Er is redding van Gods toorn, die losbreekt op Zijn dag (Deel 1: God zoekt ons op, op Zijn dag)

Thema: God zoekt ons op, op Zijn dag
Tekst: Sefanja 1: 12
Tekstgedeelte(n): Sefanja 1
Door: Ds. Th.J. Havinga (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Zuidlaren)
Gehouden te:

Appingedam op 24 januari 1999
Uithuizen op 31 januari 1999
Loppersum op 7 februari 1999
Westeremden op 7 februari 1999
Ulrum op 7 februari 1999
Winschoten op 28 februari 1999

Opmerking RJCV: De prekenserie over het boek Sefanja is als trilogie gehouden en is ook bedoeld om als zodanig gelezen te worden. De prekenserie bestaat uit:
1: Sefanja 1 - God zoekt ons op, op Zijn dag
2: Sefanja 2 - Zoek God voor Zijn dag er is
3: Sefanja 3 - Wie bij God schuilt is goed uit
Extra: Inleiding op de prekenserie: Er is redding van Gods toorn, die losbreekt op Zijn dag.
Benodigd: Zaklamp

Aanwijzingen voor de Liturgie

Votum en zegengroet
Ps. 79: 1-2
(Morgendienst: Wet)
(Morgendienst: Ps. 79: 3, 5)
Gebed
Lezen: Sefanja 1
Lied 285
Tekst: Sefanja 1: 12
Preek
Ps. 77: 3-4
(Middagdienst: Geloofsbelijdenis: Gez. 4)
Gebed
Collecte
Ps. 85: 1-2, 4
(Andere mogelijkheden: Ps. 139: 1-3, 5, 11)

Broeders en zusters, gemeente van onze Here Jezus Christus,

Jongens en meisjes, kijk eens wat ik heb meegenomen: een zaklamp. Wat doe je met een zaklamp? Ja, die gebruik je als het donker is. Je hebt hem nodig, bijvoorbeeld als je meedoet met een speurtocht. Met de vereniging of zo. Of met de hele gemeente. Je gaat met een klein groepje op pad. Door het donkere bos. Je weet de weg niet. Ze hebben pijltjes en kaartjes opgehangen. Nou, dan heb je je zaklamp hard nodig. Je hebt hem aangedaan. En je schijnt om je heen. Je zoekt: kijk, daar, een pijl. Die kant moeten we dus op. Hé, daar, een kaartje. Jullie zitten fout, staat erop. Ga bij het vorige pad links. Je zoekt een voorwerp: verstopt achter een boom. Of achter een bosje. En je ziet heel veel spoken.

Nu, dat beeld van de zaklamp wil ik vandaag gebruiken. Want u hebt het natuurlijk allang ontdekt in de tekst. God zegt: Ik zal Jeruzalem met lampen doorzoeken. In de tekst ziet u God dus aan het werk. Als het ware met een zaklamp. Hij is op zoek. In Jeruzalem. Dat is in de kerk. Bij Zijn volk.

En de vraag is: wat zoekt God eigenlijk in Jeruzalem? Waarom is Hij bezig met Zijn speurtocht? Wat zal Hij vinden? Wat gaat Hij daarmee doen? Ik hoop deze vragen in de preek te beantwoorden.

Maar dan moet ik u eerst wel wat vertellen over Sefanja. En over de kerk in die tijd. Het is in de tijd van Josia, vers 1. In Juda. Het tweestammenrijk. Josia is een goede koning. Ik zou het zo kunnen zeggen: het is een tijd dat er orde op zaken wordt gesteld. In de tijd van Josia is er een reformatie van de kerk. Men vindt een wetboek. Gods wet. U kunt die geschiedenis lezen in 2 Koningen 22. Zo op het eerste gezicht zou je zeggen: niks loos in de kerk. Het gaat wel goed met Jeruzalem. Het begint weer wat te lijken op de tijd van David. De kerk bloeit.

Ja, maar dat is wel een vergissing. Sefanja, en ook het gevonden wetboek, laten iets heel anders zien. Sefanja is een profeet. Hij zegt hoe God aankijkt tegen Jeruzalem. En wat is Gods mening over Jeruzalem? Wel, het gaat helemaal niet goed. Hoort u maar eens wat we in Sefanja 1 tegenkomen: God is kwaad op Zijn volk. Hij gaat er zelfs een eind aan maken, vers 4. Hij ziet in Jeruzalem allemaal afgoden. De Baäl is in de kerk. Een oude Kanaänitische god. Er zijn mensen, zelfs priesters, die voor afgoden knielen. Er zijn leden van de kerk, die op het platte dak van hun huis bidden tot de zon, de maan en de sterren. Zonaanbidders. Een godsdienst uit het buitenland. Er zijn mensen, die vandaag naar de tempel van God gaan. Maar morgen zitten ze bij het altaar van Moloch. Die naam betekent: 'koning'. Vandaag is God zogenaamd hun God. Maar morgen is Moloch de baas.

Weet u wat voor mensen dat zijn? Goddelozen? Nee hoor. Zo zou ik ze niet meteen noemen. Nee, het zijn gewone kerkmensen. Net als u en ik. Gewone inwoners van Jeruzalem. Ze geloven echt wel in God. Er is niet één bij, die zegt: Jhwh, de God van Israël, kan me wel gestolen worden. Natuurlijk niet. Dat zeg je toch niet in de kerk? Dan zag je nooit weer de tempel van binnen. Nee hoor, ze willen de Here best wel dienen. Waarom niet? Nou, daar wordt je niet minder van. Nee, je wordt er ook niet veel beter van, maar ja, het hoort nu eenmaal bij mij. Ik ben opgegroeid in een Israëlitisch gezin. Ik heb altijd mijn offers gebracht. Ik heb mijn morgen- en avondgebed gedaan. En dat wil ik eigenlijk niet kwijt. Het is goed op deze manier.

Ja, als je me nou vraagt: wat doe je ermee? Wat heb je eraan? Dan weet ik daar zo 1-2-3 geen antwoord op. Morgen ga ik weer aan het werk. Och, dan heb ik God niet zo erg nodig. Ik red het wel. Als ik op de fabriek werk, dan maakt het niet veel uit of iemand God dient of niet. Andere mensen kunnen er toch ook werken. We doen allemaal hetzelfde. Nee hoor, daar zit geen enkel verschil in. En weet u wat het verschil is tussen een christelijke en een niet-christelijke automonteur? Dat is toch allemaal gelijk?

En in mijn gezin gaat het ook best goed. Het gaat allemaal zijn gangetje. Geen schokkende dingen. Weinig ziekte. Soms is het opvoeden van de kinderen wel moeilijk. Maar we zijn best tevreden. De kinderen doen het aardig goed op school. En ze hebben een mooie baan in het vooruitzicht. En gelukkig gaan ze ook nog naar de kerk. Ik zou het jammer vinden als ze dat niet meer deden. Maar als je diep in mijn hart kijkt, dan vind ik een goede baan voor hen wel net zo belangrijk. Daar kom je toch het verst mee in het leven? Of niet soms?

Kijk, broeders en zusters, dat is zo'n beetje de mentaliteit van Jeruzalem in de tijd van Josia en Sefanja. Ik heb het wat in termen van vandaag verwoord. Nee, de mensen zijn niet echt goddeloos. Maar er schort wel wat aan. Ze leven voor zichzelf. Dat komt heel duidelijk naar voren in Sefanja 1. Ze zijn rijk, vers 13. Ze hebben mooie huizen. Ze bouwen zelfs nieuwe huizen. Ze hebben leuk werk. Mooie wijngaarden. Een goede opbrengst. Groeiende spaarbankboekjes. Er gaat genoeg geld om in Jeruzalem. Veel geldwegers. Banken. Veel kramersvolk. De handel loopt goed. De poorten van de stad zijn drukbezocht. Op de grote markt is het druk. De kerkmensen verdienen boven modaal. Er zijn geen armen in de kerk.

Maar toch: er deugt iets niet. Weet u wat dat is? De poorten van de stad zijn ook geopend voor de afgoden. Josia's opa en vader kunnen er over meepraten. Ze hebben er hun steentje aan bijgedragen. De afgoden hebben Jeruzalem veroverd. De kooplui uit Assur hebben hun goden meegebracht. Op de markt van Jeruzalem staat een kraam met prachtige tempels en beelden van Moloch. Moet toch kunnen? Dat is handel. En het verkoopt goed in de kerk. En de altaren voor de vreemde goden rijzen als paddestoelen uit de grond. Nee, God is niet afgezworen. De tempel houdt haar ereplaats in de stad. Maar God moet wel een beetje inleveren, hoor. Moloch heeft toch ook wel goede dingen. En voor je wijngaard kun je eigenlijk beter bij Baäl terecht.

Want, zeggen de mensen in Jeruzalem, laten we wel wezen: wat merk je eigenlijk van God? De Here doet geen goed en Hij doet geen kwaad. Weet u wat dat betekent, broeders en zusters? Het is een joodse manier om te zeggen: de Here doet niets! Oei, dat is hard gezegd. God doet niks. Nee, dat zeggen de kerkmensen niet hardop. Daar passen ze wel voorop. Wat zou mijn broeder ervan zeggen als ik dat hardop zei. Er staat: ze zeggen het met hun hart. Ze denken het. God doet niks.

Wat betekent dat in de praktijk van het leven? Wel, die prachtige huizen, die ze aan het bouwen zijn, die hebben ze niet aan God te danken. Welnee, dat is hun eigen inspanning. Die bankrekening, waar ze zo zorgvuldig op passen, dat is hún werk geweest. Alles wat ze opgebouwd hebben is van hen. Overal waar ze mee bezig zijn: er is maar één verantwoordelijk voor: zijzelf. Het is míjn carrière. Het zijn mijn auto's. Het is mijn bedrijf. Het is mijn mooie baan. Het is mijn leuk gezinnetje. God doet niks. En daarom is het ook voor mijzelf. Ik spaar voor mijzelf. Niet voor God. Ik werk voor mijzelf. Niet voor God. Ik bouw voor mijzelf. Niet voor God. Ja, ik leef voor mijzelf. Niet voor God. O nee, dat zég ik niet. Wat zou mijn broeder ervan denken. Maar het ís wel zo. En iemand, die heel scherp is, die ziet dat ook wel. Aan mijn kerkelijke bijdrage, terwijl ik een vette bankrekening heb. Het is geen 10%. Ik kom niet eens aan 1% toe. Maar och: God doet niks. Hij wordt er niet anders van.

En als het wat minder gaat in mijn leven? God doet nog steeds niks. Geen goed en ook geen kwaad. De ellende in mijn leven: daar moet God wel buiten staan. Ik kan dat allemaal prachtig beredeneren: de zonde, weet je wel, de gevolgen van de zondeval. Het kwaad dat mensen elkaar aandoen. Maar God? Hij is ver weg in de hemel.

Ja, en dat betekent ook: of ik goed of kwaad doe, dat is God om het even. Daar heeft Hij Jezus voor gegeven. Makkelijk genoeg. Mijn afgoden: dat Molochje in mijn slaapkamer. Die Baäl in mijn garage: God ziet ze toch niet. En als Hij het ziet: Hij kan er wel mee leven. En ik kan er heel goed mee leven. Het bevalt me zo wel. En dat onrecht, dat ik een ander aandoe, het maakt God niks uit. En ik vind het ook prima. Ik heb er geen last van.

Broeders en zusters, proeft u de mentaliteit in Jeruzalem? In de kerk? Sefanja noemt de kerkmensen: mannen, die dik zijn geworden op hun droesem. Dat is een moeilijke uitdrukking. Het heeft te maken met wijn. Als goede wijn lang staat, dan schijnt er op de bodem een stof te komen, die stolt. Vergelijk het maar met jus, dat stolt. Zo zijn de inwoners van Jeruzalem: als koud water op een gestolde laag vet. Het beeld wil zeggen: ze zijn tevreden. Tevreden mensen in hun grote huizen. Niet in beweging te krijgen. Lamlendig in de dienst aan God. Ze eten van twee walletjes. Zondag is God aan de beurt. En voor de rest: de Baäl en de Moloch. De zon, de maan en de sterren. En God doet niks. Jeruzalem heeft God op non-actief gezet.

Wat denkt u: zijn die mensen goddeloos? Nee, ze zijn niet onkerkelijk. God bestaat. Dat weten ze wel. Elke sabbat horen ze dat. En dat geloven ze ook wel. Maar in de praktijk van hun leven zijn ze wel heidens. God speelt geen rol in hun leven. Hij speelt niet de eerste viool. De kerk heeft voor God een plaatsje achter in het orkest ingeruimd. Hij doet toch niks.

Maar dan opeens komt er een profeet: Sefanja. En die zegt: mensen, u denkt, dat u het zo mooi voor elkaar hebt. Maar God heeft iets tegen mij gezegd. En dat is dit: Jeruzalem gaat naar de knoppen. 100% zeker. Want Gods dag komt. Het is zover. God grijpt in. Nu. Want Jeruzalem is van Hem. Het is niet uw stad. Het is Gods stad. Het is niet uw tempel. Het is Gods huis. Het is niet uw markt. Het is Gods wereld. Het zijn niet uw huizen. God gaf ze u. En uw bankrekening is van God. En de kerk is van God. En uw leven is van God.

Kijk, zegt Sefanja, daar komt God al aan. God zegt: Ik zal Jeruzalem met lampen doorzoeken. Daar is Gods zaklamp al. Hij bedient de lamp zelf. Hij schijnt met Zijn felle licht in alle hoeken en gaten. Er is geen verborgen plekje, dat Hij overslaat. Hij kijkt in uw huizen. Hij ziet uw tv-programma's. Hij zit naast u op de bank. Hij kent uw echtelijk bed. Hij weet precies wat u in uw portemonnee heeft. Hij kent uw gedachten als u werkt. Hij weet wat u wel en niet doet in de kerk. Hij weet waar u over praat en waar u niet over wilt praten. Gods zaklamp zet u in het licht. U denkt dat God niks doet? Geen goed en geen kwaad? U denkt dat God ongevaarlijk is? Dat Hij niet ingrijpt? U bent helemaal niet bang voor God? Wel, vergis u niet: óf God wat doet!

Wat dan? Wel, Sefanja gebruikt het woord 'bezoeking'. Dat woord wordt in de Bijbel op twee manieren gebruikt. God kan Zijn volk bezoeken in liefde. God redt uit de ellende. Denk aan Israël in Egypte. En denk vooral aan de redding in Jezus. Maar heel vaak wordt het ook anders gebruikt. God komt om te oordelen. In Sefanja 1 betekent het: als u denkt dat God niks doet, dan bent u nog niet van Hem af. God zoekt u echt wel op. Die mooie huizen in Jeruzalem: ze zullen met de grond gelijk gemaakt worden. Die prachtige wijngaarden: er blijft echt niks van over. God doet niks? Durft u dat nog eens te zeggen als God u in de kraag gegrepen heeft? Mannen, dik geworden op uw droesem? Het oordeel komt. Het is de dag van de Here. In Sefanja's tijd: de ballingschap. Oorlog. Weggevoerde kerkmensen. Het einde van Jeruzalem, vers 14 en verder. Waarom? Omdat God in de praktijk van het leven dood is verklaard. Het vuur van Gods jaloezie is ontbrand, vers 18. Weg met die Baäl. Weg met de dienaars van de afgoden. Weg dat Molochje in de slaapkamer.

Broeders en zusters, dat oordeel kan niet worden ontlopen. Het is Gods dag. De oordeelsdag. Gods zaklamp ontdekt alles wat niet deugt. Alles. Alles. Er is geen hoekje in het hart, dat niet bereikt wordt door Zijn lamp. Zijn ogen zien alles.

En de vraag wordt dan ook: wat doet u daar vandaag mee? Ik praat vandaag nog niet over de redding uit dat oordeel. Daar gaat het pas in het vervolg van Sefanja over. Ik moet niet voor mijn beurt praten. God heeft vandaag een andere boodschap voor u. En dat is deze: schijnt u eens met uw zaklamp over uw leven. Zoek bij uzelf de schuilhoeken van uw hart eens op. Gods zaklamp heeft die schuilhoeken allang in het vizier. Het zou voor u goed zijn die ook te ontdekken. En wat ziet u dan? Ziet u bij zichzelf misschien dat u in de praktijk van uw leven zonder God leeft? Denkt u ook dat God niks doet? Geen kwaad en geen goed? Is dat uw mentaliteit? Heeft God niks met uw zaak te maken? En met uw portemonnee? Dat zégt u niet. Natuurlijk niet. Maar denkt u het wel eens? Stiekem? Is dat uw houding? Kennen andere mensen u zo?

Wel, dan is er maar één ding dat ik u mag meegeven: God doet wel wat. En Hij weet u te vinden. Met Zijn bezoek. Vandaag al. Of morgen. Ik weet het niet. Maar wel weet ik, dat geen mens aan Zijn aandacht ontsnapt. U niet. Ik niet. Niemand in de kerk.

En daarom is zelfonderzoek op zijn plaats. Want God kon op Zijn dag u ook eens stuktrappen. Dan kunt u wel huizen bouwen, maar dan zult u er niet in wonen. Dan kunt u wel wijngaarden planten, maar dan hebt u er niets aan. Dan kunt u wel een mooi banksaldo hebben, maar dan glipt het weg uit uw vingers. Gevaarlijk hè, zo'n God. Ja, inderdaad. Gevaarlijk. Uw God, de enige, de Vader van Jezus, uw Vader: met Hem kun je beter niet spotten.

Amen.


Punten voor gebed

Lofprijzing: God kent onze harten

Schuldbelijdenis (morgendienst)

Voorbede (morgendienst):

Voorbede (middagdienst):

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar