God kiest zich een volk..... (Deel 1)

Thema: God kiest zich een volk.....
Tekst: Romeinen 9
Tekstgedeelte(n): Jesaja 51: 1-5
Jesaja 51: 11-12a
Romeinen 9: 1-5
Romeinen 9: 6-29
Door: Ds. J. Hagg (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Zwolle-Zuid)
Gehouden te: Zwolle-Zuid op 15 januari 1995
Opmerking RJCV: Kan in principe afzonderlijk van de andere delen gelezen worden. Preeklezers zullen aandacht moeten besteden aan het kopje 'Wat willen we de komende weken doen?'
De prekenserie bestaat uit: Rom09 (deel 1), Rom10-11 (deel 2), Rom11b (deel 3).
Extra: -Gebeden
-Preekbegeleider: God kiest zich een volk...

Aanwijzingen voor de Liturgie

1. Ps. 147: 7 Laat ons dan werkelijk met open oren en een open hart eerbiedig luisteren naar de wet die de HERE tenslotte ook ons ten leven heeft geschonken.
2. Wet
3. Laat ons bidden om vergeving van onze zonden: Ps. 51: 1
4. Laat ons de Here bidden om vernieuwing van onze gezindheid door zijn Heilige Geest en om een zegen over deze eredienst: Gebed 1
5. Lezen: Jesaja. 51: 1-5; Jesaja 51: 11-12a
6. Ps. 77: 4
7. Lezen: Romeinen. 9: 1-5
8. Gez. 9: 2
9. Romeinen 9: 6-29
10. Ps. 135: 2, 8, 11
11. Preek
12. Ps. 106: 22
13. Gebed (Dankgebed)
14. Gez. 8: 4

Gebed 1

Here, onze God,

Als kleine mensen naderen we tot U, de Almachtige: maak ons daarvan bewust. Dat we alle grootheid en eigenwaan afleggen en ons voor U verootmoedigen. Onze God en Vader, door onze Here Jezus Christus, geef dat we ook zò ons van U bewust zijn en bij U thuis mogen wezen als uw kinderen. Dat U persoonlijke belangstelling hebt voor een ieder van ons, hier, en van allen die met ons mee willen leven via kerktelefoon of recorder, bijvoorbeeld. U kent ons tot en met. U weet waar ons hart mee gevuld is. Laten onze gedachten zijn tot uw eer. Buig onze mentaliteit om waar het maar ontbreekt aan liefde tot U en de naaste. En vernieuw zo ons bestaan door uw Heilige Geest. Geef nieuwe levensmoed door deze dienst, nieuw elan op de punten waarop U ons wilt aanspreken in de bediening van uw Woord. Dat we niet verslappen, maar ons laten versterken. Dat we de moed vinden dingen nieuw op opnieuw aan te vatten als we ons daartoe door U geroepen weten. Wil oudere generaties bekwamen in het doorgeven van doorleefde geloofskennis omtrent U en uw Koninkrijk: dat wij ons samen, oud en jong, wapenen in de strijd die we te strijden hebben in het leven van hier en nu, maar ons tegelijk ook samen verheugen en toeleven naar het feest dat komen gaat. Heilige Geest, steek ons aan, dat wij onze lampen brandende houden, want het feest komt eraan en wij, Heer willen met U de vreugde vrolijk tegemoet gaan. Blijf ons nabij bidden wij U in Jezus naam.

Amen.


Vlak voor de kerstvakantie kreeg ik een bijzondere uitnodiging.
Van de kinderen van groep 4 van de basisschool. De juf had een heel projekt bedacht over Israël: 'of ik dan wat kon komen vertellen en wat dia's laten zien'. Dat heb ik natuurlijk gedaan. En wat hadden jullie een vragen! Ik denk dat ik er wel 200 heb beantwoord! Achteraf hebben ze me geschreven wat ze het mooiste vonden. De één schreef: 'het jongetje dat mocht voorlezen uit de boekrol'(een jongen van 13 werd 'zoon der wet', zo noemen ze dat). De ander schreef:'de muur met de gebedsbriefjes erin' (de Klaagmuur). Maar de méésten schreven: 'de tuin met het graf van de Here Jezus'. 'Dat wilde ik nou altijd nog zo graag zien' voegt eentje eraan toe. Als u erbij was geweest zou u het ook heel mooi hebben gevonden, denk ik. Ontwapenend. Maar tegelijk worden we hier wel met z'n allen

midden in een veld vragen neergezet: het spanningsveld 'kerk en Israël'.
Kort en goed: 'het lege graf en de klaagmuur'. Ten diepste is dat hetzelfde veld waar Paulus zich in gesteld weet en waarvan hij iets mag doorgeven aan wie er maar oor voor hebben wil. Paulus: een Israëliet, 100%. En tegelijk een christen, een kerkmens, voor 100%. Veel van zijn volksgenoten, (vers 3) hebben die keus voor Christus niet gemaakt, zijn soms zelfs fel anti. Dat doet Paulus erg veel verdriet. Het snijdt hem door de ziel (vers 2). Wat wil hij graag meewerken aan hun behoud. Al waren het er maar een paar (11: 14). Dat is in Paulus' dagen. En hoe is de stand van zaken vandaag de dag, 2017? Anders? Het gebeurt toch niet zo vaak dat afstammelingen van Abraham, (gemakshalve vaak joden genoemd, hoewel dat woord van de ene stam 'Juda' is afgeleid) zich tot Christus bekeren. En als het gebeurt is het nog maar de vraag hoe de omgeving reageert: de familie, de vrienden, de kollega's. Het kan zelfs zover komen dat ze een overlijdensadvertentie in de krant zetten 'heden ging van ons heen...'. Een gangbare gedachte in Israël is: 'Je bent òf jood, òf christen. Allebei tegelijk kan niet'. Dat maakt het er zeker in het land Israël bepaald niet gemakkelijker op voor mensen die (als Paulus) de Here dankbaar zijn voor hun jood-zijn én voor hun christen-zijn.

Wat willen we de komende weken doen?
Samen drie hoofdstukken uit de Romeinenbrief lezen en gaandeweg enkele passages onderstrepen en onderzoeken wat de Here ons erin mee wil geven. Misschien worden we zo verdergeholpen bij vragen die er bij ons kunnen leven. Hoe moeten we tegen Israël aankijken? Net als tegen andere piepkleine landjes als Burkina Fasso of Honduras? Zijn de Israëlieten nog het volk van God of is de kerk er nu voor in de plaats gekomen? En valt er nog iets speciaals voor hen te verwachten tegen het eind van de tijden, een 'volksbekering' of zo? Zou je 'christendom' en 'jodendom' als godsdiensten kunnen zien als twee zonen die Vader beiden evenzeer aanvaardt? Twee wegen om bij God te komen dus? De ene vraag kan een volgende oproepen. Laten we gaan lezen. Hoe we gaan lezen? In ieder geval niet met het vooroordeel dat het hier om een soort 'hobby van Paulus' zou gaan, waar we wel wat in kunnen komen (zo van 'ach ja, hij hoorde zelf nou eenmaal bij dat volk') maar waar wìj verder niets mee zouden hoeven. Zo gaat het soms wel: Dat mooie Rom.8 lezen en herlezen ('de gulden keten van heil'), en vervolgens Romeinen 9-11 overslaan. En dat terwijl Paulus nu juist mag laten zien dat God het òòk voor Israël waarmaakt: 'die Hij tevoren gekend heeft, dezen heeft Hij ook bestemd....geroepen....gerechtvaardigd....verheerlijkt'. (8: 29-30) God maakt af wat Hij eens begon. Die keten is er voor 'Israël' zoals hij er voor 'de volken' is. Daar mogen we onze geloofszekerheid aan ontlenen. Jahwe is de Naam: 'Ik ben die Ik ben, Ik doe wat Ik zeg'.

Paulus' inzet is opvallend sterk:
'Ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet, want mijn geweten betuigt mij dit mede door de Heilige Geest'. Waarom zò sterk? Vertròuwen ze hem anders niet? Nee, zijn volksgenoten, met het oog waarop hij deze dingen uiteindelijk schrijft, vertrouwen hem inderdaad niet sinds zijn bekering. Men heeft niet in de gaten dat Paulus wel heel scherpe kritiek heeft op wat in de synagoge geleerd wordt, maar intussen hen als broéders wil blijven beschouwen. Een uitlegger legt Lukas 15 ernaast. En terecht, denk ik. De gelijkenis van de Vader en zijn twee zonen. Wat zou het funest zijn als de jongste zoon zich zou laten voorstaan op zijn behandeling en de oudste zou gaan afschrijven! Wat zou het fataal zijn als de oudste in zijn eigenwaan blijft wrokken en mokken en niet tot bezinning komt om zich bij het feest van Vader te voegen en blij te zijn met de blijden.

Paulus bekommert zich zeer om zijn broeders.
Hij raakt erg geëmotioneerd. Sterker nog: het is hem een voortdurend hartzeer. Hij draagt dus altijd-maar-door die pijn met zich mee om zijn onbekeerde volksgenoten. Om jaloers op te worden, zò lief heeft hij hen: als hij wist dat zij erdoor behouden zouden worden zou hij wel van Christus verbannen willen zijn. Hij heeft zijn ziel-en-zaligheid voor hen over. Zeg nu niet te gauw 'm'n beste Paulus, je draaft door: je weet best dat dat toch niet kan'. Dat weet Paulus ook wel. Hij weet dat de Here indertijd Mozes' aanbod om in de plaats van het volk zichzelf op te offeren, niet kon aannemen (Exodus 32: 32 v.v.). Zo natuurlijk ook Paulus' aanbod niet. Maar intussen laat hij wel zien hoezeer zijn hart voor hen bloedt. En ik leg hier en nu de vraag in ons midden: hoezeer zijn u en ik eigenlijk begaan met het geestelijk lot van onze volksgenoten, de mensen om ons heen die een keuze tegen Christus maken, of in ieder geval geen positieve keuze vòòr Hem? En wat doet het ons als we zien hoe het onze oudere broer Israël vergaat, hoezeer de verharding nog doorwerkt.... bidden we voor hem? Helpen we hem?

Paulus preekt niet in de trant van mensen als de Goerees.
Bij hem hoor je niets in de zin van 'Net goed, zo vergaat het een volk dat z'n Messias kruisigt!'. Hij gaat niet hautain boven ze staan. Hij begeeft zich als vaste zendingsstrategie ten allen tijde eerst naar de synagoge. Hij gaat in de kring staan en is jood met de joden. En daar verkondigt hij het evangelie van genade voor zondaars op grond van het zoenoffer van Jezus Christus: 'mijn broeders en zusters, iedere zondaar die in Hém gelooft heeft eeuwig leven!'. Paulus weet alles van genade. Het is hem immers zélf zo wonderlijk bewezen! En hij gunt die genade iedereen. Al de volken. Maar bovenal zijn volksgenoten.

Hij schetst een beeld van het bijzondere volk Israël (verzen 4-5)
Het bijzonder bevòòrrechte volk Israël. Zoveel genadegaven als dat volk niet in handen heeft gekregen. Hij somt zet op. En let op hoe hij niet in de verléden tijd over hen spreekt, als was het een afgedane zaak met hen, maar in de tegenwòòrdige tijd. Zij zijn Israëlieten (een erenaam, door God zelf hen in Jakob gegeven), hunner ìs de aanneming tot zonen (niet wàs, maar ìs!). Dat betekent: zij zijn aangenomen zonen van God (bv. Ex.4:22,Jer.31:9,20), getuigen van de heerlijkheid Gods, deelgenoten van de verbondssluitingen, ontvangers van Gods wetgeving, vierders van de dienst ter ere van God, dragers van de beloften van God. Zìj zijn de afstammelingen van Abraham Izaak en Jakob. En uit hén is.... -en dan komt het hoogtepunt!- uit hen is wat het vlees betreft de Messias, die boven alles God is, te prijzen tot in eeuwigheid! Wat een voorrechten had, nee hééft Israël! Het is geen verleden tijd. Het is aktualiteit. Onvervreemdbare voorrechten hebben ze en houden ze. Onuitwisbaar bijzonder is dit volk. Geen ander volk kan dit zo zeggen: uniek is dit alles. Dat zegt veel.

Dat zegt bòvenal veel, ja alles, over de verkiezende liefde van de HERE!
Je zult maar als volk gekozen zijn om de Redder-der-wereld voort te mogen brengen: wat een genàde. Om eeuwig dankbaar voor te zijn. Daar komt het nu voor Israël wel op aan. Adeldom verplicht. De houding die de Israëlieten zullen aannemen ten aanzien van hun uit genade gekregen erepositie beslist erover of ze hun titels met ere dragen, of dat ze hun niet-zelfverdiende sterren en strepen tenslotte weer zullen moeten inleveren. En dan zit 'em de proef op de som ten diepste in het aanvaarden van het laatste voorrecht: is Jezus van Nazaret de Messias, die boven alles God is, te prijzen tot in eeuwigheid..... ja of nee.....

Elke Israëliet die Jezus als zijn Redder aanvaardt is een levend bewijs dat God zijn eensgegeven woord trouw blijft. Het zit 'em niet in Gods woord: dat vervalt niet (vers 6) dat houdt eeuwig stand. Het zit 'em in het feit dat 'het niet alles goud is wat er blinkt'. Een ervaren goudzoeker juicht niet te vroeg. Hij kan wel menen dat hij een zuivere goudklomp heeft gevonden, maar bij nader inzien kan het wel een steen met een laagje goudverf zijn, een soort toneelrekwisiet, dat voor goudklomp spéélt. Paulus heeft in hst. 2 al uitgelegd dat je je erop kunt verkijken: jood en jood is twee - besnijdenis en besnijdenis is twee. Het gaat om de wàre jood - de echte God-lover-met-de-daad, om de wàre besnijdenis - die van het hart. Paulus wil maar zeggen: je bent er niet als je hoort tot het volk 'wien Abrahams bloed door d'adren vloeit.' Kom nou! En dat gaat hij illustreren als hij vertelt van

de geschiedenis van Gods verkiezing.
Geheimzinnig is dat, zeker, maar toch krijgen we iets te zien van dat geheim hòe God kiest. Acht zonen had vader Abraham, maar God verbond zijn Naam slechts aan die ene, aan Izaak: het kind van zijn belofte, het kind van zijn wonderlijk ingrijpen. Midden in de verwekkingskultuur van die dagen, waarin maar één ding echt belangrijk scheen 'vaderschap is meesterschap' gaat de HERE zijn eigen hemelhoge weg. Sterker nog kan Paulus het vertellen. Waren Ismaël en Izaak nog uit twee verschillende moeders: Ezau en Jakob, oftewel Edom en Israël hadden exact hetzelfde bloed, waren zelfs een tweeling! Ezau heeft als oudste dan normaal gesproken de beste papieren. Reken maar dat dat wat wilde zeggen in die dagen als je de eerstgeborene was! Maar opnieuw is daar de ongedachte weg van de HERE. God werkt niet met bloedproeven. En menselijke voorrangsregelingen daar staat Hij boven. Onnavolgbaar schept Hij Zich een volk. Het volk van belofte, van messiaanse belofte. Aanvankelijk onvruchtbare vrouwen als Sarai en Rebekka geeft Hij sleutelposities in zijn verbondsgeschiedenis. Dat moet ons bescheiden maken en stil en vol verwondering. Dat moet ons bevrijden van aktivisme: niet wìj bereiken òns doel met-af-en-toe-wat-hulp-van-Hem - het is andersom: Hìj bereikt zìjn doel en is zo goed zijn mensen daarbij in te schakelen, maar dan wel op zìjn telkens verrassende wijze. Paulus zet daar maar weer eens een paar dikke strepen onder (verzen 12 en 16): het hangt niet af van wat mensen presteren, de beslissende keuze ligt bij God. Hij is er eerst, grijpt al kiezend in in de bloedstroom van Abraham. Zo maakt God voortdurend onderscheid. En Paulus wil dat naspreken: 'Israël-naar-het-vlees' (zeg maar: zij die Abrahams bloed hebben) (vergelijk 1 Korintiërs 10: 18) zijn nog niet automatisch 'het Israël Gods' (Galaten 6: 16).

De gangbare theologie in Paulus dagen zet een =-teken tussen jood-zijn en behouden zijn. Een gevaarlijke theologie, die zomaar weer naar boven komt. Dat lijkt sterk op het verbondsautomatisme waarvan gereformeerden nogal eens verdacht worden. 'Ik ben gedoopt, dus ben ik behouden'. Of even simplistisch: 'je kerklidmaatschaps-kaart is je ticket voor de hemel'. Mensen kunnen geen rechten laten gelden. Gewoonterechten niet en zelf-verworven-rechten niet. God is vrij. Soeverein. Hij bewijst barmhartigheid aan wie Hij wil. Op het moment dat Hij wil. Een man als Mozes heeft dat moeten ervaren. Hij slooft zich uit voor zijn volk. Spreekt met de HERE zoals een man met zijn vriend spreekt (Exodus 33: 11). Veertig jaren en meer herderen in de woestijn over een eigenwijze volkskudde. Als één het verdient heeft dan hìj zou je zeggen: maar hij komt het aardse Kanaän niet binnen. Gods soevereine beslissing. Kunt ú daarachter terugkijken? Ik niet!

Het 'Waarom' van Gods beslissingen is niet te doorgronden voor het kleine en ook nog verduisterde menselijke verstand. We moeten dan ook niet menen dat Paulus wil bewìjzen dat God terecht zò heeft gehandeld als Hij heeft gehandeld, Hem achteraf wil narekenen. Hij aanvaardt het eenvoudig. En leidt ons er aan de hand van de Schriften naar toe dat wij tenslotte Gods doen en laten gaan aanbidden (11: 33-36). Wij hebben daar nogal eens moeite mee: eenvoudig aanvaarden en aanbidden. Eerder zijn wij geneigd ons hoofd erover te breken. Er zijn er die ertoe komen te zeggen: 'zo'n God hoeven we niet, zo'n God van willekeur - Jakob liefhebben en Ezau haten nog voor die twee geboren zijn!' Wie zo leest, leest onnauwkeurig. God is niet gelijk te stellen aan een noodlot dat zich voltrekt over Ezau. 'Jakob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat' is een evaluerende opmerking die de HERE via zijn profeet Maleachi achteraf laat horen. Ezau/Edom heeft de Godsspraak die over hem is uitgeroepen (je zult je broer/Israël dienen) aan z'n laars gelapt. Hij heeft stichtelijk bedankt voor dat tweederangs plaatsje in de kring van het verbond en is eruitgestapt. Sterker nog: een eeuwige vijandschap heeft hij gekoesterd tegen Israël. (Tussen haakjes: bespeuren we dat niet tot en met deze eeuw, waarin ettelijke malen de komplete 'arabische familie' uit was op het wegvagen van dat gehate volkje van deze aardbodem?). Voor we roepen 'Ach, die arme Ezau!': zo arm was Ezau niet. Bedenk het wel: vrijwillig koos hij de armoede van 'buiten de lichtkring van het verbond zijn'.

Paulus voelt de moeite van zijn lezers met Gods soevereine verkiezing wel aan. Hij wil het van het geheim afblijven, maar tegelijk misverstanden voorkomen. In vers 19 stelt hij zich al iemand voor die opstaat en zegt: 'Als God zich ontfermt over wie Hij wil en verhardt wie Hij wil, zoals farao, wat zullen wij dan nu nog? Ik dacht dat er ook nog zoiets was als menselijke verantwoordelijkheid!' Zeker is die er, reken maar. Gods vrijmacht heeft het niet gemunt op onze verantwoordelijkheid, maar op onze trots. Twee voorbeelden: als God in zijn vrijmacht uit de twaalf zoons van Jakob er één kiest voor een heel bijzondere taak (Jozef) en hem daartoe tenslotte rijk begenadigt en begiftigt, dan test Hij daarmee tegelijk de mentaliteit van de andere 11: kunnen zij dit hebben? Zich nederig schikken? En neem farao (vers 17). Als God uit het midden van de zondaren er één doet opstaan om deze met een speciaal doel voor ogen te verharden, komt het er voor ons op aan daar geen kommentaar op te hebben, maar het recht van God te erkennen. Elk van ons zou Hij daarvoor kunnen gebruiken. Hij heeft het recht. Alleen wie nederig is erkent dat recht. Het is een ootmoedigheidstest. Intussen: zowel Jozef als Farao behouden hierbij hun eigen verantwoordelijkheid.

God gebruikt Farao's verharding....
Dat weet Israël heel goed. Als Farao had toegestemd was de uittocht geruisloos verlopen. Nu is het een indrukwekkend gebeuren geweest die zijn weerga in de geschiedenis niet kent: God vestigt voorgoed zijn Naam - volken rondom sidderen als ze het horen: met goud overladen trekt het slavenvolk droogvoets de zee door. Toch moet dit voorbeeld voor het deel van Israël dat tegen Christus koos wel pijnlijk overkomen. Door de verharde farao heen zien we ineens het verharde Israël tevoorschijn komen. We zullen in hoofdstuk 11 nog zien hoe God juist door Israëls verharding voor een positief doel gebruikt heeft: zo kon het heil tot de heidenen komen. Telkens als de synagoge 'nee!' zegt, begeven Paulus en de zijnen zich naar de heidenen. Je zult als Israël maar met je aartsvijand op één lijn worden gesteld. Beledigend van God? Nee: verootmoedigend! Het is alleen maar de vraag: wìl een mens zich verootmoedigen, z'n harde nek buigen? Een vraag die wij trouwens net zo goed moeten beantwoorden in het leven dat wij aan het leven zijn. God in zijn vrijmacht: de ene keer begenadigt Hij de zijnen als Jozef (na ontvoering in ballingschap én onschuldige hechtenis, trouwens - over beproevingen gesproken), de andere keer verhardt Hij - als farao? Wie rekent Hem na? Wie zal Hem beschuldigen? Ga liever de weg van verootmoediging. De weg die zelfs voor farao heeft opengestaan.

We willen samenvatten hoe God zich een volk kiest.
We zagen dat Hij dit doet door zijn beloftewoord (vers 9), volgens zijn verkiezend voornemen (vers 11), uit kracht van zijn vrije ontferming (vers 16). Wie zijn wij dat wij achter dit alles zouden durven terugvragen! Ook zagen we dat Hij hierbij vrijmachtig in zijn dienst stelt: de verdrijving van Ismaël (vers 8), de achterstelling van Ezau (vers 12), de verharding van farao (vers 18) en de verwerping van het deel van Israël dat zijn Messias verwerpt. Zo is uiteindelijk in Paulus' dagen een gemeente, een kudde van de Goede Herder, een Godsvolk ontstaan, bestaande uit joden én heidenen. En dat is niet van voorbijgaande aard. Dat blìjft zo. Hoe Paulus daar zo zeker van is? Hij kent zijn bijbel! De HERE heeft het Hosea al laten aankondigen. Het is niet zo vreemd dat vreemdelingen, niet joden, de eretitel 'zonen van de levende God' mogen gaan dragen. En Jesaja heeft het één en andermaal al over Israël uitgeroepen: slechts een overschot zal behouden worden. Een rest. Een zaad. Nee: niet omdat God zo wreed is. Juist omdat Hij zo genadig is. Paulus laat zien hoe God zijn heilswerk in zijn geschiedenis doet in een bepaalde stijl. Een voor Israël herkenbare stijl. Zij hebben de wet en de profeten toch niet voor niets als genadegeschenk gekregen! Vandaar àl dat Schriftbewijs van schriftgeleerde Paulus. Laten we er maar niet onder zúchten, maar er God voor dànken! Zo leren we de HERE kennen in zijn gang door de geschiedenis. Zo leren we de HERE kennen in zijn genade die Hij de zijnen wil bewijzen. Die Hij ìeder wil bewijzen die gelooft dat Jezus is de Messias, de Zoon van God.

Heel lang geleden begon ik deze preek over groep vier waar ik dia's liet zien. Het was soms wel wat moeilijk voor jullie, maar nu wil ik toch eindigen met iets speciaal voor jullie te zeggen. Je zag dia's van jongens en vaders bij de Klaagmuur. Daar bij die muur bidden ze. Vooral ook of God nu eindelijk zijn Messias doet komen. Maar je zag ook dia's van de graftuin, van het graf van de Here Jezus. Wij vinden dat juist heel mooi. Maar de meeste joden komen daar niet. Zij zien het niet dat de Messias al gekomen is voor ons (het kerstfeest). Dat Hij gestorven is voor ons en de dood heeft overwonnen voor ons (goede vrijdag) en is opgestaan uit het graf (paasfeest)! Als je eraan denkt dat veel mensen in Israël en ook in Nederland het niet zien, niet geloven, kun je heel verdrietig worden. Net als Paulus: hij is heel verdrietig juist over veel mensen van zijn volk: zij hebben zoveel van de HERE mogen meemaken en nu geloven ze het niet.... We moeten maar veel voor ze bidden. En nooit de woorden van het volgende lied vergeten. Want het is precies wat de engel tot Maria zei:

Hij is de Messias, Koning van Sjaloom.
Net als ieder kindje komt Hij heel gewoon
Hij is de Verlosser, jaar op jaar beloofd:
Jezus is de Redder voor wie in zijn Naam gelooft:
Hij is de Zoon van God!

Amen.


Gebed (Dankgebed)

U aanbidden wij. U onze soevereine God. U die uw plan ten uitvoer brengt. Uw plan waar wij mensen maar zo'n beetje van kunnen begrijpen. Zoveel is geheim. Maar één ding is helder: van genade is het dat een mens leven mag. Van pure genade. En uw roepstem gaat uit, de hele aarde over, eeuw in eeuw uit. En heel uw volk brengt U tezamen, zoals U alleen dat kunt. Wie zijn wij dat U ons daarbij in wilt schakelen. Maar U dòet het. U kunt en wilt ons gebruiken om levende getuigen te zijn van het heil dat U ons bewees. Here, als wij uw Woord tot ons laten doordringen worden we met Paulus verdrietig om het volk waar hij uitkomt, het volk dat U koos en zoveel voorrechten heeft gegeven. De Messias, Jezus van Nazaret, uw Zoon, deed U op zo'n bijzondere wijze geboren worden uit Maria, een dochter van dit volk. En zìj leerde geloven, als Simeon, als Zacharia: alles verwachten van Hém. Maar Heer, er waren en er zijn er zoveel die Hem niet kennen, niet erkennen als hun Heiland. Wij bidden U: wil daar toch, als het in uw Raad kan bestaan, verandering in geven. Wil bij velen de schellen van de ogen doen vallen, zoals U dat al eerder aan zovelen bewezen hebt. Wij bidden U ook voor hen die onder ons aan het dwalen zijn geslagen, mensen waarover we ons zoveel zorgen maken. Wij bidden U: wil uitzicht geven op een veilige haven aan wie aan het zwalken zijn geslagen op open zee. Wij bidden U voor wie zich eenzaam en verlaten voelen. Wees Zelf de grootste steun en toeverlaat van wees, weduwe en weduwnaar. Wil vreugde geven in het bestaan van ons allen, ziek en gezond, valide of invalide op enigerlei terrein. Wil nieuwe energie geven voor het werk dat wacht in het verdere van deze week. Wil uw zegen geven op het kerkelijk leven in de vele facetten die het rijk is. Wij die zoveel gaven kregen ook in het kerkelijk leven, wij bidden U voor plaatsen waar uw gemeente het hard te verduren heeft. Wij bidden U voor de oorlogsgebieden. Voor de vluchtelingen. Voor de families van omgekomenden. Wij bidden U voor gevangenen en allen die werken in het gevangenispastoraat. Dat velen uit de wereld van misdaad de weg tot U mogen vinden, de weg van genade voor zondaars-van-mensen, zoals ook wij allen zijn voor uw aangezicht. We bidden U, Here, U die uw barmhartigheid toonde in de komst van onze Redder Jezus Christus, maak uw werk af, naar uw belofte. In zijn naam vragen we U eerbiedig: hoor en verhoor het gebed van uw gemeente.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar