Jozua en Kaleb (Deel 1: Durf je nog?)

Thema: Vertrouwen op God, leert je andere verhoudingen in een harde werkelijkheid zien
Tekst: Numeri 13: 27 - 14: 9
Tekstgedeelte(n):

Numeri 13 - 14: 9

Door: B. van Veen (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Lisse-Voorschoten)
Gehouden te:

Lisse en Voorschoten op 16 juli 2000

Vertaling:

Franse vertaling beschikbaar:
Num13v27 - Quand vous vous confiez en Dieu, vous apprenez à voir d'autres proportions dans la dure réalité

Opmerking RJCV: Deel 1 kan zelfstandig gelezen worden; Deel 2 en Deel 3 in volgorde en als onderdeel van de prekenserie:
Jozua en Kaleb - 1: Durf je nog?,
Jozua en Kaleb - 2: Bidden voor afhakers?,
Jozua en Kaleb - 3: Leven uit vergeving kan alleen als je leert wat zonde is.
Extra: Preeksamenvatting, gesprekspunten, bijbelleesrooster: Begeleider bij: Jozua en Kaleb (Deel 1: Durf je nog?)
Inleiding op de prekenserie: Jozua en Kaleb

Aanwijzingen voor de Liturgie

Votum en zegengroet
Ps. 95: 1
(Morgendienst: Wet)
(Morgendienst: Ps. 95: 3)
Gebed
Lezen: Numeri 13 - 14: 9
Ps. 91: 1-2
Tekst: Numeri 13: 27 - 14: 9
Preek
Gez. 23: 6
(Middagdienst: Geloofsbelijdenis: Gez. 3)
Gebed
Lied 293: 1-2
Zegen

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

Durf je nog? Hoe lang hou je het vol om te blijven geloven, anders te leven dan anderen en je in te zetten in een gemeente van Jezus Christus?
Soms kan de moed je gewoon in de schoenen zakken. Waar doe ik het allemaal voor? Je ziet zoveel gebeuren wat teleurstelt. In de samenleving en in het bedrijf waar je werkt, kun je je een buitenbeentje voelen. Je maakt zoveel mee wat je kan verlammen. Verdriet, bijvoorbeeld het plotseling overlijden van een geliefde kan zoveel vragen oproepen dat je denkt: wat heeft het nog voor zin? In je eigen gemeente kan van alles gebeuren waarvan je voelt: maar zo heeft God het toch niet bedoeld? Zit ik verkeerd misschien? Je kunt zo ver komen dat je denkt: ik haak af.
Wij mogen gemeente zijn van Jezus Christus. Al in de eerste eeuw kregen gemeenten van Hem indringende brieven waarin werd aangemoedigd de moed niet te laten zakken. Daarin wordt van alles genoemd wat je kan teleurstellen, verlammen en verbitteren. In verschillende brieven wordt herinnerd aan de geschiedenis die we net hebben gelezen in Numeri. Dat gebeurt om te waarschuwen, maar ook om te stimuleren
Ik wil daar [ in enkele diensten ] met u bij stil te staan. Wat heeft deze geschiedenis voor ons, u, jou en mij te betekenen? Vandaag luisteren we naar de oproep van Jozua en Kaleb, een minderheid die tegen een meerderheid durft in te gaan. Wat bezielt ze? Hoe bestaat het dat die twee die hetzelfde gezien hebben als die tien anderen, toch een ander verhaal hebben? Waar anderen de moed laten zakken, zien zij het juist helemaal zitten.

Hoofdgedachte van deze preek is:

Vertrouwen op God, leert je andere verhoudingen in een harde werkelijkheid zien

  1. De harde werkelijkheid
  2. De machtige God

1. De harde werkelijkheid

Ze zijn terug de twaalf. Niet de eerste de beste. Belangrijke mannen, uit elke stam een, behalve uit die van Levi. Uit de stam van Jozef komen er twee. Het zijn vorsten, mensen met een positie, die leiding kunnen geven. Ze hebben wat te vertellen. Het eerste bericht is fantastisch. Het beloofde land is veelbelovend, kijk maar wat een druiventros, granaatappelen, vijgen!
Er is een maar... Een fantastisch land, maar daar komen wij niet binnen. Door God beloofd, dat wel. Maar niet binnen handbereik. Herken je dat? Prachtige beloften die je hoort in de kerk, maar de weg erheen lijkt onmogelijk. Hoeveel mensen hebben niet gehoord over de bijbel, hebben er niet eens zelf in gelezen, hebben misschien als kind in de kerk gezeten. Wat een beloften, een nieuwe wereld, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Welk weldenkend mens zou daar niet willen leven? Alles is volmaakt! Leven dat willen we toch?
Hoe kan het dan dat zoveel mensen afhaken? Andere doelen lijken belangrijker, een leven voor jezelf, vooral genieten hier, je niets aantrekken van wat God te zeggen zou hebben. Hoe zit dat? Is het leven als gelovige misschien te zwaar? Stelt God je voor een onmogelijke opgave? Hij belooft iets moois, maar jij kunt daar niet bij komen. Jij houdt het niet vol.
Is het te zwaar? Die gedachte kom je hier tegen. Voor het volk is het allemaal te veel. Kaleb, een van de verspieders, roept nog: geen paniek! Het gaat best wel lukken! Wij komen er binnen. Maar zijn stem lijkt niet te worden gehoord. Een ander geluid zwelt aan. De onrust groeit.
Het vuurtje wordt opgestookt. En hoe! Een kwaad gerucht wordt verspreid. De harde werkelijkheid van het onneembare beloofde land, krijgt belachelijke omschrijvingen. Er wordt flink overdreven. Je kunt alleen nog maar ellende meemaken in het beloofde land. Ze eten daar elkaar op, dat wil zeggen: er is altijd oorlog, altijd moet je op je hoede zijn. Dan kun je wel een prachtige tuin hebben, maar als constant de buurman klaar staat met een knuppel, dan weet je het wel. Wat voor mensen wonen daar? Het zijn allemaal reuzen. Er schijnen inderdaad mensen gewoond te hebben die langer zijn dan anderen. Zonen van Enak werden ze genoemd. Met die zonen kunnen complete stammen zijn bedoeld. Enak kan zoiets betekenen als lange nek. Die man is langer geweest dan anderen en zijn nakomelingen hadden dat lengtekenmerk ook. Maar hier krijgen ze wel heel grote afmetingen. Wij waren voor hen als sprinkhanen. In hun ogen ook. Je vraagt je af hoe de verspieders dat weten.
Moet je voorstellen zulke reuzen. Daar word je toch bang van. Het volk laat zich meenemen. De mensen hebben een slapeloze nacht. Ze huilen. De andere dag staat het besluit vast. We kappen ermee! Die hele onderneming richting het land dat God heeft beloofd is een groot drama. We willen een andere leider en met hem gaan wij terug naar Egypte!
Wat gebeurt hier? Let eens op de ontwikkeling van ongeloof en zonde in deze geschiedenis. En ontdek dan wat eigenlijk de harde werkelijkheid is. Er is angst. Misschien is angst zelfs de aanleiding geweest om bij Mozes aan te dringen om verkenners te zenden. In Deuteronomium vertelt Mozes hoe het volk heeft gevraagd om verspieders uit te zenden. Mozes wilde dat wel. De Here zelf vindt het goed. We lezen hier dat Hij de opdracht geeft. Waarschijnlijk niet voor niets vraagt Mozes om vruchten mee te nemen. Mozes kan ook niet over die bergen heen kijken, maar hij weet een ding zeker. Als God gezegd heeft dat het land goed is, dan moet het goed zijn. Neem maar mee. Laat het bewijs maar zien dat God waarmaakt wat Hij belooft. Als dat land goed is, dan volgt de rest toch ook? Dat kan vertrouwen wekken.
Iedereen krijgt ze te zien, die geweldige druiventros en andere vruchten. Vertrouwen komt er niet. Angst! Het is of de vruchten niet gezien worden. Angst! Daar komt de leugen bij. Want dat enorme overdrijven, dat kwaad gerucht, is een grote leugen. Leugens zijn een fantastisch instrument om aan je geloof te knagen. Dit is het instrument van de grote tegenstander van God. Hij wordt de vader van de leugen genoemd. Leugens, ze vinden gehoor en doen hun werk. Geloof en vertrouwen worden ondermijnd.
Zou hij, die tegenstander, het vandaag niet proberen? Wat stelt het nu toch voor om christen te zijn? Waar sloof jij je zo voor uit. Er zijn andere dingen, veel interessanter, veel leuker. En die kerk, wat kan die je schelen? Moet je eens kijken naar die christenen, alsof dat zulke supermensen zijn. Wat heb je daar te zoeken. Denk je echt dat God met die kerk bezig wil zijn? Vragen, suggesties, leugens, de duivel kan er zo handig gebruik van maken.
Bij het volk aan de grens van het beloofde land komt het vervolgens tot harde verwijten aan het adres van God. Hard! Waarom toch brengt ons de Here naar dit land, opdat wij door het zwaard vallen, onze vrouwen en kinderen ten buit worden? Zou het voor ons niet beter zijn naar Egypte terug te keren?
Hier klinkt een waaromvraag? Waarom toch brengt de Here ons naar dit land? Dat is een goede vraag. Waaromvragen mag je stellen aan God. Het hangt er wel van af, wat voor waaromvraag. De bijbel staat er vol mee. Je vindt ze in heel veel psalmen. Hier is de vraag verkeerd. Er wordt een antwoord ingevuld. Er wordt God een antwoord voorgeschreven. En wat voor antwoord. God wil ons vernietigen! Dat durven ze te zeggen van de God die met zoveel liefde dag en nacht voor hen bezig is.
Ze gaan nog een stap verder. We willen terug onder een andere leider. Mozes was de leider namens God. God was de echte Leider. Hij ging voorop in die wolk. Dit is keihard afwijzen van God. De opstand is compleet. Het volk is volkomen blind voor God. God die uit Egypte had bevrijd, die had laten voelen je hoeft geen slaaf meer te zijn. Je hoeft niet meer bang te zijn voor de klappen van de Egyptenaren. Je mag vrij zijn. Vrijheid wil ik jullie geven. God, die ze zo wonderlijk in de woestijn in leven had gehouden, waar geen mens kan leven. Het brood regende uit de hemel, het vlees vloog ze bijna in de mond.
Dank u wel, we gaan liever terug. Terug? Hier gebeurt wat Petrus schrijft in zijn tweede brief als hij het heeft over gelovigen die terug gaan naar een leven zonder God, gelovigen die afhaken. Deze mensen zijn een hond die terugkeert naar zijn eigen braaksel (geen fris beeld), een gewassen varken dat terugkeert naar de modderpoel (2 Petrus 2: 22).
Zie je wat er achtereenvolgens gebeurt? Angst, gestimuleerd door leugens, beschuldigen van God, afwijzen van God. Van angst voor machten in het beloofde land, is het gekomen tot regelrechte opstand tegen God. Er was geen oog voor God, het is gekomen tot God zelfs niet meer willen zien. Wat is hier de harde werkelijkheid? Is het wel Kanaän achter de bergen, of is het Israël voor de grens? Mozes en Aäron beseffen de ernst van de situatie en ze vallen op de grond. Ze vallen niet flauw. Dit is een gebedshouding. Heeft Mozes niets gezegd? In Deuteronomium kun je lezen dat ook hij nog een warme oproep heeft gedaan. Hij zei onder andere: God heeft ons gedragen, tot nu toe, zoals een vader zijn kind kan dragen. God heeft ons gedragen.
Nu zijn we gekomen bij het moment dat Mozes zwijgt. Hij geeft het over aan de Here. Hij valt neer in gebedshouding, waarschijnlijk met het gezicht richting de tabernakel. De tent van God. De situatie is heel kritiek.
Jozua en Kaleb staan aan de kant van Mozes en Aäron en zien ook de echte harde werkelijkheid. Ze scheuren hun kleren als teken van verdriet, van rouw. Het wordt gevaarlijk. Waarom? Als je nu reden hebt om bang te zijn, voor wie dan? Zou je nu niet ondersteboven moeten zijn van Hem, die langer is dan de langste reus, die groter is dan het grootste probleem dat je in je leven kunt hebben, die meer antwoorden heeft dan jij aan vragen kunt stellen.
Jezus zal het eeuwen later zo zeggen: (Matteüs 10: 28) Weest niet bevreesd voor hen, die wel het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden; weest veeleer bevreesd voor Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel. Dat zei Jezus. Voor wie moet je bang zijn, ontzag hebben? Hij zei dat op het moment dat Hij twaalf leerlingen voor het eerst uitzendt in Israël om te getuigen van het Koninkrijk, van het nieuwe beloofde land. Op dat moment zegt Jezus tegen zijn verspieders van het nieuwe Kanaän: denk erom, niet bang zijn voor wat je ziet, maar let op Hem die veel meer ontzag waard is.
Dat telt ook hier. Jozua en Kaleb staat oog in oog met een de harde werkelijkheid van ongeloof. Ze lijken niet bang. Voor hen staat een menigte mensen. Die hebben niet vriendelijk gekeken. De stenen liggen klaar om zo meteen te gaan gooien naar Jozua en Kaleb. Deze twee zien mensen die dreigen uit angst voor wat ze niet gezien hebben, want ze hebben (behalve die tien) nooit over de bergen gekeken. Jozua en Kaleb hebben wel gekeken. Ze hebben het prachtige land gezien en ook die grote muren en die supermensen. Nu zien ze mensen die niet het beste met hen voor lijken te hebben. En toch niet bang? Nee, want zij zien meer.

2. De machtige God

Opnieuw klinkt een loflied op het land dat God heeft beloofd. Het is ontzettend goed! Dat niet alleen, wij komen er! Hoe dan? Indien de Here welgevallen aan ons heeft, dan zal Hij ons in dit land brengen en het ons geven, een land, dat vloeit van melk en honig.
Als God een welgevallen aan ons heeft. Tot nu toe heeft God steeds laten zien dat Hij om ons geeft. Voor ons was er dat pad door de rode zee, voor ons het voedsel onderweg. Wat een tekenen van liefde heeft God keer op keer laten zien. Hij heeft een welgevallen aan ons! Hij is blij met ons!
God heeft tot nu toe steeds gezegd dat Hij ons in dit land wil brengen en het ons wil geven. Het heeft nog eens geklonken toen God aan Mozes de opdracht gaf om uit elke stam een belangrijk persoon te kiezen als verkenner van het land. Het land dat Ik de Israëlieten geven zal, zei de Here (vers 2).
Hoor je dat? God zal geven! God zegt niet: ik breng je bij het land en zorg nu maar dat je er zelf binnenkomt. Nee, God zal geven! Weet je dat God vandaag in zijn zorg voor ons, nog steeds de gevende God is? Hoe vaak worden we niet opgeslokt door de gedachte: we moeten het zelf doen. Wij maken onze plannen, wij schatten de mogelijkheden, de onmogelijkheden, de weerstanden in. We zien onze krachten en kansen. Beseffen we dat we een God hebben die meer kan geven dan wij kunnen bedenken? Weet je dat er een God is die oplossingen kan geven die jij niet kunt bedenken? Die jij nooit had voorzien? God kan opeens een heel andere situatie scheppen, in een gemeente, in je gezin, in je persoonlijk leven. Besef je dat God krachten kan geven die jij van jezelf niet kent? Omdat God ze wil geven. Of is God iemand die alleen maar zijn handtekening zet onder onze oplossingen, plannen en wat wij zien zitten? God zet geen handtekening onder wat wij allemaal hadden bedacht.
God geeft, niet automatisch. Dat beseffen Jozua en Kaleb heel goed. Als God een welgevallen aan ons heeft... Nu wordt het spannend. Kan God blij zijn met het volk dat Hij op dat moment ziet, met die boze gezichten en die bange harten? Kan hij blij zijn met zijn kinderen die niets meer van Hem willen weten, die een andere leider willen, alle vertrouwen in Hem hebben opgezegd. Kan God daar blij mee zijn?
Het eerste wat er nu moet gebeuren is dan ook een heel andere houding tegenover de Here. Alleen, weest dan niet opstandig tegen de Here. Je kunt bang zijn, je kunt je vragen hebben over hoe het allemaal verder moet, overweldigd zijn door verdriet. Dat mag je zeggen tegen God, dat mag je zelfs roepen, schreeuwen: Here help me! Alleen, blijf beseffen tegen Wie je het hebt. Ga je nooit verbeelden dat jij God wel even op het matje kunt roepen. Dan draai je de boel om. Dan zie je niet meer wie God is. Dan kun je Hem niet meer horen en niet meer ontdekken. Dan kun je niet meer met Hem leven.
Weest niet opstandig. Begin met gehoorzaam, nederig, eerbiedig naar God te kijken. God, ik snap er niets van, maar ik wil het wel tegen U zeggen. God, u bent veel groter, dan ik kleine mens! Als je zover komt, als je op je knieën gaat voor God, als je blijft belijden dat Hij veel groter is, dan gaat er nog veel meer gebeuren.
Dan is er ruimte voor de volgende opdracht, een andere houding tegenover de problemen. Hier is dat: vrees die mensen niet. vreest het volk van het land niet, want zij zijn ons tot spijs, hun schaduw is van hen geweken en de Here is met ons; vreest hen niet.
De Here is met ons! Ja, dat konden Jozua en Kaleb makkelijk zeggen. De beloften die zij hadden was zo concreet: Ik breng jullie in het land, Ik zal het jullie geven! De Here is met ons! Dat kan ik toch niet zomaar zeggen? God is met ons, die belijdenis is in de geschiedenis ook misbruikt voor plannen waar God absoluut niet achter zou kunnen staan. Je kunt God niet voor je karretje spannen. Israël heeft dat in eigen geschiedenis ook meerdere keren ervaren. Wat heeft God ons beloofd? Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Dat ook. Wat beloofde Hij voor nu? Jezus heeft gezegd voor Hij naar de hemel ging: Ik ben met jullie alle dagen! Dat zegt Jezus tegen zijn leerlingen die wereldwijd mensen tot leerling mogen maken. Belangrijk is dat je leerling van Hem bent, Hem bovenaan hebt staan. Dat betekent dat je steeds weer naar Hem wilt luisteren. Wat wilt U dat ik zal doen?
Wij mogen lid zijn van een gemeente van Jezus Christus. Dat blijven we als Hij hier centraal blijft staan. Dan mogen we weten dat Jezus zelf ons vasthoudt. De poorten van het dodenrijk zullen mijn gemeente niet overweldigen (Matteüs 16), heeft Jezus gezegd. Weer een belofte.
Als je wilt leven voor Hem, je inzet in zijn gemeente (ook al weet je niet of die in de plaats waar jij actief bent zal blijven), dan mag je weten dat dit nooit tevergeefs is. Wie leeft als leerling van Jezus, mag weten: Jezus is met mij!
Paulus herinnert in 1 Korintiërs 10 onder andere aan deze gebeurtenis in de woestijn. Dan zegt hij in vers 12 en 13: "Daarom, wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle. (Ga nu niet op jezelf vertrouwen) Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt."
Dat is een belofte. Wij maken verzoekingen mee, aanvechtingen, verleidingen, problemen. Als je er midden in zit, denk je: ik kom er niet uit. Klopt, zegt Paulus, jij komt er uit jezelf ook helemaal niet uit. God zal voor de uitkomst zorgen. Hoe komt het dat ik het soms nog niet zie zitten? Ik heb het nog niet binnen handbereik. Hoe snel vertrouwen we niet alleen op wat we zelf eigenlijk al een beetje in onze greep hebben? God vraagt te vertrouwen op wat Hij geeft. Het cadeau is onderweg. Moeilijk hè, om daar op te wachten? Elke dag kijken, komt de postbode er al aan om het cadeau te brengen dat me beloofd was? God zal voor de uitkomst zorgen. Blijf uitkijken.
Als je zo op God vertrouwt, zo oog hebt voor Hem, dan zie je andere dingen. Dat zagen Jozua en Kaleb. Ze hadden oog voor God en zien de werkelijkheid op zijn kop. Tenminste de werkelijkheid die de anderen zagen. Die zeiden: wij zijn als sprinkhanen in hun ogen. Ga weg, zij zijn een broodje voor ons! Een broodje? Ben jij wel eens bang voor een broodje? Kom nou, een broodje, hap, kauwen, weg.
Waarom we dat zeggen? Hun schaduw is van hen geweken. Ze zijn als mensen die in de snikhete zon nergens een schaduwplekje meer hebben. Wie moet hen beschermen? Zeg Jozua en Kaleb, jullie hebben toch zelf gezien dat er geweldige steden zijn met machtige muren. Daar komt geen mens door heen. Zonder schaduw, zonder bescherming?
Ja, zonder bescherming. Is dat geen grootspraak. Jozua en Kaleb, staan jullie wel met beide benen op de grond? We komen deze twee vaker tegen. Jozua de leider die straks voorop gaat bij de verovering van het land. Van Kaleb horen we ook meer, 45 jaar later. Hij is dan 85, moet je horen wat hij zegt.
(Jozua 14: 11) "Ik ben thans nog even sterk als toen Mozes mij uitzond; de kracht, die ik nu bezit is dezelfde als die ik toen had, kracht om te strijden en om uit en in te gaan." Hoor je dat 85 jaar. Ik ben nog net zo sterk als toen ik 40 was. Zegt u dat ook? Hij zegt tegen Jozua: het is voor mij nog geen tijd voor pensioen, ik heb nog wat te doen. Vers 12: "Geef mij daarom dit bergland, waarvan de Here te dien dage gesproken heeft, want gij zelf hebt toen gehoord, dat daar Enakieten zijn met grote, versterkte steden." Kaleb vraagt om het meest gevreesde gebied, het gebied met de sterkste steden en de grootste mensen. Ik ga wel.
Wat is dat voor man, een macho? Hij zegt op dat moment nog meer: "wellicht zal de Here met mij zijn en zal ik hen verdrijven, zoals de Here gesproken heeft." Als de Here mij helpt. Dat is zijn geheim. De Here geeft mij kracht en daarom ben ik nog net zo sterk als toen ik 40 was. Dankzij Hem heb ik dezelfde kracht. Hoe is het afgelopen? In Jozua 15: 14 staat: "En Kaleb verdreef vandaar de drie Enakieten: Sesai, Achiman en Talmai, zonen van Enak." De grote steden en die supermensen waren niet onoverwinnelijk.
Is die Kaleb zo bijzonder? Hadden hij en Jozua misschien meer lef dan anderen? Bij beiden valt een keus op die anderen op dat moment niet maakten Een keus die God zelf zo omschrijft in Numeri 14: 24 "omdat bij mijn knecht Kaleb een andere geest geweest is en hij Mij volkomen gevolgd heeft." Kaleb heeft een andere mentaliteit. Een mentaliteit waarvan wij achteraf zeggen, daar moet de Geest van God zelf hem bij geholpen hebben. Kaleb koos anders. Wat deed hij dan? Hij heeft mij gevolgd, zegt God. Dat kenmerkt de geloofsheld.
Bij een held denk je vaak aan iemand die voorop gaat. Iemand die durft. Wat is een held zijn in geloof? Dat is achter God aanlopen! In die zin ga je dus helemaal niet voorop, je volgt. Je ziet een ander voorop gaan, veel groter dan jij, God. Geloven is volgen. Ook Jezus wees daarop. Jezus nodigt zijn leerlingen uit om Hem te volgen. Dat is niet makkelijk. In een gedeelte waarin Jezus vertelt dat volgen kan betekenen een hoop verdriet in je leven, narigheid in je gezin, een hoop tegenslagen, een diep dal, zegt hij ook: "Voorwaar, Ik zeg u, gij, die Mij gevolgd zijt, zult in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen op de troon zijner heerlijkheid zal zitten, ook op twaalf tronen zitten om de twaalf stammen van Israël te richten" (Matteüs 19: 28). Een koninklijke toekomst, na een zware weg, achter Jezus aan. Nee, het diepste dal waar Jezus doorging, het dal van de hel, hoeven wij niet meer te passeren. Volgen kan lijden met zich meebrengen.
Achter Jezus aan kom je in het Koninkrijk, in het land dat God heeft beloofd. De nieuwe aarde is binnen handbereik als je Jezus volgt. Misschien denk je, ik wou dat ik zo'n sterk geloof had als Jozua en Kaleb. Dat ik zo moedig zou zijn. Hoor dan eens het appel van Jozua en Kaleb. Zij willen zich niet onderscheiden van de anderen. Bij herhaling klinkt het woordje ons, en daarmee bedoelen ze niet alleen zichzelf. Daarin klinkt de uitnodiging aan al die anderen om hen heen. Vandaag klinkt ook de oproep aan iedereen. Kijk dan, er is een God die veel groter is. Je hoeft niet de held uit te hangen, alleen maar God te volgen, op Hem te vertrouwen, met heel je leven achter Hem aan. Zie je Jezus, dan wordt alles anders.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar