Vertrouw je in geloof toe aan Jezus' macht (Oud en Nieuw)

Thema:

Vertrouwen op Jezus' macht (Oud en Nieuw)

Tekst: Matteüs 8: 5-13
Tekstgedeelte(n):

Matteüs 8: 5-13

Door: Ds. P.P.H. Waterval (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Krimpen aan den IJssel)
Gehouden te:

Krimpen aan den IJssel op 6 januari 2002

Opmerking RJCV:

Deze preek is zowel te lezen aan het einde of het begin van een jaar

Aanwijzingen voor de Liturgie

Votum en zegengroet
Lied 1
Wet
Gezang 5: 7-8
Lezen: Matteüs 8: 5-13
Ps. 62: 1, 4, 6
Tekst: Matteüs 8: 5-13
Preek
Gez. 37
Lied 21: 1, 4, 7
Zegen

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

En? Heb jij al goede voornemens voor het nieuwe jaar? Ga je wat meer aan sport doen dit jaar, zoals ik? Of ga je stoppen met roken? Ga je meer bijbellezen, minder werken. Of juist harder werken misschien? Iedereen heeft zo zijn goede voornemens. Op zich een mooie gewoonte. Maar ieder moet ook erkennen - vaak in februari of maart al - dat er van de goede voornemens die veel van ons vragen, zo bar weinig terecht komt. Uiteindelijk zijn wij allemaal zwakke, machteloze mensen. Het kwaad heeft ons nog vaak in zijn greep. We veranderen onszelf niet zo gemakkelijk.
In onze tekst komen we ook zo'n machteloos, zelfs wanhopig mens tegen. De hoofdman. Hij is ten einde raad, want een van zijn knechten is op sterven na dood en gilt het uit van de pijn.
En we komen in de tekst ook een ander mens tegen. Een bijzonder mens, een timmermanszoon uit Nazaret. Hij is net de berg afgedaald waar Hij bijzondere woorden sprak. Zalig de armen van geest want voor hun is het Koninkrijk van de hemel. Zalig bent u als men u beledigt, u vervolgt en leugens over u verspreidt vanwege Mij. Wees blij en verheug u, want uw beloning in de hemel zal groot zijn. Niet iedereen die tot Mij zegt Heer, Heer, zal het Koninkrijk van God binnengaan, maar alleen zij die de wil van mijn Vader doen. Bijzondere woorden, niet van een zwak, machteloos mens, maar van de machtige, de gezaghebber. Geen wonder dat de mensen versteld stonden, want Hij sprak met gezag, zo staat het er aan het eind van de Bergrede, in Matteüs 7: 28.
Deze twee mensen komen elkaar tegen in onze tekst: de machteloze en de machtige. En de machteloze doet het enig juiste. Want Hij klampt zich vast aan de machtige en zijn Woord.
Voel jij je machteloos, als je naar de wereld om je heen kijkt, de machteloze, onveilige wereld van na 11 september 2001, of voel je je machteloos als je naar jezelf kijkt met al je zwakheden en beperkingen of naar wat er in het nieuwe jaar allemaal op je afkomt? Doe dan wat deze machteloze, wanhopige hoofdman doet.

Vertrouw je in geloof toe aan Jezus' macht

Dat is het thema van de preek.

De hoofdman moet op zijn minst van Jezus hebben gehoord. Maar misschien is hij er ook wel bij geweest toen Jezus massa's mensen genas of heeft hij daar op die berghelling gestaan aan de grond genageld door de onvergetelijke woorden die hij hoorde. Jezus boezemde hem vertrouwen in. Daarom wist hij onmiddellijk wat hem te doen stond toen een van zijn knechten plotseling doodziek werd en verging van de pijn.
De hoofdman had gehoord dat Jezus weer naar zijn woonplaats Kafarnaüm was gekomen. Uit de beschrijving van dezelfde gebeurtenis in Lucas 7: 1-10 (misschien vind je het handig om dat er even bij te nemen) weten we dat de hoofdman toen niet zelf naar Jezus is toegegaan, maar dat hij enkele oudsten van de synagoge naar Jezus heeft gestuurd. Met deze oudsten had hij een goede band gekregen omdat hij de bouw van hun nieuwe synagoge had gesubsidieerd. De hoofdman moet hebben gedacht: Jezus zal deze joodse mannen, ambtsdragers van de kerk, sneller te woord staan dan mij, een onreine heiden. Wanneer deze mannen bij Jezus komen en de dringende vraag van de hoofdman hebben overgebracht, dan heeft Jezus niet veel bedenktijd nodig. In zijn bereidwillige liefde zegt hij (niet in de vorm van een vraag trouwens, zoals in onze vertaling staat, maar gewoon bevestigend): "Ik kom eraan en ik zal hem genezen."
Maar dan gebeurt er iets vreemds. Terwijl Jezus onder weg is naar het huis van de hoofdman, stuurt deze snel iemand naar Jezus terug om hem te zeggen dat dát niet de bedoeling is. De hoofdman vindt zichzelf namelijk absoluut onwaardig om de Here Jezus in zijn huis te ontvangen. En dat is niet het enige. Hij vindt het ook helemaal niet nodig dat Jezus persoonlijk langskomt. Jezus hoeft wat hem betreft maar een enkel woord te spreken, want dat zal zeker genoeg zijn om zijn knecht te genezen.
Deze boodschap verwondert de Heer Jezus. Want zoiets heeft Hij in heel Israël nog niet eerder meegemaakt. Dat de Heer Jezus verwonderd is, dat lezen we niet zo vaak. Alleen in Marcus 6: 6 verwondert Hij zich ook, maar dan over het ongeloof van de inwoners van Nazaret. Jezus is verwonderd. Dat maakt ons nieuwsgierig naar de reden voor die verwondering. Jezus zegt namelijk: zo'n groot geloof ben ik in Israël nog niet eerder tegengekomen. Groot geloof. Wat is dat precies? Om daar zicht op te krijgen, moeten we niet alleen naar de laatste woorden van de hoofdman in vers 9 kijken, maar naar de situatie als geheel.
Allereerst: wie was die hoofdman eigenlijk? Deze man was een legerofficier, een zogenaamde centurio, die het bevel voerde over een afdeling van honderd soldaten. Centurio's vormde de ruggengraat van het Romeinse leger. Hij zal zelf hoogstwaarschijnlijk geen romein zijn geweest, maar misschien een Syriër of Galliër. In ieder geval was hij een vertegenwoordiger van de bezettende macht en gestationeerd in Kafarnaüm. En let nu eens op hoe deze bezetter Jezus aanspreekt in vers 6. 'Heer', noemt hij hem. Zie je hoe in dat ene kleine woordje de feitelijke machtsverhoudingen helemaal worden omgekeerd? Wat hier gebeurt is dat de Romeinse bezetter, de onderwerper, zich klein maakt voor de onderworpene. Zover brengt hem de nood waarin hij zit. Hij geeft zijn machteloosheid toe en zoekt hulp. En daarmee vindt in dit gedeelte het eerste wonder plaats. Pilatus boog niet voor Jezus, maar deze man wel. Hij geeft zich over aan de macht van Jezus. In zijn wanhopige zorg voor zijn knecht, klampt hij zich vast aan Jezus, de Heer. En laat daardoor een groot geloof zien. Want hoe weinig de hoofdman misschien ook van Jezus weet, dit staat voor hem vast: deze joodse rabbi heeft gezag over leven en dood, Hij is de Heer van het leven, en daarmee ook de Heer van zijn leven en dat van zijn knecht. Vandaar dat hij ook vol vertrouwen aan Jezus denkt, wanneer zijn knecht bijna dood gaat van de pijn. Hierin ligt voor ons een les. Voor Hem maak je je klein, welke rang je in dit leven ook mag bekleden. Ook al ben je het slimste jongetje van de klas, wereldkampioen op de 10 km, bevelhebber van de NAVO, of president van Amerika. Je blijft een zwak machteloos mens ten opzichte van Jezus. Hij heeft zelf gezegd: "Zonder mij, kun jij niets doen." Hij is groot en ik ben klein. En Hij kan redden en genezen. Daarvan was de hoofdman doordrongen en daarin alleen al is zijn geloof voor jou en mij een voorbeeld. Groot geloof maakt zich klein en onderwerpt zich aan de macht van Jezus, de Heer.
Maar er is hier meer aan de hand: want de hoofdman gelooft niet alleen dat Jezus zijn knecht kan genezen, maar ook dat Hij dat wil. Ook daarin is zijn geloof groot. Hij wist dat Jezus vol gulheid mensen had genezen. Zonder doorverwijzing van een arts. Bij Jezus sta je nooit voor een gesloten loket. Hij weigert nooit iemand die Hem in geloof opzoekt. Maar dat geloof hoort er dan ook wel echt bij. Dat je erop vertrouwt dat God er ook echt naar verlangt om ons te genezen, naar lichaam en ziel. Wat blijven we helaas vaak hangen in klein geloof. Zou God mij echt wel willen helpen? Ik weet dat Hij het kan, maar of Hij het ook echt wil? Luistert Hij wel naar mij? Ik ben zo zondig. Mijn broeder en mijn zuster, verkijk je niet op de Here Jezus, denk groot van Hem, net als deze hoofdman. Als je Hem aanroept, reken er dan op dat Hij voor je klaar staat. Jezus zegt zelf in Matteüs 11: "Kom allemaal naar mij, als je vermoeid en belast bent en Ik zal je rust geven." Daarom zegt groot geloof: "Heer, ik weet dat u mij wilt helpen. Ook al weet ik niet altijd hoe of wanneer." En dan zegt Jezus, net als toen: "Ik kom eraan en ik zal het doen."
Groot geloof maakt zich dus klein voor Jezus, de Heer. Dat blijkt ook uit het enorme gevoel van onwaardigheid dat de hoofdman aanvliegt als hij hoort dat Jezus onderweg is naar zijn huis. Hij schrikt: "Wat? Jezus in mijn onreine huis? Wie ben ik vergeleken bij hem, deze heilige en gezaghebbende rabbi? Bovendien, mijn huis is onrein voor de joden. Dan komt Jezus toch in de problemen. Nee, dat wil ik niet." Herken je iets van de schrik en de schroom van deze onreine ten opzichte van de heilige Zoon van God? Of loop jij in je gebed zomaar met je vuile schoenen en je smerige handen de hemelse troonzaal binnen? Zonder je eerst te wassen in het bloed van het Lam? Besef goed dat, als je tot de Heer nadert, je op heilige grond komt te staan. Groot geloof maakt zich klein en kent dus zijn plaats.
Maar we zijn er nog niet, want van het grote geloof waarover Jezus zich verwondert, valt nog meer te zeggen. En misschien wel vooral dit: dat het zich vastklampt aan Jezus' woord. "Spreek slechts met een woord" staat er letterlijk in de grondtekst. Het valt dus op dat de hoofdman het enkel en alleen van Jezus' spreken verwacht. Hij bedoelt: "Zeg het maar en het zal gebeuren". De hoofdman geeft hier nog een nadere toelichting bij. Uit zijn eigen ervaring als legerofficier weet hij namelijk wat het inhoudt: gehoorzamen en gehoorzaamd worden; hij weet dat je met woorden dingen kunt laten gebeuren. Mits er natuurlijk sprake is van gezag aan de ene kant en gehoorzaamheid aan de andere kant. En dat was er in het Romeinse leger. Als een soldaat een bevel kreeg, dan wist hij dat dat bevel uiteindelijk gedekt werd door het gezag van de keizer in Rome. Niet gehoorzamen was een vorm van zelfmoord. Ook voor de Romein gold: Befehl ist Befehl. Die onvoorwaardelijke gehoorzaamheid van de manschappen maakte het Romeinse leger ook mede zo succesvol. Daardoor overwonnen ze de wereld. Natuurlijk kwam het in het Romeinse leger ook wel eens voor dat een soldaat zich toch verzette tegen een bevel. Maar dat kwam hem dan wel heel duur te staan; het kostte hem vaak zijn kop. Uiteindelijk kennen menselijke bevelen hun grenzen. Bevelen van mensen hebben ook niet altijd het gewenste resultaat. Ze worden namelijk niet altijd correct uitgevoerd. Maar ondanks deze beperkingen vergelijkt de hoofdman toch de kracht van zijn mensenwoord met de kracht van Jezus' Woord. En dan zegt hij eigenlijk: als de bevelen van beperkte mensen al zo effectief zijn, dan is uw Woord 100% succesvol, volmaakt effectief. Deze man weet: als God spreekt, dan is het er of dan gebeurt het. Dat is zijn scheppingsmacht. En Jezus - daarin gelooft hij - beschikt over die macht.
In dat geloof heeft de Here Jezus de hoofdman niet teleurgesteld en dat loopt dan ook uit in het tweede wonder in deze geschiedenis. Met het plezier van de echte liefde komt Jezus tegemoet aan dit grote geloof en met het plezier van de Schepper geneest Hij de knecht met de kracht van zijn woord - op hetzelfde moment dat hij het zegt. Is ons geloof ook zo groot dat wij genoeg hebben aan slechts het Woord van Jezus? Verwachten wij het ook alleen daarvan? Hebben we echt genoeg aan Gods Woord? Adam en Eva hadden er blijkbaar al niet genoeg aan dat de Here had gezegd: van deze boom mag je niet eten. Iedereen die een beetje zondekennis heeft, die weet dat dit eigenlijk ons allergrootste probleem is. We geloven God niet op zijn Woord. En dat probleem laat zich zien op allerlei manieren. Is de bijbel alleen gezaghebbend of erkennen we daarnaast nog een andere norm zoals de natuur, de filosofie of de traditie van de kerk? Waaraan ontleen je eigenlijk de zekerheid van je verlossing: aan de belofte van God of aan je eigen gedachten of ervaringen? Als het om de leiding van God in je leven gaat, ga je dan af op het kompas van zijn Wet of heb je voortdurend andere bevestiging nodig door gebeurtenissen of uit zijn verband gerukte bijbelteksten? Geloof je in de openbaring over Gods schepping of heb je meer vertrouwen in wetenschappelijke theorieën over een autonoom evolutieproces? Ga je voor je verlossing alleen af op het genadewoord van God of toch ook op je eigen prestaties? Altijd weer hebben wij als zondige mensen de neiging om op iets anders te vertrouwen dan op het naakte Woord van God, zoals Calvijn het noemde. En toch is het Woord van God uiteindelijk het enige dat ons vertrouwen waard is. Als je daarop bouwt, dan is je geloof groot en maak je Jezus blij. Jezus de machtige Heer heeft groot geloof ontlokt aan een heidense centurio. Hij wil het ook ontlokken aan jou en mij. Wat zeg je? Is groot geloof voor jou te hoog gegrepen? Maar wat wil je dan? Blijven steken in klein geloof of zelfs ongeloof? Als je ook maar iets van Jezus' macht en liefde begrepen hebt, dan is het toch duidelijk dat Hij recht heeft op meer dan het middelmatige. En laten we wel wezen. Al datgene wat ik al gezegd heb: dat geloof ervan uitgaat dat God ons kan helpen en dat Hij dat ook wil. Het besef van klein zijn en onwaardig en het vertrouwen op Gods Woord alleen: dat zijn toch eigenlijk allemaal dingen die bij het normale geloof horen, zoals God het van ons mag verwachten. Ja toch? En weet je: wat volgens jou te hoog gegrepen is, waar jij niet bij kunt, dat wil God je met alle liefde geven. Bid daarom volhardend om dat normale en tegelijk grote geloof.
Het grote geloof van de centurio verwondert Jezus. Zoiets heeft Hij tot dan toe in Israël nog niet ontmoet. Besef je wat Jezus hier eigenlijk zegt? Het betekent in feite dat deze hoofdman pas de eerste tijdens zijn leven op aarde is, die Jezus werkelijk ontmoet zoals Hij ontmoet wil worden. Dat zegt wel iets over de wereld en het volk waarin Jezus terecht was gekomen. Johannes wijst daar in het begin van zijn evangelie ook nadrukkelijk op. Hij zegt in hoofdstuk 1: 5: En het licht scheen in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen. Ja, het scheen wel in de duisternis. Jezus viel wel op door wat Hij deed en zei, maar de duisternis heeft het niet gegrepen: Hij kreeg niet dat onthaal dat Hij eigenlijk verdiende. O zeker, Jezus heeft altijd heel veel volk getrokken. In de eerdere hoofdstukken van het Matteüs-evangelie lees je dat ook regelmatig. Massa's mensen kwamen af op dit licht. Iemand die rondgaat en zo veel goed doet, die heeft over belangstelling niet te klagen. Maar het was niet altijd het soort belangstelling waar Jezus op uit was: groot geloof zoekt Hij, en wat krijgt Hij: klein geloof, geloof dat alleen uit is op wonderen en tekenen. Veel mensen willen tegenwoordig wel de lusten, maar niet de lasten van wat Jezus te bieden heeft. Maar bij hem zit je niet voor een dubbeltje op de eerste rang. Jezus wil je hart, Hij wil je helemaal.
Maar Jezus laat het er niet bij zitten, als Hij merkt dat de belangstelling voor hem niet echt is. Dat laat deze gebeurtenis zien. Want in vers 10 richt Hij zich tot de mensen die om hem heen staan, hoogstwaarschijnlijk allemaal Joden, en dan doet Hij een uiterst belangrijke mededeling. Hij zegt dan: "Beste medejoden, Ik zeg jullie: velen zullen uit oost en west komen, dat wil zeggen uit de hele wereld, en met Abraham, Isaak en Jakob aanliggen in het Koninkrijk der hemelen." Met andere woorden: veel heidenen - zoals deze hoofdman (want zo moeten we dit lezen) - uit alle volken, die zullen net zo'n groot geloof laten zien en daardoor toegang krijgen tot het Messiaanse feestmaal en met de aartsvaders delen in de hemelse heerlijkheid. Jezus neemt dus blijkbaar geen genoegen met het ongeloof en het kleingeloof van de kant van zijn eigen volk. Nee, Hij verwacht én voorspelt groot geloof van ergens anders, van buiten Israël. Met deze mededeling laat Jezus, de echte gezaghebber, iets zien van de toekomstige verbreiding van het heil (dat is overigens iets waar de evangelist Matteüs veel aandacht aan schenkt). Wat zal dit de omstanders verbaasd hebben! Onreinen uit Oost en West in het koninkrijk der hemelen? Maar hun verbazing verraadt dan ook wel dat ze hun bijbel slecht kennen, want Abraham, hun grote voorvader, was het al meegedeeld: dat met hem alle geslachten van de aardbodem gezegend zouden worden en ook de profeten hadden regelmatig gesproken over het toestromen van de volken naar de berg van de Heer. Jezus laat het er niet bij zitten en daarmee voert Hij een al lang bestaand plan uit, dat helaas bij zijn eigen volk in de vergetelheid was geraakt.
Maar hoe verbazingwekkend dit plan ook was voor de joden die daar toen stonden te luisteren, zo verbijsterend was het wat Jezus nog meer zei. Hij deelt namelijk ook mee dat de kinderen van het koninkrijk zullen worden uitgeworpen in de buitenste duisternis waar het geween is het tandengeknars. Een vreselijke boodschap klinkt hier voor iedere geboren en getogen Israëliet.. Afstammelingen van Abraham buitengesloten. Natuurlijk bedoelt Jezus hier niet dat er voor geen enkele Israëliet meer hoop is, want die was er ook voor de aartsvaders zelf en velen na hen. Maar wat Hij wil zeggen is dat de joodse erfgenamen van de belofte niet automatisch voorrang hebben. Wat bij God de doorslag geeft, is niet etnische of culturele afkomst maar persoonlijk geloof, het erkennen en aanvaarden van Jezus' gezag, zoals de hoofdman dat liet zien. Ook voor joden die Hem dat geloof niet willen geven, is er de hel. En de werkelijkheid van de hel, schildert Jezus hier in afschrikwekkende beelden. Huilen en tandenknarsen. Jezus zelf huiverde voor deze plek en die huiver wil hij ook overbrengen. Want met huilen bedoelt Hij het verdriet van de eeuwige spijt en het gemis en met het tandengeknars de razende wanhoop en woede over hoe je ooit zo stom kon zijn om Hem af te wijzen.
Alleen door persoonlijk geloof ontkom je daaraan. En dus niet door het feit dat je een erfgenaam van Gods beloften bent. Dat betekent dat Jezus met deze woorden niet alleen de joodse omstanders van dat moment heeft gewaarschuwd. Maar Hij waarschuwt ook jou en mij. Hier en nu. Want ook wij, gereformeerden hier in Nederland, levend in het jaar 2017, ook wij zijn door Gods genade erfgenamen van dezelfde belofte aan Abraham. En ook wij hebben niet automatisch toegang tot het koninkrijk der hemelen. Al kom je uit nog zo'n oud gereformeerd geslacht, al heb je in tijden van kerkscheuring mee aan het front gestaan, al ben je gedoopt en heb je belijdenis gedaan, al ken je de catechismus uit je hoofd van voren en naar achteren, al betaal je keurig je kerkelijke bijdrage volgens de tabel in het jaarboekje, al zit je in iedere commissie van de kerk, al ben je dominee, ouderling of diaken, synodelid of wat dan ook. Zonder dat persoonlijke geloof waardoor je net als de hoofdman Jezus erkent en vertrouwt als de gezaghebber van jouw leven, zonder dat gewone en toch grote geloof zijn al die dingen die ik net opsomde geen fluit waard. Kennis over God, maar niet van God. Waardeloze 'shit' noemt Paulus het in Filippenzen 3: 8. Met het geloof mag je straks genieten van de eeuwige rust, samen met Abraham, Isaak en Jakob. Maar zonder het geloof, zonder de levende band met Jezus Christus zul je je voor eeuwig de ogen uit het hoofd janken en je tanden kapot bijten, oneindig ver weg van God en zijn heerlijkheid. Besef alstublieft goed dat deze waarschuwing komt van de Here Jezus, die als geen ander kon spreken over liefde en troost en eeuwig geluk, maar die ook als geen ander zo vaak over de verschrikkingen van de hel heeft gesproken. En daarom zeg ik tegen iedereen hier die dat persoonlijke geloof in Jezus nog niet heeft, met een variant op wat de apostel Paulus tegen de gevangenbewaarder van Filippi zei: "Vertrouw je in geloof toe aan Jezus' macht en je zult behouden worden." Dat is het beste voornemen dat je als machteloos mens voor het nieuwe jaar kunt hebben. En ik verzeker je: Jezus de machtige zal je niet teleurstellen.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar