| Thema: | De gelovige roept tot de HERE om hulp |
| Tekst: | Psalm 142 |
| Tekstgedeelte(n): | Psalm 142 |
| Door: | Dr. W.G. de Vries († - destijds predikant gereformeerde kerk vrijgem. Zwolle) |
| Gehouden te: | Zwolle |
| Vertaling: |
Engelse vertaling beschikbaar: |
Aanwijzingen voor de Liturgie
Lezen:
Psalm 142
Tekst: Psalm 142
Zingen:
Aanvangslied: Ps. 43: 1, 4
Na de wet: Ps. 43: 5
Na de geloofsbelijdenis: Psalm 43: 5
Na de collecte: Ps. 142: 1-6
Na de preek: Ps. 144: 1, 6
Slotzang: Ps. 18: 1, 15
Geliefde gemeente van onze Here Jezus Christus,
Voor sommige christenen is het geloof een succesformule. Wie gelooft is altijd blij. Wie gelooft kent geen
depressies. Wie gelooft wordt van allerlei ziekten verlost. Wie gelooft kent geen verslaving. Wie gelooft voert een
perfect leven en bereikt een graad van volkomenheid, die hem vrij en blij in het leven doet staan. Het is een 'keep
smiling' christendom, dat momenteel nogal veel aanhangers kent. De zuigkracht daarvan is dan ook groot, met name op
de jeugd. Een warm en overtuigd geloof, blijdschap die aanstekelijk werkt, enthousiasme, waardoor je buiten jezelf
raakt en die je in hogere sferen doet leven.
Neem daartegenover de gevestigde kerkinstituten, waarin alles volgens vaste patronen verloopt, die vaak eeuwenoud
zijn. Strakke gezichten, steile christenen, vastgestelde belijdenisschriften en ambtelijke kaders. Het lijken wel
versteende instituten, waarin alle spontaniteit verdwenen is en waar niets te beleven valt.
Is het een wonder dat momenteel de zuigkracht van zogenaamde evangelische en pinkstergemeenten groot is en dat met
name de jeugd het daar gaat zoeken?
Intussen hebben allerlei onderzoeken aangetoond dat de werfkracht van deze vrije gemeenten vooral wordt uitgeoefend
op leden van gevestigde kerken, die daar hun draai niet kunnen vinden. Het zijn niet zozeer de buitenkerkelijken
die zich bij dergelijke pinkstergroepen en vrije gemeenten voegen, maar ex-kerkleden. De evangelischen zelf spreken
dan ook wat spottend over 'circulatie van de gelovigen', het rondgaan van de gelovigen vanuit een kerk naar de een
of andere evangelische beweging, waarvan er vele zijn. En dan weer naar een andere evangelische beweging.
Maar ondertussen brengen sommigen van hen met hun volmaaktheidsdrijven veel serieuze gelovigen tot wanhoop. Als het
echte geloof betekent, dat je altijd blij bent, dat je geen depressies meer kent, dat je van allerlei verslaving
afkomt, ja dat je lichamelijke en geestelijke ziekten kunt overwinnen, dan brengt dit velen die zover niet kunnen
komen tot wanhoop. Wie geen genezing vindt op het gebed, heeft volgens sommige evangelische groepen geen geloof.
Wie in de put zit en er niet bovenuit kan raken, ontbreekt het aan echt geloof. En zo worden mensen in hun misère
en verdriet nog dieper in de put gestoten. Want het zou hen aan echt geloof ontbreken en met dat vonnis worden ze
weggestuurd. Dat kan tot wanhoop brengen, tot doemdenken en tot angst voor God en zelfs tot
zelfmoordpogingen.
Maar hoe geheel anders spreekt Gods Woord. Zo lankmoedig en barmhartig en niet zo drijverig en wreed. Neem alleen
maar het boek van de Psalmen, dat heel wat levensechter is dan dit oppervlakkig en opgesmukte christendom. Daaruit
hebben we tot vertroosting en bemoediging Psalm 142 gekozen.
Ik vat deze Psalm aldus samen:
De gelovige roept tot de Here om hulp
|
Deze Psalm wordt aan David toegeschreven, die werd voortgejaagd als een veldhoen op de bergen. Ze wordt als een
'leerdicht' aangekondigd. Dat klinkt even dor en koud, want voor velen is 'de leer' ook even taai en droog als
leer. Maar niets is minder waar. De leer stempelt het leven. Wie een leer van volmaaktheid drijft, jaagt het leven
van heel veel mensen in de engte. De leer dat gelovigen volmaakt moeten zijn, altijd blij moeten wezen, boven
ziekten en depressies verheven moeten zijn, heeft heel veel mensen juist het leven zuur gemaakt. Want als ze hun
onvolkomenheden ervaren, hun halfheden en gebreken, hun gebrek aan blijdschap en elan, dan raken ze nog dieper in
de put vanwege deze 'leer' dat echte gelovigen boven dergelijke zwakheden verheven moeten zijn. Maar dit
'leerdicht' van David was een gebed 'in de spelonk', uit het leven gegrepen dus. Het was de spelonk van Adullam,
waarin allerlei mensen bij hem kwamen die in moeilijkheden zaten en die verbitterd waren, zegt 1 Samuël 22: 1-3.
Bepaald dus niet een blij gezelschap. Ze schreeuwden het uit van ellende. Want ze riepen met luider stem tot de
Here. Let daar goed op. Ze riepen de God van het verbond aan. Ze balden niet in het wilde weg hun vuisten. Nee, ze
stortten hun klachten voor Gods aangezicht uit. Het waren dus gelovige mensen, die hun benauwdheid aan de Here
bekend maakten. Inderdaad hier klinken klachten op. Maar het waren klachten van gelovige mensen. De leer dat
gelovigen altijd blij moeten en kunnen zijn versmelt hier als sneeuw voor de zon. Je zou zelfs kunnen zeggen, dat
David en zijn mannen het moeilijk hadden vanwege hun geloof. God had immers David tot koning laten zalven. Maar in
de praktijk kwam daar niets van terecht. Zijn situatie was zo ellendig dat hij moest onderduiken en dat zijn ouders
naar Moab moesten uitwijken, een heidens land. Maar in dat alles riepen ze de Here aan en balden niet hun vuisten.
Ze wisten waar ze met hun klachten heen moesten. Dat is ook een stuk geloofsbeleving, gemeente.
Men spreekt vandaag veel over de noodzaak van geloofsbeleving en er wordt terecht op aangedrongen. Maar dat is heel
iets anders dan altijd blij zijn, nooit in de put zitten, alsof het geloof een succesformule is.
Psalm 142 is een Psalm van grote geestelijke benauwdheid. David zit met zijn manschappen ingesloten. Hij zit in een
spelonk, waarin geen licht meer valt. Zo zit hij in 'de kerker', de gevangenis. Hij is met alles vastgelopen. We
hoeven dat woordje 'kerker' niet eens letterlijk te nemen, want geen mens had hem gevangen gezet. Saul kon hem niet
te pakken krijgen. Maar wel voelt hij zich als in een gevangenis, geestelijk, want hij zit volkomen vast. Waarom
laat God dit alles toe? De Here zelf is immers het adres van zijn klacht. Laten we daar goed op letten. Hij maakt
hier geen mensen enig verwijt, hij redeneert niet, zoals moderne theologen vandaag doen, dat God er ook niets aan
kan doen en het toezien heeft. Nee, hij legt zijn klacht rechtstreeks voor de Here neer. Daarom is het een Psalm
die ook voor ons vandaag zo belangrijk is. Nee, we zijn niet allemaal David. Maar er zijn ook vandaag mensen, die
net als hij, volkomen vast zitten. Ze leven als in een gevangenis. Ze zien geen licht meer in het leven en vragen
zich af: waarom laat God dit toe? Het is een benauwdheid, die vaak door anderen niet te peilen valt. Je kunt niet
meer lachen en je kunt niet meer huilen. Het hele leven lijkt in duigen te vallen. Soms lijk je wel een stuk beton,
waaruit elk gevoel verdwenen is. Van blijdschap is in elk geval geen sprake meer. Je leeft als in een gevangenis en
je ziet nergens meer licht in. Eigenlijk is er nog maar één schreeuw in je hart: Voer mij uit de kerker.
Dat is, broeders en zusters, ook geloofsbeleving. Geloofsbeleving is niet altijd: wat voel ik mij blij en warm van
binnen, maar ook: wat ben ik dor en kil van binnen. Maar dan ga je met dat gevoel van gevoelloosheid -als ik het zo
mag zeggen- naar de Here en je legt hem die benauwdheid voor. En je roept uit de diepte: Here, voer mij uit de
kerker, die gevangenis, waarin ik vastgelopen ben. Dat is een ander evangelie dan altijd blij zijn en halleluja
roepen. Dat soort christendom is oppervlakkig en heeft zich ver verwijderd van de diepten van de Psalmen, die in
Christus zijn vervuld. Ik denk aan diens klacht aan het kruis: "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?"
Dat was ook een klacht uit de diepte. En meteen een Psalmwoord, eenmaal uitgeroepen door een mens op aarde. Maar
tegelijk gedicht met het oog op Christus, die echt door God verlaten werd. En wij mogen nu belijden, dat wij nooit
door God verlaten worden. Maar dat is iets anders dan dat we ons nooit verlaten voelen. Dat we nooit meer in een
'kerker' zitten en dat we altijd blij moeten zijn. Dat heeft de apostel Paulus wel onder woorden gebracht. Zeker,
hij heeft ook opgeroepen tot een zich verblijden in de Here, elke dag opnieuw. Maar tegelijk heeft ook hij klachten
gekend over een zware last, die hem zelfs aan zijn leven deed wanhopen; hij zat in druk en was om raad verlegen,
maar in dit alles stelde hij zijn vertrouwen op God (2 Korintiërs 1: 9). Zoals ook David hier maar niet zijn
klachten uitschreeuwde, in het wilde weg en zonder adres, maar ze voor de Here neerlegde.
Dat geldt ook van het tweede dat ons hier treft: het versmachten van het geloof. We lezen immers: schouw ik naar
rechts en zie ik uit - niemand ziet naar mij om. Volgens de bijbel is 'rechts' een gunstige richting en
werkelijkheid. Daar staat je helper. Daarom wordt ook vaak over Gods rechterhand gesproken, die hulp zal bieden.
Maar David ziet geen hulp, ook niet van Gods kant. Daarom versmacht zijn geest in hem. En dat is een echt
versmachten geweest. Hij had geen geestelijke veerkracht meer. Zijn geest ging tegen de vlakte en kon zich niet
meer oprichten. Hij raakte diep in de put.
En nu moeten wij niet gaan redeneren: maar die hulp was er toch wel. Hij riep toch de Here aan? En wie is een
Helper als de Heer alleen? Ja, die redenering kennen wij vandaag bij het 'altijd vrolijk' christendom. Zit je in de
put? Wel, roep de Heer aan en je bent blij. Ben je ziek? Wel, roep de Heer aan en je wordt genezen. Ben je
geestelijk in de war? Wel, roep de Heer aan en je wordt normaal. Ben je homofiel? Wel, roep de Heer aan en je bent
er zo van af.
Met dergelijke leuzen zijn al wat mensen tot wanhoop gebracht. Want, wanneer dit niet lukte? Wat dan? Dan kreeg je
te horen: je geloof deugt niet, je bent bij God ver onder de maat, het zit goed fout bij jou. Zo wordt het
smachtend geloof vermoord en worden mensen zelfs letterlijk tot zelfmoord gebracht.
Hoe heel anders spreekt de bijbel. Wie in een kerker leeft, is door andere mensen niet meer te bereiken. Dat heeft
David ondervonden en tienduizenden met hem. Als mijn geest in mij versmacht, als alle gevoel en blijdschap mij
ontvalt, dan kent de Here mijn weg. Dat heeft de Heilige Geest aan David geleerd. Dat wil Hij ook ons vandaag
leren. Het gaat over de 'moeizame weg', die een mens soms heeft te gaan.
Laat ik u daarvan een voorbeeld mogen geven van een gereformeerd psychiater met tientallen jaren ervaring. Hij
zegt: Je raakt diep onder de indruk van de triestheid, waarin de mensen gevangen zitten. Dus: de kerker uit deze
Psalm! Ze zijn één brok somberheid. Ze draaien in een zelfde neerslachtige kring rond. Je woorden dringen niet meer
tot hen door, ze stuiten af op de massieve depressie als op een stuk beton. En je lijdt zelf met hen mee in hun
nood van een ondoordringbare eenzaamheid en machteloosheid.
Ja, ook dat hoort bij het lijden van de tegenwoordige tijd, bij het zuchten van de hele schepping, waar Paulus in
Romeinen 8 over spreekt. En David, de vader van Christus, heet dit smachten van de geest, dit zuchten, ook gekend.
Dat was 'het pad' dat de Here kende. Het kan ook een 'lijdensweg' zijn. En waar ligt de grens? Dit lijden bestaat
in lichamelijke en geestelijke ziekten. En wat zijn er veel ziekten met dodelijke afloop. De één kan sterven aan
een hartaanval, de ander aan kanker en een derde aan een psychische ziekte. Er zijn ziekten tot de dood, ook
psychische ziekten. Dit leven wordt in het doopsformulier een 'voortdurend sterven' genoemd. Dat komt op ons af in
slopende ziekten. Ook in slopende psychische ziekten, die dodelijk blijken te zijn. Maar als onze geest in ons
versmacht, zodat alles wegvalt, dan kent de Here 'ons pad'. Dan blijft Hij ons deel in het land der levenden, dat
is: zolang ik leef. Ook al voel ik dat niet meer, ook al merk is dat niet meer, ook al beleef ik dat niet meer, ik
blijf ook dan Gods onverliesbaar eigendom. Dan is er maar één uitkomst: dat God ons uit deze kerker mag voeren. Een
kerker, die zo hermetisch gesloten kan zijn, dat woorden niet meer doordringen, zelfs bijbelwoorden niet. Ik weet,
daarmee kunnen we het heel moeilijk hebben. Vooral als het mensen betreft die ons lief zijn. Oude mensen, maar ook
jonge mensen. Maar zoals we eenmaal 'zonder het te weten' in Gods genadeverbond zijn opgenomen, zo blijven we in
Gods genade delen, ook 'zonder het te weten', als onze geest in ons versmacht. Dat kan voor wie het bewust meemaken
een schokkende weg zijn. Sterven is altijd schokkend, of het nu door lichamelijke of geestelijke ziekte wordt
veroorzaakt. Maar ook dan kent de Here 'mijn pad', welke strikken er ook op 'onze weg' worden gelegd. Ook als het
strikken van de dood zijn. En één ding blijft recht overeind staan: de Here voert ons dan uit onze kerker, opdat
wij zijn naam loven. De kerker van de ballingschap, de kerker van de eenzaamheid, de kerker van het lichaamslijden,
de kerker van de psychische ziekte.
Nee, zulke kerkers gaan aan de gelovigen niet voorbij. Had u het anders gedacht? Stel u voor: wie in God gelooft
wordt nooit ziek, krijgt nooit een ongeluk, wordt nooit vervolgd en raakt nooit in een geestelijke depressie. Dan
zou het geloof de beste ziekteverzekering zijn. Ik betaal mijn premie: ik geloof. En God keert mij het uit:
onkwetsbaar zal ik worden naar lichaam en geest, een perfect mens zonder gebreken. Dat is het valse evangelie van
de zogenaamde charismatische beweging.
Maar zo spreekt het ware evangelie niet. Gods kinderen zijn wel onschendbaar - niemand kan ze uit de hand van
Christus rukken - maar ze zijn niet onkwetsbaar. Hoe kwetsbaar ze zijn, het blijkt uit het lijden van deze tijd,
naar lichaam en geest. Het blijkt uit 'de kerker', waarin iemand kan zitten, zodat geen mens hem meer kan bereiken.
Dit hoort ook bij het lijden van deze tijd.
In Romeinen 8 wordt duidelijk gezegd dat de verlossing in Christus in ons huidige lichaam niet te zien is.
Gelovigen kunnen even goed ziek worden als niet-gelovigen. Ze kunnen een ongeluk krijgen. Ze kunnen een dodelijke
kwaal oplopen. Ze kunnen psychisch ziek worden, want dat behoort ook tot ons lichamelijk bestaan. Lichaam en geest
vormen een eenheid. Lijden naar lichaam en geest horen bij de barensweeën van de komende eeuw. Zeker, het zijn
weeën, ze veroorzaken pijn en verdriet.
Maar het zijn barensweeën, ze wijzen op het nieuwe leven dat komt. En als dit nieuwe leven er is, zijn de
weeën vergeten, zegt Christus zelf. Daarom, geen nood, de bede van David 'voer mij uit de kerker', wordt verhoord.
De Here doet dat soms hier, in dit leven. Zoals bij David die tenslotte uit deze kerker werd bevrijd. Maar niet
altijd. Het kan ook pas gebeuren bij ons sterven, wanneer we in één keer in de ruimte worden gesteld, in het eeuwig
zalig leven. Het gebeurt op Gods tijd. En Gods tijd is de allerbeste tijd. Het gebeurt door Christus onze Heer, die
door God verlaten is, opdat wij nooit meer door Hem verlaten worden.
En dan staat erbij: opdat ik uw naam love. Daarop willen we ten slotte wijzen: het verwachten van het geloof. De
verwachting van David werd niet beschaamd. Hij werd uit de spelonk bevrijd. De kerker van ballingschap en
eenzaamheid ging open. En toen heeft hij de Here mogen loven. Daaruit zijn de prachtigste Psalmen geboren. Maar
toch, wat heeft David daarna allemaal meegemaakt. Het jongetje dat uit zijn omgang met Batseba werd geboren moest
sterven. Zijn zoon Amnon pleegde incest met zijn zuster. Zijn zoon Absalom doodde zijn broer (2 Samuël 13). Een
ontwricht gezinsleven met bloedschande en moord. En.. David is gestorven. En zijn graf is bij ons tot op deze dag,
zegt Petrus op de Pinksterdag. Dat was het dan, zeggen wij mensen. Maar, zegt Petrus verder, als profeet sprak
David van de opstanding van Christus. Daarom moeten we deze Psalm in dat licht zien. De lof op aarde eindigt niet
in het graf. Ja, wat onze zintuigen betreft, moeten we zeggen: in 't stille graf zingt niemand 's Heren lof. Maar
wat het geloof betreft, mogen we zeggen: er klinkt boven de graven, een lied in de hemel, een lofzang die nooit
eindigt. Daarom eindigt deze Psalm ook aldus: de rechtvaardigen zullen mij omringen, wanneer Gij mij weldoet.
Daarvan is David zeker. Het zàl gebeuren. Dat belijdt hij, terwijl hij nog midden in de ellende zit. En dat is ten
diepste geloven, gemeente. In de woestijn al zeker zijn van Kanaän. Midden in de moeiten de Here loven. Als kerk in
de woestijn je hemelburger weten.
Dat begint al op aarde. Want rechtvaardigen zijn mensen die door God worden vrijgesproken van schuld. En dat
gebeurt hier en nu. Ze vormen een kring, ze zijn een gemeenschap. God zet vandaag al eenzamen in een huisgezin. Zo
zijn we hier toch bijeen als één grote familie? Als het huisgezin van God. En als het goed is, gemeente, dan staan
we toch om ieder heen, die verdrietig is en in de moeite zit? Dan zijn we toch solidair met elkaar vanwege ons
geloof, in blijde en droeve dagen. Blij met de blijden en bedroefde met de bedroefden?
Zeker, dan dienen we wel te erkennen dat hieraan vaak nog veel ontbreekt. Niet voor niets roept Gods Woord ons toe:
dat uw liefde nog steeds meer overvloedig moge zijn... Er wordt dan ook een beroep op de gemeente gedaan om
eensgezind te zijn in liefdebetoon. Er wordt gesproken over de bemoediging van de liefde, over ontferming en
barmhartigheid (Fillipenzen1: 9; 2: 1). Blijkbaar is dat er niet altijd en er zijn ook in de kerk mensen die erg
eenzaam kunnen zijn en door anderen niet begrepen worden. En wie van ons is daarin zonder zonde? Rechtvaardigen
moeten vrij gesproken worden van schuld, ook deze schuld dat er niet altijd voldoende naar elkaar omgekeken wordt.
Dat hoeven allerlei volle evangelie gemeenten ons niet te leren. De gebreken van de kerk moeten we niet wegpoetsen.
We belijden bij elke avondmaalsviering dat we geen volkomen geloof hebben en God niet met zoveel ijver dienen als
we verplicht zijn. Dat geldt ook voor de onderlinge omgang. Maar dat neemt niet weg dat God steeds weer dat
'ernstig voornemen' wil werken om naar Gods geboden te leven, ook in de zorg voor elkaar.
Kijk, die hechte gemeenschap wil God werken, een gemeenschap van mensen, die gerechtvaardigd zijn door het geloof.
Een gemeenschap, waarvan Psalm 22 zegt: In het midden van de gemeente zal ik U lofzingen. En ook deze Psalm is door
Christus vervuld, die veel zonen tot heerlijkheid zal leiden en met hen in het midden van de gemeente God zal
lofzingen (Hebreeën 2: 12). Voor de lof heb je de gemeente nodig! De gemeente, aan wie de heerlijkheid beloofd
is.
Nu, op weg naar deze heerlijkheid kent de Here ook 'de weg' die wij hebben te gaan. Het is een weg door lijden naar
heerlijkheid. Daarbij lijkt het soms, of ieder zijn eigen weg heeft te gaan. Een weg van levensvreugde en
levensvolheid bij de een, maar ook een weg van levensverdriet en levensleegte bij de ander. Een weg van gezondheid
en hoge ouderdom bij de een, maar ook een weg van ziekte en korte levenstijd bij de ander. Een weg van blijdschap
en enthousiasme bij dezen, maar ook een weg van depressies en ingezonkenheid bij anderen. De leden van het ene
lichaam zijn nu eenmaal heel verschillend. Maar het is de weg van de Here. Dacht u, dat de Here uw weg niet kent?
Dacht u dat Hij niet uw deel wil zijn in het land der levenden? Maar dan kent u Hem niet in zijn liefde en trouw.
David eindigt deze Psalm met de lof op het weldoen van de Here. Wat God doet, dat is welgedaan. Dat zegt een mens
niet gemakkelijk. Daarvoor trekt God soms diepe voren in ons leven. Maar welke weg Hij ook met ons gaat, het zijn
altijd wegen van de vrede, wegen van bevrijding, wegen naar de eeuwige rust. Zoals we met Kerst zingen: op 't
vredepad mijn voeten richt. Ja, de rechtvaardigen zullen ons omringen. Het begint vandaag. Er is een volk van God
dat rondom ons staat in geloof, hoop en liefde. Het blijkt toch steeds bij sterfgevallen, het wordt toch zichtbaar
bij huwelijken en jubilea? Arme mensen, die niet in de gemeente van Christus zich geborgen weten. Temidden van het
volk van God. Nee, het is geen volmaakt volk. Er kleven heel wat zonden en gebreken aan. Maar het is wel een volk,
dat gerechtvaardigd wordt door Christus' bloed.
Daarom komen we diezelfde rechtvaardigen weer in de hemel tegen.
God heeft hen uit de kerker verlost, de lichamelijke en geestelijke kerker, die tot benauwdheid kan leiden. En het
doel is bereikt: zij loven nu de Here, in de schare die niemand tellen kan. Het zijn de rechtvaardigen, waarvan de
'witte gewaden' in Openbaring 7 spreken: zij hebben hun gewaden wit gewassen in het bloed van het Lam. Daarom
zingen zij een nieuw lied, want zij zijn losgekocht van de aarde (Openbaring 14: 3). Het is de vervulling van het
loflied dat dezelfde David dichtte, die hier in de spelonk zit. Hij dichtte dit 'ten dage dat de Here hem verlost
had uit de greep van al zijn vijanden en uit de hand van Saul' (Psalm 18). Welnu, zij die losgekocht zijn van de
aarde, wettig gekocht door het bloed van Christus, losgekocht uit de kerker en uit het lijden van deze tijd, zij
mogen het mèt David zingen, de man naar Gods hart: Mijn God, mijn schild, mijn schuilplaats in gevaren, mijn
rots die mij beschermt en blijft bewaren, o hoorn des heils, U loof ik voor altijd, ik roep het uit, want Gij hebt
mij bevrijd.
Amen.
http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar
© Copyright Preken die Spreken / Speaking Sermons / Pregação Viva,
1997-2012.
Niets uit deze uitgave mag gepubliceerd of vermenigvuldigd of openbaar
gemaakt worden in welke vorm dan ook, zonder de voorafgaande schriftelijke
toestemming van Richard J.C. Vos en de bijdragende predikant. Voor vermenigvuldiging
ter voorbereiding van, en openbaarmaking tijdens diezelfde zondagse eredienst,
of ter voorbereiding van bijbelstudie(bijeenkomsten) is geen toestemming nodig.