Gods boosheid respecteren en van Hem houden

Thema: Gods boosheid respecteren en van Hem houden
Tekst: Zondag 4 H.C.
Tekstgedeelte(n): Psalm 50
Openbaring 15: 1-4
Zondag 4 H.C.
Door: Ds. P. Houtman (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Twijzel-Kollumerzwaag)
Gehouden te: Dokkum en Twijzel-Kollumerzwaag op 18 januari 1998; Grootegast op 26 mei 2002; Noardburgum op 20 oktober 2002

Aanwijzingen voor de Liturgie

Votum en zegengroet
Lied 113: 1-3
(Ochtenddienst:) Wet
(Ochtenddienst:) Ps. 97: 3
Gebed
Lezen: Psalm 50
Ps. 50: 8-10
Lezen: Openbaring 15: 1-4
(Ochtenddienst:) Ps. 97: 4-5
(Middagdienst:) Ps. 97: 4
Tekst: Zondag 4 H.C.
Preek
Ps. 76
(Middagdienst:) Geloofsbelijdenis
(Middagdienst:) Ps. 97: 5
Gebed
Collecte
Ps. 2: 4
Zegen

Broeders en zusters, gemeente van de Here Christus,

We hebben vandaag een moeilijk onderwerp. Het gaat erover dat God boos is. En over zijn eeuwige straf. Over de hel.
Een moeilijk onderwerp voor ons allemaal. Voor u om te horen; ook moeilijk om over te preken.
En we kunnen onszelf niet troosten door te zeggen: 'Nog één keer; de laatste zondag over onze ellende. Dan zijn we er weer van af'.
Nee, wat we hier leren, blijft staan. Anders begrijpen we ook de rest van de catechismus verkeerd. Dit is onze God; over Hem gaat het altijd: God, die barmhartig en rechtvaardig is.
Om de spanning niet te hoog te laten oplopen, zeggen we nu meteen waar het hier uiteindelijk om gaat; waar we moeten uitkomen.

Twee dingen:

  1. De God van Golgota liefhebben
  2. Zingen bij de glazen zee

Die twee punten horen bij elkaar; in allebei gaat het over de hel.
Maar voordat we het over die twee punten gaan hebben, moet ik u eerst uitleggen wat hier eigenlijk aan de hand is.
Wat is nou de moeilijkheid van deze zondag? Dat is niet verstandelijk. Het is best uit te leggen. Het staat ook duidelijk genoeg in de bijbel; duidelijk voor ons allemaal.
Nee, het is een gevoelskwestie. Het is moeilijk als er iemand boos is. Dat hoeft nog niet eens op jou persoonlijk te zijn. Maar bijvoorbeeld je vader op je broertje of zusje. Of iemand in je werkteam. Als er iemand boos is, dan geeft dat spanning. Er hangt een donkere wolk in de atmosfeer. Hoe moet dat weer goed komen? Je verlangt naar vrede. Wat kun je daar eventueel aan doen?
En dat is nog sterker zo als het over God gaat. Als God boos is, echt goed boos; als Hij dreigt met straf - ja, waar blijf je dan, als mens? Je kunt nooit tegen Hem op. Die dreiging hangt in deze Zondag boven ons hoofd: "... De zwaarste, dat is (...) de eeuwige straf aan lichaam en ziel". Dan blijf je nergens.
Dat is een gevoelskwestie. Zoals zo veel problemen in het geloof, echte problemen, zit het dieper dan alleen: begrijpen hoe het in elkaar zit. Het heeft te maken met hoe wij als levende mensen in de wereld zijn. Je wilt niet dood, je wilt leven. Je wilt geen boosheid ervaren, maar vrede. Je wilt levensruimte. Je wilt dat anderen - mensen, maar ook God - je die ruimte láten. Je wilt dat jij, op jouw plekje in de wereld, gerespecteerd wordt. Dat er naar jou, naar jouw inbreng, geluisterd wordt. En als men dat niet doet, als iemand je te na komt en je beschadigt, of dreígt te beschadigen, dan kom je daar tegen op. Je verzet je. Je... ja, je wordt boos!
En zo gaat het vaak tussen mensen: als de een boos wordt op de ander, dan gaat de ander daar ook weer boos tegenin.
Misschien is iemand hier in de kerk diep in z'n hart wel boos op die boze God. Boos over de boodschap van Zondag 4; de boodschap over de hel.
Wat mensen dan ook wel doen (want je wilt nu eenmaal niet graag ruzie), dat is: die boodschap wegdrukken. Ontkennen. God boos - dat zal toch wel niet? Op catechisatie gaat het zo. Als de dominee vraagt: "Hoe staat God tegenover onze zonde?", dan zeggen de jongeren: 'Hij wil die vergeven'. Als ze dan in de catechismus horen: 'Hij wil die straffen!', dan schrikken ze daar van. Dat wil er moeilijk bij ze in.
En zo gaan veel mensen nog verder. "Dat van die hel, staat dat echt in de bijbel? Dat zul je dan wel anders moeten opvatten". Ziet u wel, dat is niet maar een kwestie van begrijpen; het is een gevoelskwestie.
Dat u hier vandaag gekomen bent, daar blijkt uit dat u die kant niet op wilt. Dat u deze boodschap van God, ook al is die moeilijk voor uw gevoel, niet uit de weg wilt gaan.

Broeders en zusters, we kunnen de boodschap van deze Zondag zó goed duidelijk maken: dat (waar het net over ging) dat is bij God ook zo. Hij heeft dat ook: dat Hij gerespecteerd wil worden; Hij wil dat er naar Hem geluisterd wordt; en als iemand Hem te na komt, dan komt Hij daar tegen op.
Het is waar, we begeven ons op glad ijs. Want er is groot verschil tussen God en ons. God is geen mens. Wij zijn allemaal afhankelijk, van Hem, en ook wel van elkaar; dat anderen ons ruimte geven. Bij God is dat niet zo. Hij hééft alle ruimte. Hij heeft het respect van mensen niet nódig. Hij heeft daar geen behóefte aan, zoals wij. Hij is daar niet afhankelijk van. Hij kan niet beschadigd worden. Als iemand zich tegen Hem keert of een grote mond tegen Hem opzet - kwade engelen, of mensen -, dan voelt Hij zich niet bedreigd; zodat Hij in angst zou terugslaan. God is heilig, ook in zijn gevoelens. Hij wordt niet door emoties overweldigd, zoals dat met ons kan gebeuren. Hij gaat niet door het lint.
Maar Hij kan wel boos worden. Zijn naam, zijn goede naam, die kan wel beschadigd worden; en dan komt Hij daar tegen op. En dat kunnen wij aanvoelen, omdat wij zelf ook boos kunnen worden.
God heeft een geweldige plaats. Hij heeft een geweldige naam. In hemel en op aarde. Van het ene uiteinde van de aarde tot aan het andere. Kijk om je heen, en kijk naar boven; kijk naar de opgaande zon; sta eens midden in een storm met onweer en bliksem - dan kom je daarvan onder de indruk.
De "allerhoogste majesteit" van God, heet dat hier in de catechismus. Als iemand daar tegen zondigt, daar tegenin gaat, dan komt Hij daarvoor op.
Stel u voor dat God nooit kwaad zou worden. Of dat Hij wel boos zou worden, maar alleen van binnen; dat Hij dat niet zou uiten. Wat zou er dan gebeuren? Er zijn wel mensen, die dat hebben. Die (zoals dat tegenwoordig heet) niet 'assertief' zijn. Die er moeite mee hebben om voor zichzelf op te komen. Zulke mensen zijn vaak bang. Ze hebben een probleem. Ze laten een ander niet merken als die te ver gegaan is. Het gevolg is dat die ander geen rekening meer met ze houdt; ze niet meer respecteert. Dat die (uiteindelijk) over ze heen loopt.
Stel u voor, dat God nooit kwaad zou worden. Dat Hij niet 'assertief' zou zijn. Dan zouden wij mensen het nooit aan Hem merken als we te ver gegaan waren. We zouden steeds een stapje verder gaan; proberen hoe ver we met Hem kunnen gaan. Dit is toch niet zo erg? En dat toch ook niet? Dat mag toch zeker wel? Dat hoeft nog geen kwaadwillendheid te zijn. Maar je weet niet hoe ver je gaan kunt.
Een kind moet weten waar het met z'n ouders aan toe is. Wat wel mag, en wat niet. Wanneer het te ver gaat. Een kind heeft grenzen nodig. Dat geeft veiligheid. Als ouders geen grenzen stellen, dan wordt een kind onzeker.
Zo is het ook met ons in onze verhouding tot God. Misschien dat daarom de mensen van vandaag zo onzeker zijn: omdat men begonnen is met de grenzen die God stelt niet meer te respecteren. Geen oog meer te hebben voor zijn boosheid; die te ontkennen.
God weet best hoe moeilijk wij het kunnen hebben met zijn boosheid. Hij weet dat wij stof zijn. Hij weet dat, als Hij zijn boosheid de vrije loop laat, wij zo weg zijn. En daar is Hij beslist niet op uit; integendeel. Daar houdt Hij rekening mee.
Hij zag, in het Oude Testament, onder zijn eigen volk, hoe ver mensen gingen. We hebben erover gelezen in Psalm 50. Dat was wel kwaad-willend-heid. Dat was echte misdaad. Diefstal; overspel; kwaadsprekerij. Nou ja, misdaad... Het waren niet allemaal dingen waar je onder de Nederlandse wet voor veroordeeld kunt worden. Maar wel kwalijk. Maar de HERE was geduldig. Hij vond het wel erg, Hij werd er wel boos over, maar Hij zei er niets van. Hij "liet het toe", zeggen wij dan. Waarom laat Hij dat allemaal maar toe? Omdat Hij geduld heeft met zijn mensen. Hij hield zich in. Hij was lank-moedig (dat is: lang van gemoed). Hij gaf ruimte. Maar, zegt Hij, jullie vatten dat verkeerd op. Jullie gaan jullie denken dat Ik net zo ben als jullie. Dat Ik het óók allemaal wel best vind, wat jullie doen. Alsof je met Míj tóch nooit problemen kunt krijgen.
En daarom wil Ik het nu toch duidelijk zeggen: Jullie zijn te ver gegaan! dit kan zo niet langer. Als dat zo doorgaat, dan... Ja, en dan uit Hij een vreselijke bedreiging. Zoiets als de hel, en verdoemenis. Moeilijk om te zingen. Maar we weten nu wel waar we met Hem aan toe zijn.
Wij, in de Nederlandse samenleving, hechten erg aan vrijheid. We vinden dat mensen veel ruimte moeten hebben. We zijn wars van onderdrukking. Maar als het echt uit de hand loopt, of als we ons niet meer veilig voelen, dan roepen we vol verontwaardiging: Waar is de politie?! En: Weg met het gedoogbeleid!
We hebben een vrije seksuele moraal. Maar als pedofilie in het geding wordt gebracht, dan slaan we opeens om. Dan worden wij ook kwaad. We nemen het voor de slachtoffers op. Sommige dingen kunnen echt niet; dat moet iedereen goed weten.
Nou, broeders en zusters, dat is bij God ook zo. Er zijn bij Hem grenzen. Daar komt Hij voor op. Hij wil dat wij respect voor Hem hebben, voor zijn hoge, goddelijke majesteit; rekening met Hem houden, naar Hem luisteren. Dat is voor Hém belangrijk.

En nu komen we bij die twee punten die we in het begin hebben genoemd. Het eerste was:

De God van Golgota liefhebben

Zijn Zoon kwam op aarde. God zelf. Als mens. Een mens die wél kwetsbaar was; die beschadigd kon worden. Een mens met al zulke gevoelens, net als wij. Die bang kon zijn, zich bedreigd kon voelen.
En Hij wérd bedreigd. Er werd achter zijn rug om over Hem gekletst, en gemene aanvallen voorbereid. Hij werd bang; ontzettend bang. Hij werd gekwetst, beschadigd; pijn gedaan. Probeert u het met Hem mee te voelen, broeders en zusters, als u het evangelie leest? Als Hij een 'kroon' van dorens op zijn hoofd krijgt, en ze slaan daar op? Als ze een doek over zijn hoofd gooien en Hem in het gezicht stompen en roepen: 'Zeg nou eens, profeet, wie het gedaan heeft!' Men gunde Hem zijn plaats op deze wereld niet. Men bespotte Hem, men liep over Hem heen, men had helemaal geen respect meer voor Hem. Dat was echte kwaadwillendheid. Door alle grenzen heen gaan. Misdaad.
Tegen de Zoon van God! Tegen God zelf!
En toch... hield Hij zich in. Die mensen werden niet gestraft. Toen nog niet.
Het was zijn Vader, die het deed! Zijn Vader, die boos was. God zelf liet, vanuit de hemel, Hem bespotten, en in het gezicht slaan, en aan het kruis spijkeren. Hij liet Hem hangen, in verstikkende benauwdheid; in dikke duisternis. Hij liet de hel over Hem heen gaan. Werkelijk verschrikkelijk is het, wat God zijn eigen Zoon aandeed.
Al zijn boosheid stortte Hij over zijn Zoon uit... zijn boosheid over ónze zonden. Al die beledigingen, al die minachting, die wíj Hem hadden aangedaan. Het waren ónze zonden, die als vuistslagen op Hem neerkwamen, en als dorens prikten in zijn hoofd. Wíj sloegen spijkers door zijn handen.
Wij bleven ongemoeid! Wij gingen vrijuit!
Hij kwam in de hel; wij niet.
Zo kwam God op voor zijn majesteit. Op een ontzagwekkende manier. Hij gaf zijn Zoon... die 'liet over zich lopen'... en juist zo stortte God zijn straf uit: Hij liet níet over zich lopen!
Nú weten we wat we aan Hem hebben!
Kunt u hier nog mee meekomen, broeders en zusters? Zullen wij díe God liefhebben? Die God, die zo boos was, dat Hij zo tekeer ging... tegen... zijn eigen Zoon? Om ons te sparen? De God van Golgota liefhebben?
Ziet u zichzelf bezig? Ziet u zichzelf toekijken, bij dat kruis? Je krimpt ervan in elkaar. Hier kan ik niet tegen. Maar... het was voor mij!
God was ontzettend boos. Maar... nu niet meer op mij!
De sfeer was tot het uiterste geladen. Het was oorlog. Het was een hel. Het was de hel. Maar voor ons niet meer! Voor ons is het vrede geworden.
Zullen we níet meer: liever een andere kant op kijken; maar juist heel goed naar dit Golgota kijken? Niet meer verlegen worden, en ons niet meer bedrukt voelen, dat wij zo'n God hebben? Zal dit nu alle kritiek op Hem doen verstommen?
Zullen wij die God eerbiedigen, en de grenzen respecteren die Hij stelt?
Voelen wij nu dat dit de enige weg is om behouden te worden - gered van de toorn, de boosheid van God? Want daar zijn christenen van vandaag zo onzeker over, broeders en zusters. Of dit geloof nu levensnoodzakelijk is, óf dat het één van de opvattingen is. Voelt u dat dit niet een kwestie is van: een opvatting van ons, en het veroordelen van de opvatting van een ander? Voelen we dat, nu we die ontzaglijke God in zijn toorn op Golgota hebben ontmoet? Heeft het ons hart, dat dit evangelie aan alle mensen gepredikt wordt, omdat het de enige weg is tot behoud?

Het tweede punt waar het om ging, dat is:

Zingen aan de glazen zee

We hebben erover gelezen in Openbaring 15. Een zee van glas, met vuur vermengd. Een groot volk staat op de oever. Zij zijn hier doorheen gekomen. Het is de zee van het leven als christenen in de wereld; de zee van de beproeving, het lijden, in de wereld waar Gods oordeel in woedde - en zij werden vervolgd, in een hoek gedrukt; zij hadden het het zwaarst te verduren. Nu hebben ze het achter de rug; ze hebben de overwinning behaald.
En ze zingen de lof van God. Here, U bent geweldig! Want uw oordelen zijn openbaar geworden. De hele wereld moet U nu wel erkennen!
Het is (staat er bij) het lied van Mozes. Dit visioen brengt ons in gedachten terug naar de oever van de Rode Zee.
Israël was uit Egypte opgetrokken. Maar de vijand, het leger van de Farao, ging ze achterna. Ze kwamen klem te zitten tussen de vijand en de zee. Toen baande de HERE een pad door de zee. Ze konden verder; tussen muren van water gingen ze door, tot ze op de andere oever kwamen. Het Egyptische leger trok achter ze aan. Maar die bereikten de andere oever niet. De zee stroomde terug, over de militairen en hun wagens heen. Ze verdronken, tot de laatste man.
De Israëlieten stonden op de andere oever, en ze zagen de lijken van de Egyptenaren aanspoelen.
Stel het u voor, broeders en zusters. De Israëlieten zullen wel bleek om de neus geweest zijn, en gebibberd hebben van ontzag - na alle spanning van de afgelopen nacht, en het machtige wonder van God, nu het lugubere gezicht van de dode, opgezwollen lichamen van hun vijanden.
God heeft de vijanden van Hem en zijn volk gestraft. In zijn boosheid, over hun hooghartigheid en hardleersheid - Hij heeft ze lang genoeg gespaard, maar ze leerden het nooit! - heeft Hij ze tenslotte gedood. Hij nam het op voor de slachtoffers van de onderdrukking, van de slavernij.
Hier zien we zijn oordeel; iets van wat Hij later zal doen, in het boek Openbaring, met de vijanden van Hem, die op Golgota stierf. Degenen die dat eindeloos diepe wonder van majesteit en liefde hebben versmaad. En die zijn kerk hebben vervolgd. Hier zien we iets van wat uiteindelijk zal zijn: de hel.
Wat zou u gedacht hebben, uitkijkend langs de oever van de zee? Wat zou u ervan gevonden hebben? Zou u gedacht hebben: Dit had God toch eigenlijk niet moeten doen? Al die slachtoffers - dat zijn tenslotte ook mensen? Want dat is het denkklimaat, dat vandaag in onze wereld heerst.
Hoe had het dan gemoeten? Hoe waren wij anders ooit vrij geworden? Hoe was het anders vrede geworden?
Het volk dat gered is, dat erdoor gekomen is, gespaard is, door het wonder van Golgota; de gemeente, die daaraan heeft vastgehouden, tegen alles in; gespaard tegen het geweld van de vijand, bevríjd daarvan uiteindelijk - die heeft nu de kracht om te zingen. Loof de HERE, want Hij is hoog verheven; het paard en zijn ruiter stortte Hij in de zee! Zingen, met diep ontzag voor zijn majesteit, waarmee Hij opkwam voor zichzelf. Ze hebben geleden; ze hebben het er te kwaad mee gehad; maar ze zijn erdoor gekomen; ze hebben overwonnen. Nu zingen ze, tot zijn eer.
Broeders en zusters, ziet u zichzelf daar bij staan? Wilt u daarbij horen? Zingen tot eer van deze God?
Hij kan ontzettend boos zijn; maar je kunt wel bij deze ontzagwekkende God schuilen! Hij kan verschrikkelijk straffen; dat hééft Hij ook gedaan; en... juist daardoor zijn wij bevrijd; hebben wij de overwinning behaald!
Broeders en zusters, met Zondag 4 zijn wij bezig, dat lied te leren; in te studeren; het lied van Mozes, en van het Lam.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar