Kindermoord in Betlehem

Thema: Kindermoord in Betlehem (Periode na Kerst)
Tekst: Matteüs 2: 17-18
Tekstgedeelte(n): Genesis 35: 16-20
Jeremia 31: 10-25
Matteüs 2: 12-18
Door: Ds. J.T. Oldenhuis (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Helpman)
Gehouden te: Zwolle-Zuid op 29 december 1996
Extra: Gebeden

Aanwijzingen voor de Liturgie

Votum en Zegengroet
Ps. 84: 1-3
Gebed 1
Ps. 56: 1, 4
Lezen: Genesis 35: 16-20
Jeremia 31: 10-25
Matteüs 2: 12-18
Tekst: Matteüs 2: 17-18
Ps. 62: 3-4, 6
Preek
Geloofsbelijdenis: Gez. 3
Mededelingen
Gebed 2
Collecte
Ps. 126: 1-3
Zegen: De genade van de Heer Jezus Christus en de liefde van God en de
gemeenschap van de Heilige Geest zij met u allen.


Gebed 1

Here, wilt u hier bij ons zijn. We roepen u aan. We vragen eerbiedig of u de boodschap van uw woord in ons hart wilt brengen. wilt u daarvoor de middelen van prediking en samenzang zegenen.

Geef dat we ons willen laten aanspreken. Bereid ons voor op de ontvangst van het evangelie. Geef dat we ons daaraan willen overgeven.

Voor broeders en zusters die hier niet kunnen komen bidden we u: er zijn er altijd een paar die alleen maar kunnen meeluisteren via de kerktelefoon. Geef dat ze zich toch opgenomen voelen in de gemeenschap die hier zit.

Voor broeders en zusters die niet willen komen of die steeds minder willen komen, bidden we u. Geef dat niemand van ons afhaakt. Geef dat bij geen van hen het geloof in u verdwijnt. Geef dat we allemaal zo worden aangesproken in de kerkdiensten hier, dat we niet willen wegblijven. En geef dat de sfeer ook zo is, dat het leeft wat hier gebeurt. Zegen de organisten, zodat ze door hun spel ons meenemen en leiding geven aan de gemeentezang op een manier die het zingen tot een feestelijke gebeurtenis maakt. Zegen ieder die hier een taak heeft in de eredienst. Geef dat de verkondiging van uw evangelie ons samenbindt. geef dat we daar op steeds weer willen afkomen. En geef dat we daardoor aangepakt worden, gestimuleerd, versterkt in het geloven in u.

In de naam van de enige Heer Jezus Christus bidden wij u.

Amen.


De kindermoord

Ik heb vier punten:
heel simpel

  1. Matteüs 2: 16-18
  2. Genesis 35
  3. Jeremia 31
  4. nogmaals Matteüs 2: 16-18

1. Matteüs 2: 16-18

De geschiedenis van de kindermoord is verschrikkelijk. Ik zeg u: ik zit daar mee. Ik zit daar echt mee. Ik ben bang voor de boodschap die daar in ligt. Die gaat denk ik door merg en been. Maar Matteüs heeft die er wel in gelegd, geloof ik. Dat hoort ook bij Kerst. In alle scherpte komt het op je af. Je moet in alle omstandigheden voor dat kind van Kerst kiezen. Weet Jeruzalem wel goed wie dat kind van Kerst is? Wil Jeruzalem Hem wel volgen koste wat kost? Willen wij dat wel? Ik word er haast bang van als ik er aan denk wat Matteüs hier in de beschrijving van die geschiedenis meegeeft.

En ik zou u nu eerst eens wille vragen: wat vindt u van die kindermoord? Hoe erg vindt u die? Wat doet u er mee? Wat voegt die voor U toe aan de boodschap over het kind Jezus? Wat hebt u er aan voor uw geloofsgroei?

Zeg nou eens eerlijk: zitten we er niet dik mee in onze maag? En als je dan ook nog ziet, alleen maar een beetje oppervlakkig nog, hoe Matteüs die kindermoord ter sprake brengt: hij ziet op een of andere manier een lijn lopen naar wat Jeremia heeft gezegd. Die beschreef het vertrek naar de ballingschap. De aftocht. Een soort Westerbork was dat. Echt verschrikkelijk. Daar stonden mensen bij te huilen. Ja, wat wil je. En dan typeert Jeremia dat als het huilen van Rachel. Weet u wel: Rachel die haar tweede kind kreeg en er het leven bij inschoot. Vreselijk: ze schreeuwde haar ongeluk uit. Ze huilde. Ja, wie zou dat niet doen? Maar dat huilen wordt getypeerd als het huilen van iemand die niet getroost wenst te worden. En dat wordt niet positief bedoeld. Rachel krijgt al geen positieve beschrijving in Genesis 35. Ook niet in Jeremia 31. En je kunt je niet aan de indruk onttrekken, dat Matteüs het geween in Betlehem dus ook niet positief bedoelt. En ik vraag maar weer: begrijpt u dat nou? Zo tien of misschien wel twintig kinderen zonder pardon neergemaaid en dood teruggegooid in de armen van de moeders. En dan zou het geween daarover ook nog aan kritiek bloot staan? Wat is dit voor een verhaal? Wat wil Matteüs daar mee? Wat wil de bijbel daarmee? Ik wil het met u proberen te lezen.

Laten we nu eerst eens proberen ons precies voor de geest te halen wat daar in Betlehem is gebeurd. Ik zal dat doen door u een opstel voor te lezen, dat jaren geleden eens een catechisant schreef. Ik had de opdracht gegeven om het Kerstverhaal te schrijven, maar dan steeds vanuit het gezichtspunt van één persoon: één van de herders, of een wijze uit het Oosten, Jozef, Maria, één van de soldaten van Herodes, ook vanuit het gezichtspunt van een moeder uit Betlehem. Dat laatste opstel lees ik voor.
Er zitten wel een paar dingen in die niet kloppen. Maar dat hindert niet. Het gaat om de sfeer.

De geschiedenis rondom de geboorte van de Here Jezus, geschreven over een moeder uit Betlehem

Salome zit in de huiskamer. Haar man Feroras is samen met een slaaf bezig de boekhouding na te kijken. Kleine Jochanan ligt in zijn bedje; hij slaapt.

Ishtar en Selene komen net uit school; ze praten nog even na en ze vertellen wat er die dag gebeurd is.
"De juffrouw zei, dat het land helemaal in opschudding is, want iedereen moet naar zijn eigen geboorteplaats, om daar op te schrijven wat je doet voor je werk, en hoeveel jaar je bent, je naam, waar je woont, want dat wil koning Herodes weten. Wanneer gaan wij dan? vraagt Selene. Moeder antwoordt: "Maar Selene, je weet toch wel waar je geboren bent? Hier in Betlehem toch? Net als onze hele familie. Vader heeft ons allang ingeschreven, en gezegd dat jij bijvoorbeeld naar school gaat, dat je een meisje bent, dat je 10 jaar bent en Ishtar een jongen van acht jaar en dat hij vader al flink helpt..." "Dat laatste is niet waar", zegt Ishtar, "waarom zou de koning dat moeten weten?" "Je hebt gelijk", zegt moeder terwijl ze opstaat en Jochanan uit zijn bedje haalt. "Maar Selene", zegt moeder, "maak je maar niet druk, hier in Betlehem komen nog wel veel mensen, er zijn er ook al een heleboel geweest, maar wij hoeven niet meer weg, nee gelukkig niet...."

Dan zegt vader opeens:"Moet je nou es zien, wát een stofwolk, wie zouden dáár nu aankomen?" Ze rennen allemaal naar buiten. Terwijl de stofwolk dichter bij komt, zegt vader: "'t Konden wel paarden zijn, wat rijden ze snel! En wie heeft er in ons dorp nou paarden?"

Het zíjn paarden. De mannen die erop zitten zijn gestuurd door de koning, dat kun je zó zien, ze hebben hele dure en mooie kleren aan. Moeder zegt: "kom we gaan naar binnen, ze hoeven niet te zien, dat we hier zo staan te kijken". Ze pakt Jochanan en geeft hem eten.. Dan legt ze hem weer in bed. Ze gaan allemaal weer door met waar ze mee bezig waren, terwijl ze erg vaak naar buiten kijken.

Ishtar zegt: "kijk es, ze stoppen vast in óns dorp. Moet je kijken, ze gaan steeds langzamer. Als ik later groot ben....". "Ja, stil nou maar even", zegt moeder, die het niet zo mooi inziet als Ishtar.

Ja, de paarden minderen vaart. Nu zijn ze al heel dicht bij. Ishtar vindt het prachtig. Straks rijden ze zo even langs hun huis. Wat zullen de jongens jaloers zijn. Daar komen ze al. Maar.... wat is dat? Stappen ze ....?

De mannen stappen af. Ze lopen, rennen is het eigenlijk, het huis in. Alles wat hun voor de voeten ligt, maken ze kapot. Zo ook 't hobbelpaard. Vader en moeder kijken verschrikt, wat moet dat? Gezanten van de koning in hun huis...?

Eén man pakt moeder Salome beet en zegt erg onduidelijk: "Is hier een kind beneden de 2 jaar?" Salome, die 't maar half verstaat, wijst op Selene en Ishtar. "Beneden de twee!" zegt de man nu boos. De andere man begint al vast te zoeken. Ze vinden Jochanan al gauw. Ze pakken hem flink gemeen. Vader en moeder roepen, gillen als bezetenen: "laat hem los! Laat hem gaan, pak mij maar...!" Dan begint Salome te gillen, ze is bang, wat gebeurt er? Jochanan...

Ze ziet nog net dat die boze man een zwaard pakt en met Jochanan naar buiten loopt. Dan valt ze al gillend flauw.

Selene die alles met verschrikte ogen heeft aangestaard, is helemaal van de kaart. Moeder valt flauw. Jochanan... Ze begint te huilen. Dan hoort ze nog even Jochanan angstig huilen, ze wil naar hem toe, waar...? Nog even dat gehuil, en het is stil...!! Ze hoort paardengetrappel en alles is voorbij. Voorbij?? Dan met een schok gaat het door haar heen: Jochanan...! Nee, 't kan niet waar zijn! Ze huilt, tranen... Ze hoort moeder overeind stommelen, zij huilt ook en ze bidt: "O waarom, God waarom, Jochanan..."

Tot zover dit verhaal.
Dat is er nu gebeurd in Betlehem. Ongeveer in twintig huizen. Er zijn al die jaren door op de lagere school twee klassen geweest waar geen jongens in zaten. Dat is een verdriet geworden dat nooit weer voorbijging. Daar is om gehuild. Vaders hebben de tanden geknarst. Ze hebben de kost van de wijzen verwenst. Ze hebben hun machteloze vuisten gebald. Was dat kind maar nooit hier geboren. En waren die vreemden maar nooit opgedoken. Gehuil en bitter geween. Ja, dan zeg je het nog zachtjes, denk ik. En Matteüs verbindt dat met Rachel. Wat bedoelt hij daarmee?

Ja laten we nu eerst eens kijken naar Rachel

2. Genesis 35

Rachel. Hoe wordt ze ons getekend in de bijbel? Een vrouw die alles op alles zette om kinderen te krijgen. Ze wilde meedoen. In zoverre daar achter zat dat ze wilde meedoen in de vervulling van oude beloften, goed! maar ze maakte er een heel laag-bij-de-grondse concurrentie van met haar zuster Lea. Het ging haar er ten slotte alleen maar om boven haar oudere zus uit te stijgen door het aantal van haar zonen. En de hele sfeer werd er door bepaald in het gezin van Jakob. Ze kreeg na jaren van jaloezie één kind. Jozef. Zijn naam zei al genoeg: die betekende zoveel als : meer! Toen ze er na een aantal jaren nog een kreeg, liet ze het leven in het kraambed. Toen hád ze meer, maar het leven ontvlood haar. Wat had ze daar toen helemaal aan? Niets eigenlijk. Ze kon er niet van genieten. En ze schreeuwde haar ongeluk uit in de naam die ze het kind meegaf: ben-oni: 'zoon van mijn ongeluk'. Zo zou die jongen door het leven gaan: met een naam waarin hij de ontroostbaarheid van zijn moeder zijn leven zou moeten meedragen. We kennen die uitdrukking, dat Rachel niet getroost wilde worden. Maar die komen we pas tegen bij Jeremia 31. Daarvan staat niet zoiets in genesis 35. Maar het is wel een heel juiste typering, nietwaar? Dat is nou Rachel ten voeten uit: ze weigerde getroost te worden. Het is háár ongeluk dat centraal staat. En de hele wereld zal er altijd aan moeten denken, wat haar betreft. Er zit geen zweem in van de gedachte aan voortgang van Gods werk. Er is helemaal geen kijk op de grote lijnen van Gods plan, van Gods beloften. Het is allemaal strikt beperkt tot het persoonlijke leed en de individuele smart van Rachel en niets anders dan Rachel zelf. Dat wordt vooral duidelijk, als Jakob die naam ombuigt in Benjamin. Hij corrigeert daarin zijn geliefde vrouw. En hij trekt de lijnen wel door. Hij heeft haar sterven diep betreurd. Wat dacht u: er is wel degelijk plaats voor rouw en leed en smart en verdriet binnen het kader van de voortgang van Gods werk. Ja, wat dacht u! De mensen die God gebruikt worden geen machines. Maar er zal ook iets moeten zijn van dat wat de bijbel noemt: zich sterken in de Here. Toen Rachel stierf werd er wel een zoon geboren, de twaalfde in het huis van Jakob. Dat was wel Gods werk. En dat was op zich zelf een bewijs van de voortgang van Gods werk. Toen die jongen Benoni werd genoemd sloot de moeder hem op in de cocon van haar eigen onvervulde begeerte, die ze als een nederlaag ervoer. Toen sloot ze zich af voor wat God nog verder zou gaan doen. Voor haar hoefde het allemaal niet meer. Wilde God nog wel verder? Had Hij nog meer in petto? Had Hij méér beloofd? Rachel sloot zich er voor af. Niks méér. Mijn ongeluk, zei ze. En daar bleef ze bij. Kijk, als je dat zo doet, dan zul je altijd ontroostbaar blijven. Dan sluit je je op in je verdriet, dan sluit je je af voor God, die meer doet en ook verder wil komen. Het is precies zoals Jeremia later zegt: Rachel weigerde getroost te worden.

3. NU Jeremia 31

Dat is een heel andere situatie. We zijn zowat aan het eind van het zelfstandige bestaan van Juda. Jeremia preekt in Juda. En hij preekt er ten tijde van de totale ondergang. Hij maakt de wegvoering mee. Rama was een verzamelpunt van de vertrekkende stoet. Denk maar aan de vluchtelingen die we dagelijks op de TV kunnen zien. Op drift. Pak op het hoofd. Zo zijn ze gegaan. Ook nog gedwongen. Familie na familie. Het Westerbork van het Oude testament. Wat een triestheid. Wat een klachten zijn er in die tijd gehoord. Je hoort ze tot en met in de woorden van Jeremia zelf als het oordeel over de dochter Sions losbreekt. Dat is de stad Jeruzalem. Ach dat mijn hoofd water ware en mijn oog een bron van tranen, dat ik dag en nacht kon bewenen de verslagenen van mijn volk. Dat is werkelijk verschrikkelijk geweest in die tijd. En Jeremia zelf heeft ook geklaagd en geschreid. En hij heeft de klaagvrouwen opgeroepen, de Here zelf heeft ze opgeroepen: roept de klaagvrouwen dat zij komen, zendt tot de wijze vrouwen, dat zij zich spoeden om over ons een weeklacht aan te heffen, zodat onze ogen van tranen vloeien en onze oogleden van water stromen. En Jeremia zegt: leert elkaar dit klaaglied: de dood is gekomen in onze vensters, hij is geklommen in onze paleizen om uit te roeien het kind van de straat, de jongelingen van de pleinen, zodat vallen de lijken der mensen als mest op het veld, en als een garve achter de maaiers, die niemand opzamelt. En lees maar in Klaagliederen: dat is één uitgerekte lange jammerklacht, waar je echt de tranen bij in de ogen krijgt.

Ja, geklaag genoeg en geween ook: allemaal om de zwaarte van de straf aan te geven, die de Here oplegt aan te geven.

Maar nu moet u goed opletten: als Jeremia over de wenende Rachel spreekt, dan gebeurt dat in een heel speciaal verband, dan gaat het nota bene over de terugkeer van het volk. We hebben het zoeven gelezen. Jeremia 31: dat is het hoofdstuk van de aankondiging van de vernieuwing. Zo gaat het volk weg. Zo mag het weggaan. Ze worden de woestijn in gestuurd, maar met de belofte van God, dat er een terugkeer zal zijn. Ik citeer nogmaals: De Here maakt Jakob vrij, de volkeren mogen dat van te voren weten nota bene. Er wordt gesproken over het afkomen op koren most en olie, en we lezen van veranderen van rouw in vreugde, dat gaat er allemaal gebeuren. Het volk wordt dus de ballingschap in gejaagd - en hoe erg dat ook is, ze gaan toch ook met de klanken nog in hun oren van de belofte van terugkeer. Dat is uiterst merkwaardig. God zegt: het kan niet anders, de straf is verdiend, er moet een zuivering plaats vinden. Wat er begonnen is met de uittocht uit Egypte is finaal doodgelopen in Kanaän. Onrecht en wetsverachting. Afgoden op de plaats van het altaar. Dienst aan vreemde goden in de bijgebouwen van de tempel. Het komt je allemaal tegemoet op de bladzijden van Jeremia, en Ezechiël. Werkelijk een poel van oneerlijkheid, huichelarij, afval en decadentie. De straf is verdiend. Hoe kan het ooit nog goed komen zonder een zuivering tot op de bodem. Loog is niet voldoende, zegt Jeremia, geen zeep wast meer schoon. Dat is de diep insnijdende klacht. God maakt gedane zaken. Maar Hij zegt tegelijk: ik snijd niet alles af. Ik handhaaf mijn verbinding met dit volk. Er komt nog een toekomst.

En dan klonk dat woord over de wenende Rachel. Er wordt gejammer gehoord in Rama. Ja uiteraard; dat is het verzamelpunt vanwaar de trieste karavaan vertrekt naar de verte. Hoe zou het zonder gejammer kunnen? Maar dan vergelijkt Jeremia dat gejammer en geklaag met Rachel die weigerde zich te laten troosten. Jeremia zegt dus: dat geklaag daar in Rama was van hetzelfde karakter als het gehuil van Rachel. Hij typeert als het ware het gehuil in Rama als gehuil van Rachel. En wat vonden we nu zoeven over de kreten van Rachel? Ze keek alleen maar naar haar eigen smart. Ze sloot zich af voor dat wat God bezig was te doen. Ze wilde niet meer letten op beloften van God, op voortgang van zijn werk. Voor haar had dat afgedaan. Ze stikte in haar eigen smart. En ze wilde daar in stikken ook.

En Jeremia zegt tegen het volk van zijn dagen: zo zijn jullie nu ook bezig. Uiteraard is er alle reden voor gehuil en gejammer, maar jullie huilen verkeerd. Jullie huilen alleen maar om je zelf. Je ziet geen toekomst meer. En je knarst je tanden van machteloosheid. En als Nebukadnezar niet zo machtig was, dan zou je gewoon willen doorgaan met je leven in het eigen land. Je ziet niet eens, dat die ballingschap verdiend is en dat je weg moet vanwege je eigen zonden. En dat God aan het eind is met jullie. Jullie huilen om je zelf. En je ziet God niet, en je wilt ook de voortgang van zijn werk niet zien. Je bent nog niet bezig je te bekeren. Je brult je verdriet uit tegen God in als het ware. Je verdriet is bitterheid, opstandigheid, woede tegen God, geen erkenning van zijn rechtvaardige boosheid, of acceptatie van de eerlijke straf. En je wilt niet zien, dat er alleen op deze weg via de ballingschap bekering komen kan.

En daarom zegt Jeremia: weerhoud uw stem van wenen, uw ogen van tranen, want er is loon voor uw arbeid. ZIJ zullen terugkeren. maar niet zomaar: ze zullen terugkeren als bekeerden. God zal ze veranderen. En dat is de toekomst.

Met andere woorden: dat huilen is onbekeerlijkheid, dat is knarsetanden. Dat is niet de slaande hand van God aanvaarden, niet zijn rechtvaardigheid erkennen. Jullie leren er nog niks van, zegt Jeremia eigenlijk. Jullie houding is precies gelijk aan die van Rachel te Efratha. Je weigert je te laten troosten met de belofte, dat God alleen op deze manier verder kan komen en de aloude beloften van totale redding kan inlossen. Het interesseert jullie geen barst meer en je zegt eigenlijk: wat kan me de hele zaak nog verder schelen, als wij onze kinderen maar terugkrijgen. Net zo als Rachel!

Dat is een verschrikkelijk harde boodschap geweest. Maar hij werd gegeven in het kader van de belofte van herstel, bedenk dat wel!

4. En nu tenslotte terug naar Matteüs 2

Begint u het al wat te begrijpen?
Begint u al de scherpte van dit woord van Matteüs te voelen? Ik aarzel haast het verder uit te leggen.

Die gebeurtenis van die kindermoord in dat dorp, dat was toch al te erg. Ook al is Betlehem geen miljoenenstad geweest en al is dus het aantal vermoorde jongetjes beperkt gebleven, zeg hooguit twintig misschien - juist omdat het een dorp was, sneed dat z vreselijk diep in. Smart, gehuil gegil. En toen de verwensingen. In de richting van de wijzen uit het oosten. Waren ze er maar nooit geweest. Want daar was het allemaal toch mee begonnen! Toen zij verschenen werd Herodes op een spoor gezet. Als zij nooit waren opgedoken in Jeruzalem, had Herodes geen seconde ooit getaald naar Micha 5:1. Dan waren al die mooie jongetjes van twee jaar oud en daar beneden nog in leven. Kijk zo legt Matteüs nu de lijnen. Zo gingen de gedachten in Betlehem. En ze gingen uiteraard toen ook in de richting van die Jozef en Maria die zo nodig zich hadden moeten vestigen in Betlehem. Wat hadden ze er te zoeken. Wat hadden zij daar in Betlehem te maken met dat kind van hen. Dat had tenslotte alles op zijn geweten. Zíj waren er tussen uitgeknepen, kennelijk net op tijd. Hun huisje stond ineens leeg. Precies op de dag, dat die soldaten van Herodes kwamen. wat denk je dan? Die vreemden er tussen uit gepiept, en hun kinderen het slachtoffer. Ligt het niet voor de hand dat daar gehoord is geween en bitter geklaag? Vooral bitter.

En als Matteüs dan ineens dat woord van Jeremia aanhaalt, dan bedoelt hij daarmee uiteraard hetzelfde als wat Jeremia ermee bedoelde. Dan zegt hij: zo was dat geklaag te typeren, als geklaag van Rachel, net zo als dat toentertijd gebeurde in Rama bij de wegvoering in ballingschap. Geknarsetand, gehuil, bitterheid, woede van de machtelozen, vuisten ten hemel, mensen die niet getroost wensten te worden met niks. Die alleen maar woedend konden wijzen in de richting van het kind, dat dit op zijn geweten had.

Ze hebben niets willen weten van wat er over dit kind rond verteld was inde streek. Er waren toch herders geweest die engelen gezien hadden en die plat geslagen geweest waren door de heerlijkheid des Heren; en ze hadden toch verteld van de zang van die engelen: eer zij aan God in de hoge, nu komt er vrede op aarde. De vrede die God beloofd heeft. Dat had toch allemaal te maken met dit Kind.

Dat Rachel-geween betekent, dat ze dat allemaal verworpen hebben. Ze wilden er niets meer van weten. Ze wilden helemaal niet getroost worden met de gedachte dat nu God op aarde was verschenen. En dat er nu eindelijk iets te zien was van dat waar Rachel alleen nog maar van had, kunnen dromen.... en waar de ballingen ook alleen maar naar hadden kunnen uitzien, dat interesseerde geen zier meer.

Ja, nu lag dit Kind er: daar hadden de engelen over gezongen: vrede op aarde; had hun dat niet wat moeten zeggen over dit kind? daar waren wijzen voor uit het Oosten gekomen. Hadden ze de boodschap die daarin opgesloten lag over dit Kind, dan niet gehoord? Daartegen was Herodes zo in woede ontstoken: wat betekende dat dan wel? Stond het dan niet in hun bijbel, dat de volkeren zouden opstaan tegen de gezalfde die God op zij troon zou zetten? Psalm 2. Zei ze dat allemaal dan helemaal niets meer? Moest ze dat niet iets zeggen dwars door hun verdriet heen van de belangrijkheid van dit kind? Moest er ook niet iets zijn van dat wat Jeremia ook gezegd had: weerhoud uw oog van tranen, en uw stem van wenen? Moest er niet ook iets komen van verwondering, dat God zo ver was gegaan dat Hij dit kind gegeven had?

Wat bedoelt Matteüs dus tenslotte? Niets meer of minder dan dat dit geween eenvoudig betekent, dat men er eigenlijk niets meer mee te maken wilde hebben. Het Ere zij God werd niet overgenomen, de aanbidding van de wijzen werd weggedrukt, het geween was vijandschap en afwijzing en afkeer tegen dit Kind. En aan zijn lezers hield Matteüs ene spiegel voor; jullie zijn net zo als degenen die in Rama stonden te huilen zonder zich te willen laten vertroosten met de beloften van god van terugkeer, en vooral ook zonder dat ze tot de erkenning wilden komen, dat de straf van de ballingschap iets rechtvaardig was. Er was geen erkenning van eigen zonden. Er was eigenlijk verharding. Afwijzing van Gods hand en zijn werk en zijn toekomst. Afwijzing toen al, het begin van de afwijzing die men volgehouden heeft tot het bittere einde: het einde van het kruis.

En Matteüs zegt: toen jullie zeiden: ik hoef dat kind niet meer, ik hoef zijn toekomst niet meer, ik hoef er niets meer van te weten, ik wil deze prijs niet betalen, ik wil mij vastklampen aan mijn verdriet, toen verwierp je hem die God gegeven had: zijn Zoon, de universele Koning, die de hele wereld verlossen zal van zonde en van ellende, de enige troost. En als je die afwijst, dan wijs je meer af dan Rachel deed in Efratha bij de geboorte van Benjamin en dan Israël deed in Rama bij de wegvoering in de ballingschap.

Ja, je kunt je in je verdriet zo vastklampen aan je eigen gevoelens, dat je niets meer ziet van Gods werk en Gods voortgang en Gods plan en Gods beloften, dat je niets meer ziet van de vreugde die Hij toch door dat vreselijke heen bewerkt: de gang naar de nieuwe wereld, naar de vrede, de opmaat naar het heil.

En wat is nu de boodschap van dit alles voor ons? Wat doen we hier nu mee? Moeten we die ouders van Betlehem veroordelen omdat ze zoveel verdriet hadden? Moeten we zover gaan na het verhaal dat ik het begin van deze preek heb gelezen? Mag er dan geen ruimte wezen voor tranen bij een zo verschrikkelijke ramp? O ja, zeker wel. Kijk maar naar Jeremia zelf, die vroeg: dat mijn hoofd water ware, om dag en nacht te kunnen blijven huilen om de ondergang, de rampen die ons treffen. Ja, dus wel plaats voor tranen. Bij de puinhopen van deze wereld, bij de oorlogen bij de vluchtelingen, bij de martelingen, bij de ontvoeringen en de verkrachtingen. Maar daar dwars doorheen ook zegen: in die wereld waar dat allemaal plaatst vindt en vond en vinden zal, waar dat maar door gaat, daar heeft God zijn Zoon gezet, hulploos als een kind, kwetsbaar voor al dat geweld, om de mogelijkheid te scheppen voor voortgang, voor een totaal einde aan al dat geweld, de mogelijkheid voor heil. Voor vrede, voor verlossing. Temidden van de baaierd van ellende is er een kind gekomen, om dat tenslotte allemaal op zich te nemen. Hij heeft zich voor zo'n wereld niet omgedraaid. Hij is er voor gegaan. Midden in het grootste verdriet is er dit Kind. Toch! Weerhoud uw oog van tranen, weerhoud uw stem van wenen: er is voortgang, juist in dit kind, waar de woede op losgebroken is. Er komt heil. Het is tenslotte dankzij dit kind altijd zo dat je met vreugde aan God kunt denken. En met vreugde aan zijn werk. Midden in Rwanda waar nog altijd de lijken als mest zijn neergeworpen op de aarde. Toch, toch, toch.

Wil ieder dat goed bedenken? Wil ieder dat nu dan ook maar op zich zelf toepassen. En wil ieder dan maar gewapend zijn tegen de gedachte, dat God niets waard is in zo'n wereld, of dat je wilt ophouden met een God ten dienen, die dit allemaal en nog veel meer toelaat. Wil ieder gewaarschuwd zijn voor Rachel-gehuil. Wil ieder in wat voor omstandigheden ook maar achter dit kind aangaan, ook al kost zijn komst je je eigen kinderen? En is dat niet ongeveer het ergste wat een mens kan overkomen? Het heeft God zelf zijn eigen Zoon gekost tenslotte. Wil ieder zich daar maar in oefenen alvast, dat je in alle omstandigheden alleen achter dit Kind aan het leven vindt, ook al heeft zijn komst in deze wereld aan die kleine jongetjes de dood gebracht? Zo groot was het woeden der gehele wereld tegen Hem. En toch kwam Hij. En toch stuurde God Hem. In zo'n wereld.

Dit is werkelijk de allerscherpste boodschap van Kerst. Je moet dit Kind omarmen als het hoogste goed. Dat moesten zelfs Salome, en Feroras en Selene en Ishtar.
Dat moeten ook wij.

Amen.


Gebed 2

Heer, laat de kerk een vluchtplaats zij in de wereld vanwege het evangelie van de redding
laat het een huis zijn waarin uw vrede is
laat het een schuilplaats zij in de wildernis
laat mensen tot bekering mogen komen
laat ons allen mogen leven in de ruimte die u schept.
Wij met onze gedachten, moeiten, twijfels, zorgen, verdriet en angsten
zegen hulpverleners aan kinderen aan jongelui aan ouders en aan ouderen
zegen eenzamen, die onbemind door het leven gaan
zegen de kinderen en de ouderen die zich nooit helemaal volledig kunnen ontwikkelen vanwege handicaps, of vanwege ziekten; zegen hun ouders en verzorgers,
zegen de verpleegden in een verzorgingshuis
help weduwen die overal alleen voor staan en die niemand hebben die hen helemaal opvangt zoals ze ooit opgevangen zijn
help weduwnaars die elke morgen en elke avond opbotsen tegen de leegte van het gemis van hun geliefde
zegen de ongehuwden als ze het gemis velen van ene partner en van kinderen
zegen hen die met hun seksuele gevoelens vast lopen doordat ze alleen maar aantrekkingskracht voelen op mensen van de eigen sekse
zegen de jongeren die hun eigen weg moeten zoeken en soms geen praatpaal vinden
bewaar ons allemaal en geef dat we de wegen vinden om elkaar te helpen en te corrigeren waar nodig en te troosten en te vermanen indien noodzakelijk.
O vader dat uw liefde ons blijk
O Zoon maak ons uw beeld gelijk
O Geest zend uwe troost ons neer
Drieënig God u zij al d'eer.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar