De Here Jezus ging naar de hemel

Thema: De Here Jezus ging naar de hemel
Tekst: Zondag 18
Tekstgedeelte(n): Hebreeën 10: 19-25
Zondag 18
Door: Ds. S.S. Cnossen (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Drachten)
Gehouden te: Groningen-West op 4 mei 1997

Aanwijzingen voor de Liturgie

1. Votum en zegengroet
2. Ps. 27: 3
3. Gebed
4. Lezen: Hebreeën 10: 19-25
5. Ps. 47: 1-3
6. Tekst: Zondag 18
7. Preek
8. Geloofsbelijdenis: Gez. 4
9. Gebed
10. Collecte
11. Gez. 24: 4-5
12. Zegen

Gemeente van onze Here Jezus,

we zijn maar apart met ons geloof in de hemelvaart van de Here Jezus. De meeste mensen geloven er zo langzamerhand niet echt meer in. Theologen maken er wat anders van. De gewone man haalt er de schouders voor op. Een sprookje! Men zal niet altijd het bestaan van een hemel uitsluiten. Je weet maar nooit. Maar verder... moeten we maar niet naar de sterren staan staren als we met onze aarde nog genoeg problemen hebben. Er is hier beneden nog zoveel is te doen. Zelfs mensen die de Here Jezus anders nog wel een interessante figuur vinden, denken er zo over. Zij achten wel van enig van belang wat hij over 'hier' heeft gezegd. Bijvoorbeeld hoe we op het aarde met onze medemensen moeten rooien. Met vrienden. Maar met vijanden ook. Wat Hij daarvan heeft gezegd, daar zit echt wel wat in! Maar een Jezus in de hemel? Daar kunnen zij niets mee. Ja, we zijn wel apart met ons hemelvaartsgeloof. Maar wij zijn er maar wat rijk mee. Zeker, het is net als alles wat een christen gelooft, een geloof. Niet meer. Maar ook niet minder. Geloof op de betrouwbare grond van Gods eigen Woord. Een stuk evangelie. Een kostelijk geloofsartikel, waar je veel aan hebt en veel mee kunt. Hier en nu al.
En dáár willen het nu over hebben. Thema van de preek is gewoon:

De Here Jezus ging naar de hemel

We horen:

  1. Hoe Hij naar de hemel ging
  2. Hoe Hij daar in de hemel is
  3. Wat Hij in de hemel doet

1. Hoe Hij naar de hemel ging

De catechismus herinnert ons meteen aan het eerste wat er van hemelvaart valt te vertellen:
Christus is voor de ogen van zijn discipelen naar de hemel opgenomen. Daar zij het zagen, zegt de bijbel.
Het groots gebeuren wordt ons meegedeeld in de meest simpele woorden. Zó ging het er om en toe! Het ene ogenblik loopt de Heiland nog rustig op met de discipelen en beantwoordt hun vraag over het tijdstip van het komen van het koninkrijk. Het volgende moment laten zijn voeten de aarde los en gaat Hij omhoog. Zijn verbaasde volgelingen kunnen Hem nastaren. Een hele poos. Tot een langs glijdende wolk Hem aan hun oog onttrekt. Het begin van zijn reis hebben ze dus duidelijk kunnen waarnemen. Hij is van hen weg gegáán. Niet van hen weg gescheurd. Nu kunt u zeggen: alles goed en best, maar ze hebben het einde van zijn tocht niet gezien. Dat is waar. Ze hebben niet gezien hoe en waar Hij aankwam. Maar daarover hebben twee zichtbare hemelboden hen meteen geïnformeerd. Die zeiden: deze Jezus, die van jullie werd weg genomen, ging naar de hémel. Daarmee bevestigden zij overigens alleen maar wat de Heiland zelf ook al van te voren had verteld dat gebeuren zou. Dat heeft nu dan plaats gevonden. Het is een wonder. Maar zijn discipelen hebben aan de waarheid ervan geen ogenblik getwijfeld. Toen niet en later niet. Hun nagelaten preken en brieven getuigen ervan: God heeft Jezus opgewekt ten leven. Daarvan waren zij de getuigen geweest. Zij hebben het lege graf gezien. Maar dat geldt ook van zijn hemelvaart. Ze waren er bij en hebben het gezien. Het is een wonder van toen, maar volgens de bijbel brengt het een heel nieuwe situatie mee. Waar alle mensen bij betrokken zijn. Zijn gemeente, jazeker, maar die niet alleen. Eens zullen zelfs alle mensen er van kunnen meepraten. Als Hij weer komt. Er valt oneindig meer van te zeggen dan alleen maar: Christus is in de hemel en wat dan nog? Hij kwam daar immers ook vandaan. Hij ging terug naar z'n oorspronkelijke woonplaats. Waar Hij eigenlijk hoort.
Dat is wel waar, maar het is lang niet alles. Dat heeft te maken met het feit dat Hij in de hemel anders terugkeerde dan Hij eens was gegaan. In het hemelvaartsverhaal van Handelingen 1 is dat duidelijk. Het gaat daar in het bijzonder om wat er gebeurt met Jezus naar zijn mènselijke natuur. We zeiden het al: er waren ogen die het zagen. Maar wat zagen ze? Ze zagen wat gewone ogen hier kunnen zien. Namelijk dat de mens Jezus van hen werd weggenomen. Zoals Hij onder hen had verkeerd. Die Here Jezus wordt aan hun waarneming onttrokken. Zó, als Hij als mèns steeds bij hen was, is Hij nu naar de hemel gegaan. Als echt God, ongetwijfeld waar. Maar óók als echt mens. En zó is Hij nu in de hemel.
En dat is nieuw!
En werp me nu niet tegen: maar Henoch dan en Elia? Die voeren toch ook naar de hemel zoals ze waren. Was dat dan niet net zo? Nee, dat was het niet! Er zijn meer verschillen te noemen, maar dit ene, wat we nu gaan noemen is beslissend. Van geen van die beide, van Henoch noch Elia, staat geschreven wat van Jezus' hemelvaart staat geschreven. Wat de apostel Petrus heeft gesproken in zijn pinksterpreek en door de Heilige Geest voor ons op papier is gezet: de hemel moest Hem opnemen!
De hemel kòn Hem niet weigeren. Hij moést daar verschijnen. Zo had God dat besloten. In het begin van de geschiedenis van de schepping van alle dingen hoorden hemel en aarde bijelkaar. De hemel trok naar de aarde. En de aarde naar de hemel. Ze waren in het paradijs vlak bij elkaar. Als God zich toen aan de mensen openbaarde, hoefde Hij geen grote afstand te overbruggen. Nee, de mens hoorde het geluid van God vlakbij. Aan het suizen van de avondkoelte, als Hij wandelde in de hof. De verwijdering tussen hemel en aarde is door de zonde gekomen. Toen werd het zó, als de Heiland het zegt in de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus: die van daar, in de hemel, hebben geen toegang naar hier. Noch die van hier naar daar. Maar als de Here Jezus naar de hemel gaat is zijn lijden en sterven, dat betaalde en verzoent, voorbij. De gevolgen van de zonde zijn in principe alle overwonnen. Het is immers volbracht!
En daarom kan niemand en niets de Here Jezus hinderen de hemel binnen te gaan. Zij moet Hem opnemen. Haar poorten zwaaien wijd voor Hem open. Hij gaat als Koning der ere daar wonen. Hij, de Heiland, in en met zijn menselijke natuur. Het is zijn heilig rècht om daar zó te komen. In de heilige tegenwoordigheid van God. Mensen zijn er weer welkom! En dat, gemeente, is nu onze eerste hemel- vaartsblijdschap. Christus gaat de hemel binnen ook als de mèns Jezus Christus. Als één van ons. Als die Ene van ons, van wie de apostel Paulus zegt dat wij met Hem zijn gezet in de hemel. Zijn hemelvaart is in beginsel de hemelvaart van al het volk dat in Hem gelooft en ooit zal geloven. In principe zijn hemel en aarde weer verenigd tesaam.
Henoch was nog maar een incident. En Elia was dat ook. Maar wij hebben in het vlees van de Here Jezus, zijn lichaam, òns vlees in de hemel. Een vaste garantie dat Hij als het Hoofd van het lichaam ons zijn leden tot zich nemen zal. De hemel is voor wie in Christus is, geen gok. Niet iets dat we nog maar moeten afwachten. Hij is voor ons het heerlijk Hoofd, dat zijn leden tot zich trekt.
Het is dus van levensbelang dat je voor je zelf weet dat je - zoals de bijbel dat noemt - in Hèm bent. Door een levend en oprecht geloof. Want de hemel is wèl gratis. Je komt er door genade. Maar ze is niet te gééf. Daar was en is wat op Golgota gebeurde veel te ernstig voor. God heeft er wat over gehad dat voor ons zondaars in orde te maken. Hij zond er zijn Zoon voor naar ons toe. Liet hem hier lijden en sterven om de hemel aan zijn volk te garanderen. Dat vraagt om geloof. Het was liefde van God - oneindig groot. Liefde van God, die zoekt om een antwoord. Om de overgave van het geloof. Om liefde voor Hem, ook in hemelverlangen.

2. Hoe Hij daar in de hemel is

Hoe is onze Here Jezus in de hemel? Er volgen op het antwoord van de eerste vraag van zondag 18 er nog twee vragen en antwoorden om vast te stellen dat de Here Jezus echt lichamelijk in de hemel is. Je moet de reden daarvan kennen om het te begrijpen. Die reden is dat Luther, de grote kerkhervormer, niet de volle waarheid van hemelvaart zag. Hij geloofde heus wel wat de catechismus zegt over Christus, die naar zijn goddelijke natuur overal tegenwoordig is. In de hemel, maar ook op de aarde. Maar dat was hem niet genoeg. Hij meende dat ook beleden moest worden dat de Here Jezus nu hier nog lichamelijk aanwezig is. Dat had te maken met zijn kijk op het avondmaal. Daar zat hij niet helemaal goed mee. Nee, Luther was niet rooms. Hij geloofde niet in de transsubstantiatie: de verandering van het brood en de wijn van het avondmaal in het lichaam en bloed van Christus. Maar hij meende wel dat brood en wijn daar méér zijn dan alleen maar symbolen van het lichaam en bloed van de Heiland. Hij hield staande dat wij onder, met en in het gebruiken van brood en wijn, met onze lichamelijke mond óók eten en drinken het echte lichaam en bloed van Christus. Zijn lichaam en bloed zouden onzichtbaar met en in die tekenen aanwezig zijn. Het lijkt vrij ingewikkeld en dat is het ook. Maar waar het nu voor ons op aankomt is dat Luther zich toen gedwongen voelde te leren dat Christus, hoewel voor het oog niet te zien, met zijn lichaam en bloed hier nog op aarde is. Bijvoorbeeld immers aan elke avondmaalstafel. Om dat te kunnen vasthouden beleed Luther dat Christus'lichaam de goddelijke eigenschap van alomtegenwoordigheid zou hebben gekregen.
Maar dáárvoor waren onze vaderen terecht vuurbang. Wie goddelijke eigenschappen toekent aan de menselijke natuur, laat die natuur niet meer echt menselijk blijven. Het is dan is het maar één stap meer en je hebt het fundament van onze verlossing aangetast. Christus was en is immers alleen onze Borg en Middelaar, omdat Hij naast ècht God ook ècht mens was en is. Helemaal één van ons. Ons in alles gelijk. Uitgezonderd alleen maar de zonde. En dus géén god-menselijk lichaam heeft. Met dankbaarheid mag overigens worden vastgesteld dat Luther zelf verder nauwelijks verkeerde consequenties uit zijn verkeerde visie heeft getrokken. Toch mogen we blij zijn dat door de mannen, die de catechismus opstelden, hier klare wijn wordt geschonken. Christus is in de hemel. Echt in de hemel. Naar zijn menselijke natuur alléén maar in de hemel. Een echt mens kan op maar één plaats tegelijk zijn. Zó is Hij daar dan als één van ons. En als de Ene vóór ons. Met wie wij, als we oprecht geloven, daar rechtens een plaats hebben gekregen. Een plaats die Hij daar voor onze ontvangst klaar maakt. Hij is daar als de Heer in glorie, die zal komen zoals men Hem heeft zien heengaan - in het vlees. Om eens òns opgewekte vlees, ons lichaam, te verenigen met onze zielen. En ons zo, als nieuwe mensen, te doen delen in de vreugden van een nieuwe hemel èn een nieuwe aarde. Want: Hij leeft, waar Hij ons plaats bereidt. Hij komt straks weer in heerlijkheid.
Toch zijn we Hem hier niet echt kwijt. Want Hij is hier en nu bij ons naar zijn gòddelijke natuur, en door zijn Geest en door zijn genade. Altijd bereikbaar in geloof en door gebed als de Heiland, die vlak naast ons staat. Dat is zolang ze hier zijn Gods kinderen alles waard. Ze mogen zonder te twijfelen zingen: Heel de weg leidt mij de Heiland.

3. Wat Hij in de hemel doet

Ten slotte komt dan, gemeente, de vraag: wat doet de Here Jezus daar in de hemel? We hebben daar al iets van gezegd. Hij maakt er voor zijn gelovigen plaats klaar. Toch, als we belijden dat Hij ons daar- boven ten goede is, dan houdt dat wel veel meer in. De Here Jezus heeft het daar gewoon druk met en voor òns.
Hij is daar bijvoorbeeld ook werkzaam als onze voorspreker, als onze advocaat. Hij pleit voor ons bij de troon van de Vader. Dat is één van de manieren waarop Hij onze nieuwe relatie met God als verzoende mensen in stand houdt. Daar kunnen ze niet zonder. In ons leven aan deze kant van het graf kan er nog zoveel fout gaan. En gáát er nog zoveel verkeerd. In onze verhouding tot God treden allerlei stoornissen op. Van heel erg tot minder erg. Minder erg ook, ja maar dan toch onverdraaglijk in de ogen van de Here God. We liggen zo vaak overhoop met Gods goede gebod. Ons geloof is niet altijd wat het wezen moet. Onze liefde is zo dikwijls onderkoeld en de hoop zo zwak. En dan is er ook nog ons tekort als christenen ten opzichte van onze medechristenen. En mensen buiten
de gemeente. Waar is daar het einde van? Maar hoor, Hij, de Heiland in de hemel, pleit voor ons! Niet op grond van verzachtende omstandigheden aan onze kant. Die zijn er soms, jawel, maar voor Gòd zijn ze nooit een volkomen verontschuldiging. Nee, de Here Jezus hierboven pleit voor ons op de enige grond, die deugt en houdt. Hij pleit op de grond van zijn eigen lijden en gehoorzaamheid. Op zijn bloed voor Gods volk gegeven. Dat staat zo mooi beschreven in de rijke beeldspraak van de Hebreeënbrief. Bij zijn hemel- vaart heeft Hij het bloed van zijn offer van zich zelf meegenomen. Hij heeft het binnen gebracht in het hemels heiligdom. En daar voor God neergezet. En op grond van dat reinigend bloed pleit Hij voor de vergeving van ons kwaad. Dat pleiten is bidden. Zegt de Bijbel: Hij leeft altijd om voor ons te bidden. Een sterke uitdrukking! Daar lééft Hij voor. Dat is zijn bestaan daarboven: bidden voor ons. Zoals de Geest hier beneden met ons mee bidt 'met onuitsprekelijke zuchten', zo doet de Heiland het in de hemel. Wat een activiteit! En dat allemaal voor mensen die het van zichzelf niet waard zijn.
Deze gebeden van de Heiland werken de aanklachten van de boze tegen ons effectief weg. Ze worden door God geseponeerd. Want nog eens: de Heiland pleit op de grond van zijn bloed. En tegenover de stem van dàt bloed, dat luider roept om vergeving van ons kwaad dan Abel's onschuldig vergoten bloed riep om wraak, verstommen zijn beschuldigingen, die onze gewetens zo kunnen verontrusten.
Ja, Christus voorbede geeft ons rust. Want er is geen beter voorbidder denkbaar dan Hij. Dat staat zo mooi in art. 26 NGB: wie staat er dichter bij de Vader dan Hij? Wie heeft er beter toegang tot de Vader, dan zijn beminde Zoon? En wie houdt er meer van ons, dan Hij die zijn leven voor ons gaf? Op Hem kunnen we rekenen, gemeente. Bidt dan maar vrijmoedig in Jezus'naam.
Trouwens, de catechismus belijdt op grond van de Schrift nog meer over de werkzaamheid van de Heiland in heerlijkheid.
Hij zendt ons de Geest als tegenpand, zegt de catechismus. Een wat moeilijke uitdrukking misschien. Maar ze is wel duidelijk te maken. We hebben bij de Heiland daarboven, in de hemel, een pand, een garantie. Hijzelf is dat pand. Omdat wij bij Hem horen, vlees zijn van zijn vlees, kan het niet anders of we zullen eens zijn waar Hij is. Hij zelf wil dat ook. Hij heeft er om gebeden in het hogepriesterlijk gebed. Maar ondertussen moeten we nog wel wàchten dat het zover komt. Daarom kregen we van Hem hier op aarde een tegenpand. Nòg een pand. Een aanvullende garantie, maar dan hier beneden. En wat is dàt tegenpand veel waard! Dat 'tegenpand' is immers de Geest, die Hij aan de gemeente heeft gegeven om bij haar te wonen, te werken en te blijven. Zelf zei Hij daarvan voor zijn hemelvaart: Ik zal jullie niet als wezen achterlaten. In zijn Geest is Hij zelf heel dicht bij ons. Zeer vertroostend heet de Geest daarom ook wel de Geest van Jezus. In de Geest is de Heiland met ons bezig. Door de Geest bewerkt Hij bij ons inkeer tot ons zelf, kennis van onze zonde en ook het berouw. En - Hij zij geprezen! - ook de overtuiging van schuldvergeving. Door zijn Geest helpt Hij ons ook bij de heiliging van ons leven. Dat is: Hij stimuleert en bewerkt bij Gods kinderen de voortgaande, dagelijkse bekering. Door de Geest stort Hij zijn liefde uit in onze harten. Dat wil zeggen: laat Hij ons zijn liefde proeven en maakt ons gewillig tot zijn dienst als een dienst van wederliefde. Geeft Hij ons blijdschap. Door de Geest, die de Geest van volharding is, doet Hij ons, onder vallen en opstaan, toch weer volhouden. Door de Geest bemoedigt Hij ons in donkere uren. Door de Geest geeft Hij ons het blije en lokkende vooruitzicht van zijn grote toekomst. In het kort: door zijn Geest leert Hij ons te zingen in groeiend vertrouwen het lied waarvan we daareven de beginregel al citeerden:

Heel de weg leidt mij de Heiland.
Wat verlangt mijn ziel dan meer?
Zou ik immer aan Hem twijf'len,
die mij voortleidt, keer op keer?
Zoete troost en zaal'ge vrede heb ik steeds op zijn bevel.
Ik weet: wat mij hier mag overkomen:
Hij maakt alle dingen wel.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar