was geboren. Want straks komen ze in Jeruzalem aan, en daar zijn ze helemaal fout ook nog. Als die ster ze daarheen de weg gewezen heeft, heeft die ze een verkeerde weg gewezen. Nee, dat ze denken aan Jeruzalem, komt van die oude verhalen, die op een verbasterde manier daar zijn blijven hangen. Met andere woorden: zonder die verhalen die tenslotte afkomstig zijn uit de profetieën waren ze niks wijzer geworden. Die ster was zo'n geweldig licht niet. Die ster wees niet eens de weg. Die was maar een signaaltje. En ook nog een heel zwak signaaltje, waarbij je nog een heel stel conclusies trekken moest, anders wist je nog niets. En die conclusies hadden hoe dan ook te maken met dat wat God ooit eens gezegd had. Dus die ster was maar een kaars vergeleken bij het licht van de profetie. Eigenlijk had God door die ster precies die wijzen aangesproken in de taal die ze verstonden. Je zou zeggen: God paste zich aan bij hun peil van kennis. Hij lokte ze door een kaars. Meer niet. Die ster bevatte werkelijk het evangelie niet, was ook niet het grote licht dat opgegaan was in hun harten. Het was echt niet meer dan een kaars. En zonder het licht van de profetie konden ze er niet mee bij Jezus komen.

Maar wel valt dit op: ze komen in beweging. Ze zijn op reis gegaan. Zelfs met zo'n klein lichtpuntje als die ster was, kwamen zij in beweging. Dat is het merkwaardige. En dat is wel een heel grote tegenstelling met wat er dan verder gebeurt met de mensen, die veel meer licht hebben, de mensen in Israël, de mensen in Jeruzalem. Die hebben alle profetische boeken. Die kunnen er zomaar uit citeren, maar komen ze in actie, ho maar, niks er van. Ze citeren de schriften en ze blijven zitten waar ze zitten. Wat een tegenstelling. Wat een scherpe boodschap eigenlijk voor de Joden voor wie Matteüs schrijft. De Joden van een generatie later. Die hadden toch die geschriften ook. Meer nog: die stonden zelfs achter het hele leven van deze Jezus. Ze hadden alles gezien. Ze hadden gehoord van zijn opstanding., Ze wisten om zo te zeggen alles. En waar bleven ze eigenlijk - erkenden ze deze Jezus al als hun heer? En wij vandaag, u, wij hier samen? Wij weten immers nog meer. Die dwazen die gelokt werden door een kaars, die konden wel eens een schokkende boodschap voor ons betekenen. Als wij die zoveel meer weten, wij die in het volle licht staan, over wie de zon der gerechtigheid is opgegaan, die verlicht worden met het Licht uit de hoge, die alle zondagen de kerk hebben, en de bijbel op tafel en de prediking elke keer maar weer, als wij die dat alles toch maar hebben, ons niet van heler harte overgeven aan dat Kind dat toen geboren is, en Hem aanbidden nu in zijn hoogheid, dat wil zeggen, als wij niet echt voluit christelijk willen zijn en christelijk willen denken en niet maar een kniebuiging maken, maar Hem belijden als onze enige Heer, nu, dan is de boodschap van de komst van die dwazen voor ons net zo diep schokkend. Weet wel wat je te doen staat, als je die dwazen uit het Oosten daar gebogen ziet voor een kind en zijn moeder. Dan mogen wij zoveel eeuwen later ons wel terdege gaan buigen niet voor dat Kind, maar voor Hem die sinds die tijd veel verder gekomen is: Heer der wereld is op de troon naast God. Dan moeten wij ons allemaal buigen voor Jezus, als de Heer die het te zeggen heeft!

2. Ze werden geleid door het licht

Voordat die wijzen in Betlehem aankwamen, was er al heel wat gebeurd. Daar moeten we ook nog wel even wat van zeggen. Want het heeft ook een heel scherpe boodschap. Ze kwamen aan in Jeruzalem. En ik zei al: daar waren ze fout. Ze gingen regelrecht naar het paleis. Uiteraard: als er een koning geboren moest zijn, dan zou dat daar wel gebeurd zijn, nietwaar? Maar wat een wonderlijke gewaarwording: niemand wist er iets van. Het waren ook werkelijk wel vreemdelingen in Jeruzalem, die dwazen uit het Oosten, want ze wisten blijkbaar niets van de verhoudingen aldaar. Herodes zat op de troon. Hij was geen echte Jood. En hij had door allerlei gemene praktijken zich van de troon meester gemaakt. Hij had er een vrouw voor aan de kant gezet en was met een Joodse prinses getrouwd. Maar als die wijzen hun oor te luisteren hadden gelegd, hadden ze zomaar kunnen weten, dat die Herodes nauwelijks als wettig vorst der Joden werd aanvaard. Hij was al wat op leeftijd in deze dagen, en men speculeerde al over zijn opvolging. En hij had zich niet ontzien, om een aantal van zijn zoons, die hij verdacht van pogingen om hem uit de weg te ruimen, te laten vermoorden. En zijn meest geliefde vrouw had hij ook al omgebracht om dezelfde reden. Je kon beter zwijn zijn bij Herodes, dan zoon van Herodes, was een cynisch gezegde in die tijd in Rome, want varkens werden niet gegeten door de Joden omdat het onreine dieren waren. En daar komen nu die wijzen. En die vragen of de koning der joden geboren is, want zij hebben zijn ster zien verschijnen. Nee maar! Wat zal er nu gaan gebeuren? Denk eens even na!

Het is een ronduit schokkend bericht voor de achterdochtige en bijgelovige Herodes. Dat is ook een man van het duister, die de waarzeggerij gelooft. Hij schrikt. En hij verbindt kennelijk dadelijk deze titel aan de verwachtingen van de Joden: die spreken toch altijd over de heerser die komen zal uit het geslacht van David? Herodes stelt straks deze vraag aan de leiders van het volk, die het moeten kunnen weten. Hij spreekt dan niet over de koning der joden, maar over de Christus, de Messias die de Joden verwachten. Hij ziet dus heel duidelijk verbindingslijnen lopen tussen degene die deze vreemdelingen zoeken en die door de Joden wordt verwacht. En hij schrikt. Dat staat er: hij ontstelt. Dat is een sterk woord. Hij ziet zijn troon wankelen. En hij reageert als een gebeten hond. En nu gebeuren er allerlei vreemde dingen: Herodes roept in het geheim het voltallige sanhedrin bijeen. En hij legt ze zijn vraag voor. En intussen weet de hele stad al waar die vraag vandaan komt. Want we lezen, dat de hele stad al is ontsteld. Wat is dat voor vreemde reactie? Eerst weet kennelijk niemand nog van deze geboorte! En als die vreemden er naar vragen worden ze allemaal bang. Vreselijk bang. Want ze weten wat er nu gebeuren gaat: Herodes zal zoiets nooit laten passeren. En ze zijn doodsbenauwd voor zijn maatregelen. Ze vrezen Herodes meer dan dat ze in de sterkte van de heerser die geboren moet zijn geloven.

Maar het Sanhedrin geeft intussen feilloos het goede antwoord. Ze weten het precies. Als het moet gebeuren, moet het gebeuren in Betlehem. Dat staat in Micha. Vindplaats hebben ze erbij. Daar staat het. Ze geloven er zelf kennelijk niet in. Niemand van hen komt in actie. Want ze denken, dat als het zover is, het uiteraard helemaal niet zo nederig en onbekend zal toegaan. Dat zal iets geweldigs wezen. Die heerser die voor God zal voortkomen uit Betlehem. Dat gaat natuurlijk met een kracht en een geweld gepaard, dat iedereen dadelijk opvalt. En zouden nu deze heidenen het ze moeten komen vertellen, geleid door hun waarzeggerij. Dat is te gek. Zij weten wel beter. En ze klappen het Oude Testament weer dicht, na hun correcte antwoord aan Herodes. De zaak heeft afgedaan. En er is voor hen geen reden om ook eens op onderzoek uit te gaan. Ze verwachten een geweldig vorst, een hoge heer, iemand die hun gevoelens streelt, die past bij hun slag.

En straks gaan die wijzen verder. Herodes heeft ze ingelicht. Het gaat allemaal nogal stiekem en geheimzinnig toe. Wat een wonderlijke toestanden daar in Jeruzalem. Niemand weet wat. De massa houdt zich stil uit angst voor Herodes. En de leiders komen niet in actie. En het paleis weet niets. En de koning stuurt ze verder met het verzoek terug te komen en rapport uit te brengen. Niemand gaat mee.

Wat betekent dit nu allemaal? Het betekent, dat die mensen helemaal niet op de goede plaats konden komen, als de bijbel niet open ging. Zonder het licht der schriften hadden ze Betlehem nooit gevonden. Men komt alleen maar tot het kind Jezus, geleid door het licht. En dat is het licht van het woord van God. Niemand kan dit kind vinden, niemand kan het kennen, als je de bijbel niet gebruikt. Maar dan nog iets: als die bijbel open gaat, dan is dat nog geen garantie om de weg te vinden. Want die bijbel ging daar open in Israël en -o schande- ze lazen niet eens goed. Ze lazen er straal aan voorbij. Daar was nu het licht gegeven en ze deden er niets mee. Daar stonden ze in het licht en ze lieten die vreemdelingen eigenlijk in het donker staan. Niemand kwam in actie. Wat een schokkende boodschap bevat die geschiedenis van de wijzen uit het oosten voor de mensen die beter konden weten. Ze gebruikten de bijbel niet eens goed. Hun eigen gedachten over de komende redder versperden zelfs het goed verstaan van de profetie. Ze wilden een hoge heerser. En ze konden er niet mee overweg, dat de beloofde Redder zo onopvallend, zonder dat zij het wisten in Betlehem geboren zou kunnen zijn. Nee toch, dan zouden zij het toch wel meten weten. Hij zou hen toch zeer wel eren. En niemand ging mee naar Betlehem. Dat kan dus: de bijbel hebben en er niet eens goed meer in kunnen lezen, een pantser hebben van je eigen gedachten over redding en verlossing en daardoor de echte boodschap van de redding die God geeft niet eens meer lezen, niet eens meer kunnen lezen. Dat kan dus: in het licht gezet zijn en toch in het donker dwalen. En dat kan dus, dat er mensen van buiten komen die maar een heel klein lichtpuntje hebben opgevangen, een kaarsje hebben zien branden, en die er meer op reageren dan degenen die zoveel weten. Dat is diep beschamend. De komst van Jezus schift de geesten en legt de diepste gedachten van een mens bloot. Dat nederige komen van Hem blijkt best een ergernis te zijn. Dan wordt precies duidelijk of je Hem op die manier ook wilt aanvaarden. Dan moet je je diep buigen. Zelf nederig zijn: arm van geest, kind! Gered willen worden door zo iemand, die zo heel gewoon als ieder ander mens in een kribbe ligt. Dat een redder dat allemaal ook nog moet doormaken, omdat dat hele leven van ons mensen eigenlijk vuil is. Dat Hij alles moet over doen eerst. Ja dat zegt wat: dat zegt wat van ons leven! Dat moet over gedaan worden door Hem. Ja, dan moet je diep buigen! Dat Hij beginnen moet als baby, om een heel mensenleven zuiver op te zetten. Dat is een harde zaak. Dat is toch eigenlijk niet te pruimen. Zeg nou zelf. Eigenlijk staan we heel dicht bij die hoge heren die de jas niet pakten om met de wijzen mee te gaan naar Betlehem! Dat sta je altijd, als je die nederigheid niet bezit. Dan kom je nooit bij de echte Jezus terecht.

3. En ze bogen zich gelovend voor een kind

En toen stonden die wijzen daar. Buiten in de nacht. Alleen gelaten. En heel eenzaam. Was me dat nu ook niet wat: zij gelokt door een sterretje en nu in het land waar het licht van de profetie was ontstoken, en dan nog in het donker staan! Je zou verwachten, dat ze rechtsomkeert hadden gemaakt en gezegd hadden: allemaal onzin. Die mensen zelf hier weten er niets van. Waardeloos.

En wegwezen! Maar dan komt het verrassende: ineens zien ze weer die ster. En we lezen, dat ze er zeer verheugd over waren. En dat is te begrijpen. Want dat was nu de bevestiging dat ze toch op de goede weg waren. En wat is nu het beschamende daarvan: dit, dat God -nota bene in het land waar men de profetie heeft- nog een keer gebruik moet maken van dat wonderlijke hulpmiddel van een 'kaars': een ster. Die brengt hen tenslotte bij de plaats van de geboren Koning der joden. En wat vinden ze daar dan? Een kind en zijn moeder. Een baby dus, met de moeder vlak in de buurt, want daarvan is dit kind helemaal afhankelijk. Net zo als elk pasgeboren kind. Een heel; gewoon kind dus. Niks bijzonders aan te zien. Ook nog liggend in een voerbak. Zo vreselijk gewoon. Geen paleis, geen geschitter of geschetter. Waren ze daar nu echt helemaal voor gekomen? Geen lakeien bij de poort, geen vlaggen uit, geen optochten en geen TV er bij. En dat is nu de Koning voor wie een ster is gaan schijnen. Heb je wel ooit! Daar zou je toch gewoon aan voorbij lopen. En wat lezen we dan verder? Ze buigen zich en pakken hun geschenken uit, goud, wierook en mirre. Dat zijn geschenken, die duiden op hun hoge verering. Goud, wierook en mirre geef je toch doorgaans alleen aan zeer hooggeplaatsten of aan de goden zelf. Je zou haast zeggen: toen ze dit arme boeltje zagen, hielden ze hun geschenken maar in de bagage en gingen ze diep teleurgesteld terug. Beetgenomen! Maar nee: ze zijn niet teruggegaan toen ze deze eenvoud aantroffen. Ze hebben geloofd in de tekenen die ze hadden gekregen. Ze hadden voldoende aan de signalen die zíj hadden. Zij, ja zíj wel, zij bogen zich en boden hun geschenken aan. Dat is heel wonderlijk. En dat terwijl er niemand van de mensen in Betlehem achter hen aankwam. En ook niemand van het Sanhedrin. Of uit Jeruzalem. En ze hadden daar toch allemaal van hun komst vernomen. En ook van hun boodschap gehoord: een ster! En dat is de geboorte van de Koning der joden. Maar nee: niet in beweging te krijgen, geen één! En ze wisten zo veel! Ja, Herodes zou erachteraan komen. Maar dat heeft God eerst verhinderd, om het kind te beschermen. Maar dat is een volgend bedrijf. Laten wij het vanmorgen beperken tot de boodschap die uit deze geschiedenis naar ons toekomt:

Dwazen uit het Oosten wijzen de weg naar het kind Jezus, en dat ondanks het feit dat de mensen die hun het licht moesten ontsteken, niet met hen meegingen. Daar lagen zij ten slotte op de knieën voor een kind in een voerbak of zoiets, vreemdelingen, uit een ver land, gelokt door een kaars, geleid door het licht, ten slotte gelovend in een kind. En waar waren de velen, de anderen, de volksgenoten van dit kind? Waar waren de mensen die zoveel meer wisten? Waar zijn wij? Wij hoeven niet meer naar Betlehem. Het kind is al lang daarvandaan gegaan. Het is al lang in Jeruzalem gekruisigd. Het is al lang opgestaan uit het graf. Het is opgevaren naar de hemel. O, wat weten wij veel meer! Buigt u voor dat Kind dat toen geboren is? Verwacht u Hem terug uit de hemel? Erkent u Hem als degene voor wie iedereen buigen moet, omdat God Hem verhoogd heeft boven alles wat maar op de aarde is. Erkent u Hem als de enige Heer, voor wie alle knie buigen moet? Laat niemand van ons achter blijven zoals zo velen toen achter bleven. Laat ieder Hem erkennen zoals Hij is. Je kunt kaarsen ontsteken op Kerst, als je maar weet, dat kaarslicht altijd maar surrogaat is, en Kerstfeest juist betekent, dat er een groot licht is gaan schijnen, als je maar weet, dat er voor dit Kind gebogen moet worden, dat je je kronen aan zijn voeten moet werpen, dat je je leven van Hem moet verwachten, je leven, dat je verknoeid hebt bij God; als je maar weet, dat je bij deze Jezus je leven moet verliezen, om leven te winnen. Hij is de enige weg tot God. En er is geen ander. En als je Hem zo erkent, je je zo voor Hem buigt, dan gaat het licht op. In alle duisternis, moeite en ellende, het licht dat toen in al die eenvoud redding betekende voor allen die in duisternis gezeten waren. Komt laten wij Hem belijden, als de Redder der wereld, de redder voor elk van ons persoonlijk.

Amen.


Gebed 2

Nu komen we u danken Here, voor de dienst die we gehad hebben, voor de contacten die we met elkaar hebben, voor de band met u door Jezus Christus, voor de redding die U in de wereld gebracht hebt, voor het licht dat is gaan schijnen het licht der wereld, dat reddend verschenen is, en neemt u onze dank voor dat alles aan. Om Jezus wil.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar