De enige weg naar God toe

Thema: De enige weg naar God toe
Tekst: Zondag 6 H. C.
Tekstgedeelte(n): Hebreeën 9: 1-12
Hebreeën 9: 24
Zondag 6 H. C.
Door: Ds. P. Houtman (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Twijzel-Kollumerzwaag)
Gehouden te: Twijzel-Kollumerzwaag op 1 oktober 2000; Leeuwarden-Huizum (datum onbekend); Leeuwarden op 17 november 2002

Aanwijzingen voor de Liturgie

Votum en zegengroet
Ps. 118: 7-9
(Ochtenddienst:) Wet
(Ochtenddienst:) Ps. 24
Gebed
Lezen: Hebreeën 9: 1-12 en Hebreeën 9: 24
Ps. 40: 3
Tekst: Zondag 6 H. C.
Preek
(Ochtenddienst:) Lied 75: 1, 3
(Middagdienst:) Ps. 24
(Middagdienst:) Geloofsbelijdenis
(Middagdienst:) Lied 75: 1, 3
Gebed
Collecte
Gez. 8: 1, 4
Zegen

Broeders en zusters, gemeente van de Here Christus,

Je moet een klein kind leren van het stopcontact af te blijven. Zo'n ding is voor zo'n kind heel interessant, met van die geheimzinnige gaatjes. En het kan er vaak zó bij.
Er zijn veiligheidsplaatjes, waar je stopcontacten mee kunt afdekken. Maar je zult een kind toch moeten leren: Pas op, niet zomaar aan zitten, dat is levensgevaarlijk!
Zou je het ook anders op kunnen lossen? Jawel: dan moet je de spanning verlagen. De netspanning eraf halen (220-230 Volt). Geen stopcontacten in huis. Waarom doen we dát eigenlijk niet? Natuurlijk niet: omdat je dan geen lamp meer aan kunt sluiten, en geen koelkast en geen stofzuiger; dan heb je geen energie meer in je huis.
Pas op, blijf met je vingers uit het stopcontact! - Later, als-ie groter wordt, leer je hem dan, hoe je wél met een stopcontact omgaat: hoe je er zorgvuldig een stekker in steekt. En hij leert misschien nog wel veel meer: over hoe elektriciteit werkt.

Zo is het ook met God. Je moet leren hoe je met Hem omgaat.
De catechismus wil ons dat leren. Hier, in deze catechismuszondagen, die niet direct geliefd zijn: Zondag 5 en Zondag 6.
Daar wordt zo moeilijk gedaan! Dat zeggen niet alleen gewone gemeenteleden; dat zeggen ook theologen. Eerst, in Zondag 5, gaat het er heel lang over wat er allemaal niet kan. En dan, hier in Zondag 6, eerst heel lang over aan wat voor vereisten de Middelaar moet voldoen. En dan tenslotte, aan het eind, komt pas:... En dat is Christus!
Moet dat nou zo? Waarom doe je nou zo moeilijk? Je moet gewoon het evangelie verkondigen, dat Jezus, de Christus, er is! Vertel maar. Dat spreekt veel meer aan. En dan kun je er later eventueel nog wel eens wat dieper op ingaan.
Waarom zo moeilijk? Omdat de catechismus ons wil leren om met God om te gaan. God is geweldig! Hij geeft licht, kracht, en warmte. Denk aan die elektriciteit. Hij geeft levensenergie. Hij is vuur.
Maar hoe kun je met Hem omgaan? Hoe maak je contact met Hem? Wij, als zondige mensen...!
Kan het niet makkelijker? Net als bij het stopcontact? Gewoon zeggen: God is genadig, Hij is heus niet gevaarlijk, je kunt zomaar bij Hem komen, Hij neemt je zomaar aan! Dat is de boodschap in veel christelijke kerken vandaag; en daar zijn wij, als gereformeerden, ook vatbaar voor.
Dan haal je de spanning eraf! Dan gaat er ook geen levenskracht meer van God uit.
Naar God toe gaan is spannend. Hij is geweldig. Een vuur van liefde. En: heel boos over alle zonde van ons, mensen. Barmhartig, en rechtvaardig. Heilig; in allebei.
Hoe kom je bij Hem (weer)? Wie kan er bij Hem komen?
Dat leren we hier, vandaag, van de brief aan de Hebreeën. Die laat ons zien, met behulp van het Oude Testament, hoe dat is: die weg naar God toe.

Dat gaat over de eredienst. Want dat is eredienst: naar God toe gaan.
Daar is veel over te doen in de kerk van vandaag: over de eredienst. Maar wij zijn daar meestal op een andere manier mee bezig.
Wij vinden het erg dat er steeds minder mensen naar de kerk gaan. Het spreekt ze niet meer aan. En dan vragen wij ons af: hoe kunnen wij de kerkdiensten meer aantrekkelijk maken, ook voor jongeren?
Dan staan wij hier, aan deze kant: de kerk, de dominee (zeg maar), die voorgaat; en die moet dan wat overbrengen. De boodschap. Die moet een vonk doen overspringen.
Maar de dominee is ook maar een mens. Eigenlijk zou die zich eens moeten omdraaien. Wij met elkaar, als mensen, moeten naar God toe. In ons bidden, ons zingen, ons hele leven. Híj moet ons zegenen; daar zijn wij van afhankelijk.
Hoe springt er een vonk over? Maar dan zo (denk aan het stopcontact), dat we er niet dood aan gaan!? Maar dat we levend contact met God krijgen? Niet alleen dat ene uur dat we in de kerk zitten, twee keer in een week, maar voor ons hele leven? Hoe komen we bij Hem?
Toen de schrijver van de Hebreeënbrief daarover ging schrijven, toen voelde hij ook al aan dat de mensen in de kerk zouden zeggen: "Doe niet zo moeilijk! Blijf maar liever gewoon bij het eenvoudige evangelie"; en dat ze zouden afhaken. Daar heeft hij zich zorgen over gemaakt (we horen dat in hoofdstuk 5 en 6); hij heeft de mensen ook gewaarschuwd. Maar hij is wel doorgegaan.

Kijk naar God!, zoals Hij in het Oude Testament, in de tabernakel, liet zien dat Hij was.
Je zag, als je in de voorhof kwam, dat gebouw. Daarvoor stond het brandofferaltaar. En dan kwam je, via het heilige, bij een zwaar gordijn: het voorhangsel voor het allerheiligste.
Daarachter was de troon van God. Nee, Hij was niet ver weg; Hij was niet ver te zoeken. Hij wilde bij zijn volk wonen. Je hoefde er niet aan te twijfelen of Hij er wel was. Je wist: daar is Hij. Daar is zijn troon. Je wist hoe dat er uit zag: de ark, met de cherubs. Daar kon je naar Hem toe; daar kon je Hem aanroepen - met je gezicht daar naar toe.
Daar woont Hij op aarde; en zo woont Hij, daarachter -om zo te zeggen-, in de hemel, zijn eigenlijke heiligdom.
Maar... daar hing dat gordijn. Daar mocht geen offeraar, zelfs geen priester, door. Alleen de hogepriester, een keer per jaar.
De weg was nog niet open. Je kon nog niet zo doorlopen, naar God toe. Anders zou je sterven; zelfs de hogepriester. Dat had God duidelijk gezegd.
Om te weten hoe dat was, moeten we maar denken aan Nadab en Abihu, die twee zonen van Aäron. Die brachten een offer op het reukofferaltaar, maar dan anders dan Hij het had voorgeschreven. Er ging vuur van God uit! Daar lagen ze, dood; in één klap verbrand.
Was dat nou zo erg, wat ze gedaan hadden? Is God dan niet genadig? Ja, maar tegelijkertijd rechtvaardig. Zó, en niet anders, kun je bij Mij komen, had Hij gezegd. Daar hadden ook de zonen van de hogepriester, zelfs de toekomstige hogepriester zelf, zich aan te houden.
Heilig is Hij! Hoe kun je ooit bij die God komen? Daar is toch geen beginnen aan? Wie zou het, na die ene rampdag in het begin, nog durven proberen?
Naar God gaan is spannend! Ja, maar... het kan. Hij had precies gezegd: Zo moet het, zo wil Ik het.
De hogepriester; één keer per jaar; met... bloed. Zó mocht hij binnengaan in het binnenste, het eigenlijke heiligdom.
Eerst moest hij, op het brandofferaltaar, een dier geofferd hebben. Voor de zonden van zichzelf, en van het volk. Het bloed van dat dier moest hij in een schaal opvangen, en dat moest hij meenemen naar binnen, in het allerheiligste, naar de troon van God. Alleen zo mocht hij bij God komen.
Dus: hoe kom je bij God? Via het brandofferaltaar, met bloed, naar het gordijn, en dán...
Zo heeft de HERE God het ons laten zien: dat is de weg naar Hem toe.

Wie kan dat aan? Wie krijgt dat voor elkaar? Wie zou het lukken, om bij Hem te komen?
Dat is het spannende. Zo moet het, en niet anders. We blijven als het ware eerst nog even in de voorhof staan. We zien Nadab en Abihu nog liggen; we gaan nog niet dichterbij; we kijken wel uit. En zo, op een afstand, gaan we de punten die de catechismus opnoemt, een voor een bij langs.

Het moet een mens zijn. Iemand van ons. Iemand die net zo is als wij.
We kunnen het niet afschuiven: Laat een ander het maar doen, mij niet gezien. Het gaat om ons! Wij moeten nooit kunnen zeggen: Laat hij het maar doen, hij kan dat beter dan ik; dan ben ik er mooi van af.
Het moet iemand zijn met een kloppend hart. Zoals de HERE God ons heeft geschapen. Iemand die van harte bij Hem komt. Die Hem liefheeft. Die graag naar Hem toe gaat. Ja, HERE - Psalm 40 -: Ja, HERE, zie, ik kom! Ik kom eraan, ik wil bij U zijn, Ik wil U dienen; graag! Daar gaat mijn hele hart naar uit.
Het moet iemand zijn die dat kan zéggen. Die dat wil, met z'n hart. Bij een dier is dat niet zo. Het moet een mens zijn, die verantwoordelijkheid draagt. Iemand die voor de keus kan staan, en staat. Die die hele weg voor zich kan zien. Daar staat dat brandofferaltaar... Hij moet zichzelf offeren, z'n leven offeren aan God. Hij moet de zonde voor zich zien, al die zonde van al die mensen, van Adam en Eva af tot die mensen, ouderen en jongeren, in die steden en dorpen in Nederland... Hij moet beseffen hoe boos God daarover is. Het moet op hem af komen: daar op het brandofferaltaar brandt het vuur; daar zijn al die talloze dieren verbrand, onophoudelijk, de eeuwen door... "Onze God is een verterend vuur".
Daar moet hij zelf doorheen. Hij moet, als een echt mens, kunnen huiveren; bang kunnen zijn; doodsbang. Hij moet in gedachten Nadab en Abihu zien liggen. Hij moet kunnen denken... het moet door hem heen kunnen gaan: O nee, alstublieft niet! (U herinnert zich: Getsemane.)
Wij moeten nooit kunnen zeggen: Laat dat maar aan hem over, want voor hem is dat makkelijker dan voor mij. Hij heeft geen last van... en noem dan maar op, waar je zelf last van zou hebben, als je daar voor stond. Nee, hij moet moeite hebben met alles waar wij zelf ook moeite mee hebben.
En dan moet hij kiezen! Zoals wij moeten kiezen. Beslissingen moeten nemen. Een koers moeten bepalen.
Zoals wij achteraf wel eens zeggen: Als ik het over moest doen, dan...! Als ik opnieuw voor de keus stond...! Je zou het als het ware nog eens opnieuw willen overwegen.
Hij moet kunnen afwegen.
Dat is het eerste: hij moet echt mens zijn.

En dan mag zijn conclusie er maar één zijn. Als God óns ter verantwoording roept - zoals Hij om te beginnen met Adam deed -: "Mens, waar ben je? Wat heb je gedaan?", verwijtend... Dan moet hij zeggen: Ja, HERE God, U hebt gelijk! Het was verkeerd. Uw oordeel is rechtvaardig.
Het vuur... Alles waar wij van zeggen: Waarom? Dat zou je je ergste vijand nog niet toewensen. Dat zou je nog geen hond aan willen doen. En nog erger, wat wij nooit zien, wat geen mens op aarde ooit nog heeft doorgemaakt, de hel...
Als zijn hele wezen zegt: Alstublieft niet...! - dan moet hij zeggen: Ja, en toch...! Toch wil ik het, o God, met heel mijn hart, wat U wilt. Het plaatje van Nadab en Abihu, verkoold, moet hem voor ogen zweven - en dan moet hij zeggen: Ja, o God, U bent, in uw oordelen, boven uw oordelen, licht, warmte, leven. Ik wil naar U toe!
Dat is het tweede: hij moet een rechtvaardig mens zijn. Heilig. Met een hart dat zonder één enkel vlekje volkomen God is toegewijd. Dat moet van het eerste begin af aan in hem zitten.

En dan... dan moet hij erin. In het vuur van het brandofferaltaar; het vuur dat hem, als echt mens, verbrandt; verteert. En dan... moet hij er doorheen. Dan moet hij, na verbrand te zijn, leven. Met zijn eigen bloed, moet hij verder: naar het heiligdom, door het gordijn, naar binnen.
Dat is het derde. Daarom moet hij ook echt God zijn.
Hij moet heel onze verantwoordelijkheid dragen, tot de dood toe... én overwinnen. Zelf licht geven, warmte, leven. Dat mag niet uitdoven in de dood, dat moet stralen in de wereld, hij moet daarvan uitdelen, aan al die mensen, aan óns, die er nog ver van af zijn, die in de voorhof, of nog ik-weet-niet-hoeveel-verder weg, staan te wachten, angstig te kijken, of zich afgekeerd hebben, vol angst en vol afschuw, en weggekropen zijn... En zelfs de mensen die er helemaal nog geen begrip voor hebben; die nog steeds niet zeggen: 'Ja, HERE, uw oordeel is rechtvaardig!'; die nog steeds zeggen: 'dat zou je nog geen hond aandoen'. Hij moet dat licht, die warmte, die energie naar ze uitstralen, zo dat ze naar Hem toe komen, met al hun angst, hun huivering, en zich bekeren, en in hem geloven. Echt God!

Bent u er nog bij, broeders en zusters? De schrijver van de Hebreeënbrief heeft onze neiging om af te haken gezien. En vandaag hébben veel mensen van christelijke huize afgehaakt. God geve dat u er nog bij bent!, zei die schrijver als het ware (daar komt het op neer). Gelukkig zijn we, als we er nog bij zijn!
Want geloven, dat is: geloven in déze weg naar God toe. Want Christus, de Heer van ons geloof, is gekomen om déze weg te gaan; om deze Hogepriester te zijn.
Waarom zo moeilijk doen? Omdat het zo moeilijk ís! Zo moeilijk voor Hem. Omdat het zo voor ons mensen, van ons uit gezien, onmogelijk is. Onmogelijk, dat er iemand zou komen die dit voor elkaar zou kunnen krijgen.
God is nog steeds díe God, zoals Hij Zich in het Oude Testament liet kennen; Zichzelf openbaarde. Het aardse heiligdom was een áfbeelding van het echte. Het was niet het echte, maar wel een trouwe afbeelding.
God is nog steeds dat vuur. Zien wij Hem nog steeds zo? Zijn wij vandaag nog, vol heilig ontzag, vol huivering, op een afstand blijven staan kijken, vol van de spanning: "Hoe komen wij weer bij God? Wat moet dat wel niet voor iemand zijn, die dat voor elkaar krijgt? Zou er ooit wel zo iemand komen?" Kunt u het zich voorstellen, het eeuwenlange wachten van het Oude Testament, met die onophoudelijke stroom van offers, van bloed? Heeft nog niemand gezegd: "Nou, dat valt wel wat mee, zó moeilijk is dat niet, zó moeilijk is God niet, vooruit, ik durf wel, ik ga wel!"?

Goed! Dan beseft u nu wat het is: geloven in Christus, de Heer. Want er is er maar één die dat kon: die weg naar God toe gaan. Een ander. Niet wij; maar Hij. De grote Voorganger, de Heer van onze belijdenis... Langs... óver het brandofferaltaar, door het vuur heen... naar het gordijn toe... Tóen ging het open! Weet u nog wel: toen Hij stierf, toen scheurde dat zware gordijn in de tempel van boven naar beneden in tweeën.
Toen lag de weg open!
Niet omdat God een ander was geworden; makkelijker; minder spannend. Nee, maar er was een doorgang; een toegangsweg! Die weg, dat is die Christus zelf!
Hij alleen; een andere is er niet. Wie probeert zonder Hem te gaan, zal nog steeds sterven.
God is nog steeds dezelfde. Van Hem gaat licht en warmte en kracht uit, levensenergie - ja, in Christus! Kijk maar: Hij heeft ons Hém gegeven!
Nu hebben we contact. Omdat Hij contact heeft gemaakt. Hij heeft ons aangesloten op dat licht, die warmte, die kracht, die levensenergie. Hij is dat allemaal zelf.
We hebben contact. Niet omdat we bidden (dat doen moslims ook, om maar een voorbeeld te noemen). Niet omdat wij naar de kerk gaan (want er gaan nog steeds heel wat mensen naar alle mogelijke kerken waar alle mogelijke principes worden verkondigd). Niet omdat wij zo gelovig zijn, religieus. Niet om iets van onszelf.
Wij hebben contact, omdat Christus dat contact heeft gemaakt.
Hem hebben wij gekregen. Van God. Zie je wel, wat een ontzettend, onvoorstelbaar vuur Hij is, dat Hij Zelf ons dít geschenk gegeven heeft? Dat Hij zelf, van zijn kant uit, dit gevaarlijke, onmogelijke contact heeft gelegd?
Daarom zien zoveel mensen God niet zo zitten. Zien ze dat licht niet, krijgen ze die kracht niet, genieten ze niet van die warmte. Omdat ze Christus niet hebben. Christus, die God gegeven heeft, niet aangenomen hebben.
Sterker: daarom blijft - om dat beeld nog één keer te gebruiken - het stopcontact levensgevaarlijk voor ze. Omdat ze de enige goede aansluiting missen.
Nu kunnen we beter zien wat het betekent, Christus gekregen te hebben; Hem aan te nemen.
Niet: blijven waar we zijn, en wat we zijn. Maar: door Hem meegenomen worden, ons laten meenemen door Hem, in brandende liefde voor Hem die zo voor ons is, déze Weg-baner, deze Voorganger; één met Hem. Met Hem mee, die weg die Hij geopend heeft, die weg die Hij ís... Mee, door het gordijn, dat nu open is, naar het heiligdom, waar God woont. Mee gaan, naar God toe. In de eredienst, voor Hem. Want dat is eredienst; dat alleen: in Christus, gáán.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar