De geloofsbeleving in de psalmen (Deel 6: David is zeker in God voor altijd)

Thema: David is zeker in God voor altijd
Tekst: Psalm 52: 10-11
Tekstgedeelte(n): 1 Samuël 22: 6-23
Psalm 52: 1-9
Psalm 52: 10-11
Door: Ds. H. Drost (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Houten)
Gehouden te: Haren (1999)
Opmerking RJCV: De delen uit de prekenserie over De geloofsbeleving in de psalmen kunnen afzonderlijk gelezen worden. De prekenserie bestaat uit:
1: Ps_03v09 - David verwacht alles van de HERE
2: Ps_30v12 - De HERE wil dat in Davids huis zijn lof blijft klinken
3: Ps_34v09 - David nodigt uit Gods goedheid te proeven
4: Ps_42v05 - Het geloof spreekt tegen je gevoel in
5: Ps_51v16 - David bidt of hij de HERE weer mag eren
6: Ps_52v10 - David is zeker in God voor altijd
7: Ps_142v04 - Davids enig houvast was de HERE die zijn weg kent
Extra: -Inleiding op de prekenserie: De geloofsbeleving in de psalmen.
-Gebeden
-Engelse vertaling: The experience of faith in the psalms (Part 6: David is certain in God forever)

Aanwijzingen voor de Liturgie

1. Votum en zegen
2. Ps. 63: 1
3. Wet
4. Ps. 63: 2-4
5. Gebed
6. Lezen: 1 Samuël 22: 6-23 (Davids vlucht => 1 Samuël 21: 10)
7. Ps. 52: 1-4
8. Lezen: Psalm 52: 1-9
    Tekst: Psalm 52: 10-11
9. Na eerste punt: Ps. 52: 5
10. Na preek: Ps. 52: 6
11. Gebed
12. Collecte
13. Gez. 36: 3
14. Zegen

Gebed 1

Vader,

Machtig is Uw stem. De wereld beeft bij Uw stem. De wereld gaat kapot aan uw geweld. Ook wij zijn nietig bij die kracht. Indrukwekkend is Uw macht.

U raast soms over de wereld, opdat ze Uw macht zal erkennen en buigen. Maar hier in de kerk spreekt U, opdat wij uw liefde zullen proeven en genieten. U spreekt hier elke zondag in liefde. U bent zo geduldig dat U altijd weer bezig bent ons hart te zoeken. U wordt niet moe ons naar U toe te trekken en ons te lokken met woorden van licht en leven. Hoe goed bent U. Hoe liefdevol spreekt U.

Help ons zo de bijbel te lezen, naar de preek te luisteren en heel de dienst er zo bij te zijn dat we Uw liefdesverklaring horen en... van harte beantwoorden.

Om Christus' wil

Amen.


Geliefde gemeente in Christus,

Bent u zeker in het geloof? Weet u u voor altijd geborgen bij God? Kom jij straks in de hemel?
Wanneer deze vragen gesteld worden, blijkt er vaak onzekerheid te zijn. Mag je wel zeggen dat je naar de hemel gaat? Op catechisatie zeggen de jongelui, dat je dat niet zeker kunt weten.

Hoe komt dat? Waar komt die onzekerheid vandaan? Dat heeft ermee te maken dat we in ons hart nog rooms-katholiek zijn. Ook wij denken: 'God heeft goede dingen gedaan door de Here Jezus, maar... nu moet ik het nog afmaken'. Tja, als je denkt, dat het van jezelf afhangt, word je onzeker. Want in het geloofsleven leer je jezelf kennen als onbetrouwbaar en onwillig. 'Hoe moet het ooit goed komen als het van mij afhangt?'. Het is die vraag die veel christenen in onzekerheid doet blijven.

Om uit dat dal te komen, is het belangrijk dat we die gedachte loslaten dat we het zelf moeten doen. We moeten onszelf juist loslaten. Terug naar het ABC van het geloof betekent, dat we helemaal op God gaan vertrouwen en onszelf helemaal leren wantrouwen. Waar dat geloof doorbreekt, dat ons heil niet van ons, maar van God afhangt, daar wordt de zekerheid geboren.

Over die zekerheid van het geloof kunnen we van David leren als hij in zijn problemen opziet naar God en het van Hem alleen verwacht.

Het thema voor de preek is:

David is zeker in God voor altijd

Die zekerheid

  1. rust op vertrouwen - vers 10
  2. brengt tot zingen - vers 11


David is zeker in God voor altijd. Die zekerheid

1. rust op vertrouwen - vers 10

Hitler, Ceaucescu, Saddam Hoessein - het zijn namen van mensen die hun macht zo misbruiken dat ze dictator heten. Een dictator is iemand die macht heeft, maar weet dat hij gehaat is. Zijn leven is in gevaar. Hij ziet overal gevaar en is daarom onberekenbaar. Zijn angst en achterdocht maken hem gevaarlijk.
Zo tekent de bijbel in 1 Samuël 22 Saul, de gezalfde van de Here als dictator. Hij heeft een groepje vrienden om hem heen, die rijk van hem zijn geworden. Maar zijn angst en achterdocht maken hem gevaarlijk. Als hij hoort dat David ondertussen een eigen legertje heeft, vertrouwt hij niemand -zelfs zijn eigen mensen- niet meer. Hij vaart tegen hen uit. Hij verwijt hen tegen hem samen te zweren. Hij neemt een dreigende houding aan. Zal hij straks ook één van hen een speer naar het hoofd gooien?

Een buitenlander, Doëg weet de koning af te leiden. Hij vertelt, wat hij gezien heeft in Nob: 'Achimelek gaf de rebel wapens en voedsel.' Het is waar wat hij vertelt. Maar het is de halve waarheid. Want hij zegt er niet bij dat de priester van niks wist. En een halve waarheid is een hele leugen. Want nu lijkt het net of de priester verraad heeft gepleegd tegen de koning. En dat is een leugen. In Psalm 52 noemt David hem dan ook iemand "die bedrog pleegt" (vers 4).

Als Saul denkt dat er ook bij de priesters al verraad is, slaan de knoppen bij hem door. Hij laat de priesters komen en geeft het bevel "de priesters des Heren" (1 Samuël 22: 17) te doden. De priesters van God doden! De dienaren van de verzoening vermoorden! Dat is nogal wat. Sauls lijfwacht weigert dan ook dit bevel uit te voeren.
Maar dan komt Doëg naar voren. Deze heiden heeft geen greintje respect voor Gods priesters. Hij wil wel. Hij maakt er een bloedbad van: 85 priesters doodt hij. En alsof dat nog niet genoeg is gaat hij even later als een beest te keer in Nob, de stad van de priesters, waar hij iedereen en alles afslacht (1 Samuël 22: 19). En - dat typeert de man - hij is er geweldig trots op dat hij dat heeft gedaan. David noemt hem in onze psalm in vers 3 de "geweldige, die zich beroemt op zijn geweld".

Dat is niet normaal meer. Dit is geen mens. Dit is een... duivel. Is het u ook opgevallen bij het lezen van Psalm 52 dat David hem niet bij name noemt. Hij spreekt meer in het algemeen over de man van leugen en geweld. Dat is de man die zich met liefde (Psalm 52: 5-6) in dienst stelt van het kwade. Het is de man die in dienst staat van satan. Het gaat om opstand tegen God. Wat David in deze psalm tegen die man zegt, is dan ook geen persoonlijke zaak. Het een zaak tussen God en Zijn grote tegenstander, die Gods werk kapot wil maken.

En omdat het Gods zaak is, Zijn strijd, kan David ook met stelligheid zeggen dat God die tegenstand zal kappen. Het staat er letterlijk: "God... zal u ontwortelen uit het land der levenden" (vers 7). De man van geweld die dacht met dat geweld een heel eind te komen, heeft geen toekomst. Hij is als een boom die uit de grond getrokken is. De wortels kunnen geen leven meer opzuigen. Hij ligt er. Hij is dood. En: hij blijft dood.

"Maar ik (!) - zegt onze tekst - ben als een groenende olijfboom in het huis van God." David ziet zichzelf als een boom waarvan de wortels het leven nog volop opzuigen: zo'n olijfboom heeft een prachtige, frisse bladerkroon. Hij vergelijkt zichzelf met die prachtige bomen "in het huis van God." Hij zegt daarmee dat zijn toekomst weer in het huis van God zal zijn, waar hij onder Gods bescherming zal groeien en bloeien.

Hoe kan David dat nu zeggen? Hoe kan hij zeggen dat hij in Gods huis zal bloeien terwijl hij moest wegvluchten van Gods heiligdom? Weet hij nog wel wat hij zegt? Hoe komt hij erbij? Dat zegt hij er bij in vers 10 van Psalm 52: "Ik vertrouw op Gods trouw, altoos en immer". God kun je vertrouwen - zegt hij - op Zijn Woord. Wat had God dan tegen David gezegd? God had David laten zalven. David zou de koning over Israël zijn. En omdat God dat gezegd heeft, houdt David vast aan een goede en mooie toekomst. Hij houdt God aan Zijn Woord.

David zegt dat hij "altoos en immer" op God vertrouwt. Dat is heel lang. Verder dan je je in kunt denken. Wie op God vertrouwt, heeft toekomst. En wij weten uit het vervolg van de bijbel hoe waar dat geworden is.

David werd koning. Op Zijn troon kwam later de Here Jezus. En die koning op Davids troon overwon de tegenstander van God. God rekent door Jezus Christus af met alle macht die tegen Hem opstaat. Dat is het uitzicht van deze psalm. David is er heel zeker van - in geloof, ook al zag hij er nog niks van.

Het geloof spreekt tegen de ervaring in. Wat David meemaakt, is dat hij ver van Gods huis moet wegkruipen in spelonken. Dat is zijn ervaring. Maar wat David gelooft, is dat hij veilig is bij God thuis, "een groenende olijfboom in het huis van God." Dat is geloof. Het is de aard van het geloof - zei iemand eens - dat het de oren opent en de ogen sluit. Men bedoelt ermee dat het geloof niet afgaat op wat je ogen zien maar op wat God in Zijn Woord ons zegt.

Wat ziet u bij uzelf? Ziet u in uw eigen leven niet steeds zonden? Komen ze niet steeds terug? Lijken ze soms niet erger te worden? 'Zal ik wel behouden worden? Zal ik zo in de hemel komen?'. De onzekerheid slaat toe.

Het geloof doet de ogen dicht en de oren open. Je gaat luisteren naar wat God zegt... en hoor! Wat zegt de HERE? Hij zegt: 'Zie, het Lam dat de zonden van de wereld' - dus ook van jou - 'wegdraagt.' Die stem vertelt ons over Christus.

Er klinken in ons leven ook andere stemmen. Er klinkt de stem van je geweten, dat je tegen alle geboden van God gezondigd hebt en geen daarvan gehouden hebt en dat ik nog altijd uit ben op kwaad (om het met de woorden van de catechismus te zeggen). Die stem in jezelf krijgt steun van buiten. Het is de satan die je wijst op je 'vuile kleren'. Hij klaagt ons aan. En heeft hij geen gelijk? Hij heeft het grootste gelijk…
En toch krijgt hij geen gelijk… Gods stem klinkt. 'Ga weg, satan.' En dan zegt de Here tegen de man die met vuile kleren voor Hem staat: 'Zie ik neem uw ongerechtigheid weg. Ik geef u feestklederen aan' (Zacharia 3: 4). God neemt om Christus' wil onze zonden weg om samen het feest van de verzoening te vieren.

Luister naar Hem, die spreekt over Zijn Zoon. Kijk niet naar uzelf die er niks van terechtbrengt, zie op Christus die alles goed deed - ook in uw en jouw plaats. Kijk meer naar Christus. Hij was gehoorzaam. Door Hem ziet God u als zijn gehoorzaam kind. U bent kostbaar in Gods ogen. Horen naar Gods stem leert je de zekerheid van het geloof.

David sloot als het ware ook de ogen toen hij in een spelonk zat. Hij spitste zijn oren. Hij dacht aan Gods belofte. En daar hield hij zich aan vast, al had hij nog geen idee hoe het allemaal goed moest komen. En hij zong: " Maar in Gods huis zal ik verkeren, een groene boom gelijk..."

[ Zingen: Ps. 52: 5 ]

Het thema voor de preek is: David is zeker in God voor altijd. Die zekerheid 1. rust op vertrouwen

2. brengt tot zingen - vers 11

Hitler had z'n Himmler… Saul heeft z'n Doëg. Een dictator verzamelt hielenlikkers en verklikkers om zich heen die nog gemener zijn dan hijzelf. Dat geldt ook voor Doëg. De man is een buitenlander. Hij komt zelfs uit Edom, het volk van Ezau dat Israël, het volk van Jakob altijd heeft gehaat.

Nu wordt in hoofdstuk 21 eerst over hem verteld dat hij in het heiligdom van God is omdat hij -staat er- "voor het aangezicht des HEREN afgezonderd was" (1 Samuël 21: 7). Dat betekent dat hij daar was voor godsdienstige plichten. Hij diende dus de God van Israël. Je moet toch de God dienen van het land waar je bent? In hoofdstuk 22 wordt duidelijk dat zijn dienen van de HERE alleen maar voor de vorm is. Hij deinst er niet voor terug Gods priesters uit te moorden.

David heeft Psalm 52 gedicht na de brute actie van deze vijand van Gods volk. Toch -zagen we in punt 1 van de preek- klinkt er in dit lied geen persoonlijke haat door. Want David ziet het als Gods zaak.

Geen persoonlijke haat? Nou, nou - zegt u misschien - David zegt in vers 8 toch maar dat de rechtvaardigen zullen lachen om het ongeluk van de geweldenaar. Is dat geen leedvermaak? Nee, dat is zo niet bedoeld. Rechtvaardigen - mensen die recht voor God willen staan - doen zo niet. Waarom niet? Omdat de HERE niet wil dat je plezier hebt in de val van je vijand. Hij wil niet dat je handenwrijvend toekijkt. In de bijbel lezen we in het boek Spreuken: "Als uw vijand valt, verheug u dan niet; als hij struikelt, jubele uw hart niet, opdat de HERE het niet zie en het Hem mishage..." (Spreuken 24: 17-18b). Omdat God het niet wil, zullen rechtvaardigen ook niet zo doen. Wat betekent het dan wel?

Als we precies lezen, zien we dat in vers 8 eerst staat eerst dat de rechtvaardigen zullen "vrezen", als ze zien hoe God de geweldenaar straft. Er zal respect zijn voor Gods werk. Tegelijk zal er ook vreugde zijn over Gods werk. Ze zullen blij zijn en "lachen", dat God recht doet. En die vreugde in Gods overwinning zullen ze laten horen in een lied over de geweldenaar:
"Ziedaar de man die God niet tot zijn veste stelde
maar die op zijn grote rijkdom vertrouwde,
zich sterk waande door wat zijn onheil werd"
(vers 9). Het is een lied over hem. Hij komt zelf niet meer aan bod. Je hoort hem niet meer. Weg is hij...

Ook op dit punt wordt de tegenstelling heel scherp getekend in onze tekst. Je hoort de geweldenaar niet meer, maar David hoor je des te meer: " Voor altoos zal ik U loven, omdat Gij het hebt gedaan" (vers 11). Hier blijkt weer groot vertrouwen in God. David vertrouwt zo op God dat hij zegt altijd voor die God te zullen zingen. Dit is weer de zekerheid van het geloof. En die zekerheid brengt je tot een lied.

Nu zijn er nogal wat mensen die niet zoveel moeten hebben van dit soort liederen van zekerheid. Dat worden gauw - zeggen ze - van die zelfverzekerde psalmen waarin wij laten klinken hoe goed we wel zijn. Dat gevaar ligt altijd op de loer. De duivel probeert het mooiste: de zekerheid in God - te maken tot het slechtste: zelfverzekerdheid. Dat gevaar is er.

Als we daar op letten, zien we in onze tekst heel mooi dat David die zo zeker is in God er ook mee gaat naar God. Hij geeft Hem de eer. Hij slaat zichzelf niet op de borst, maar brengt God de lof. Zo spreekt Hij de Here aan: "voor altoos zal ik U loven, omdat Gij het hebt gedaan" (vers 11). Hij is zichzelf als het ware kwijt en ziet alleen God. Die goede zekerheid komt met een goed lied: op God.

Het is een lied van hoop en verwachting. David zegt zingend: "Ik zal uw naam verwachten - want die is goed - in tegenwoordigheid van uw gunstgenoten" (vers 11). David bedoelt ermee te zeggen dat hij hoopvol Gods naam zal belijden. Ja, David ziet zich al weer in de gemeente staan, in de tempel. Samen heffen ze het lied aan. Vreugde klinkt er in door. Dat is de vreugde vanuit de zekerheid van het geloof.

Het geloof - zagen we in punt een - spreekt tegen de ervaring in. Nu kunnen we er iets bij zeggen: het geloof brengt zijn eigen ervaring mee. Want David had als vluchteling ver van de tempel alle reden om somber te zijn. Wie zou met zo'n ervaring niet somber worden? Maar hij ziet zich door het geloof al weer in de tempel zingen. Hij wordt er blij van.

Het geloof sluit de ogen en opent de oren. Dat betekent niet dat we met gesloten ogen door de wereld gaan, maar dat we leven bij een open bijbel. Geloof luistert - naar God. Waar Zijn stem klinkt moet je geweten zwijgen en de satan vertrekken. Je ongehoorzaamheid klaagt je soms aan. Maar Gods stem spreekt van Christus' gehoorzaamheid - voor u, voor jou. En God ziet me 'alsof ik - die heerlijke tonen uit Heidelberg - alsof ik nooit zonde had gehad of gedaan, ja, alsof ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht had die Christus voor mij volbracht heeft'.

Hebt u al eens beseft wat Christus voor u meebrengt? Ziet u dat u door Hem voor God volmaakt bent? Hoort u die stem die zegt dat alles aan u, aan jou goed is? Zingt u het ook wel eens uit als het tot u doordringt?

Zie op Christus. Zie meer naar Christus en geloof in hem en u ziet… uzelf zoals God u dan ziet, als… Zijn Zoon, als Zijn kind. Wat een opluchting. Waar dat beleefd wordt, klinkt het lied:

"Mijn God, U zal ik altijd prijzen,
omdat U 't hebt volbracht..."

Amen.


Gebed 2

1. Eer: vergeef ons onze zelfstandigheid: op eigen benen denken te staan; wees ons goed; laat ons door de knieën gaan, opdat we vertrouwen - op U alleen en niets anders

en zo U de eer geven.

2. Voorbede: wij bidden U voor mensen die U beproeft - opdat ze door de knieën gaan - in ziekte, verdriet, pijn en aftakeling.

Voorbede: zieken - dementie - verslavingen - stervenden
en zo vertrouwen van het geloof tegen alles in; een lied op U in de nacht
= niet beschaamd.

3. Voorbede: wij bidden U voor de machtigen van deze aarde; leer ook hun afhankelijkheid van U.

opdat ze U de eer geven en Uw kerk beschermen.

4. Eer: U bent de almachtige; alles komt van U en alles leeft van U. U bent een almachtig en getrouw Vader. Wij zijn maar klein - Uw kinderen. Maar wij mogen vertrouwen dat U, onze Koning, zowel de wil als het vermogen hebt, om ons alle goeds te geven - opdat daardoor aan uw eeuwige naam eeuwig lof wordt toegebracht.
Dan komt alles op zijn plaats: als wij op deze aarde U eren als de Almachtige Die was, Die is en Die komen zal.
Leer ons U te eren door U te vertrouwen.

om Christus 'wil

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar