Bevrijd van de schuldenlast

Thema: Bevrijd van de schuldenlast
Tekst: Zondag 23 H.C.
Tekstgedeelte(n): Johannes 8: 1-11
Zondag 23 H.C.
Door: Ds. P. Houtman (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Twijzel-Kollumerzwaag)
Gehouden te: Twijzel-Kollumerzwaag op 21 januari 1995; Ameland 26 september 1999; Blija-Holwerd 15 juli 2001; Harlingen 29 sept. 2002

Aanwijzingen voor de Liturgie

Votum en zegengroet
Ps. 86: 1-2
(Morgendienst:) Wet
(Morgendienst:) Ps. 51: 2
Gebed
Lezen: Johannes 8: 1-11
Ps. 130: 2, 4
Tekst: Zondag 23 H.C.
Preek
Ps. 32: 1-2
(Morgendienst:) Geloofsbelijdenis
(Morgendienst:) Zingen: Lied 175: 3
Gebed
Collecte
Ps. 103: 3
Zegen

Broeders en zusters, gemeente van de Here Christus,

Het is maar goed dat niet iedereen merkt met wat voor negatieve of ongeïnteresseerde gevoelens je soms in de kerk zit. Het is maar goed dat die-en-die niet weet wat je toen een keer tegen anderen over 'm gezegd hebt; en helemaal niet wat je wel eens over 'm denkt. Het is maar goed dat niemand weet wat je een keer ingepikt hebt, naar jezelf toe getrokken hebt, toen je de kans kreeg.
Stel je voor dat iemand het gemerkt had. Dat iemand je gedachten kon lezen. Dat iemand er alsnog op terug kwam. En het aan de grote klok hing. Je zou de grootste moeilijkheden kunnen krijgen.
Die vrouw is betrapt. Daar had ze natuurlijk niet op gerekend. Ze zal heus wel haar best gedaan hebben om die man ergens op een geheim plekje te ontmoeten, waar niemand erop zou letten wat ze deden, waar in ieder geval geen schriftgeleerden en Farizeeën in de buurt waren, en zo dat haar man er nooit achter zou komen. Het is feest in Jeruzalem, er zijn een heleboel mensen, het is een grote drukte, en dan letten de mensen wat minder strak op elkaar; je kunt makkelijk onderduiken in de massa.
Maar er is op de een of andere manier iets misgegaan. Ze is op heterdaad betrapt. En ze wordt gearresteerd. Bij ons zou dat, in zo'n geval van óverspel, anders gaan. Maar wij hebben natuurlijk óók politie, die soms iemand arresteert en verhoort, zodat-ie uiteindelijk voor de rechter moet komen. Zo ging het toen, daar, óók in geval van overspel.
En dan kan zo'n vrouw weten wat haar te wachten staat: de doodstraf.
Ja, dat kunnen wij nou wel heel erg vinden, heel zwaar. Maar dat moeten we toch wel goed begrijpen, broeders en zusters; dat is heel wezenlijk in dit verhaal, deze geschiedenis.
"In de wet heeft Mozes ons bevolen zulken te stenigen", zeggen de schriftgeleerden en Farizeeën. En dan nemen wij misschien direct al afstand. Wij hebben weinig sympathie voor die mannen. Ze zijn erop uit om de Here Jezus "in verzoeking te brengen, opdat ze iets hadden om Hem aan te klagen". Ze weten dat Hij een boodschap van vergeving brengt aan hoeren en tollenaars en andere zware zondaars. Als Hij die vrouw veroordeelt, komt Hij in strijd met zichzelf, maar als Hij haar vrijspreekt, komt Hij in strijd met de wét, en dan hebben ze iets om Hem aan te klagen. Ze willen Hem in de val laten lopen. Want ze willen Hem uit de weg hebben. Gemeen. En daardoor gaat onze sympathie misschien al bij voorbaat wat in de richting van die vrouw.
Ja, maar wacht even, de wet van Mozes, dat is wel de wet van het oude testament; dat is wel de wet van God zelf. De wet die de Here Jezus ook zelf zijn leven lang geëerbiedigd heeft; de wet van zijn Vader; die is Hem heilig. Hij heeft gezegd: 'Er zal geen tittel of jota van verloren gaan'. Hij heeft zich daar altijd zelf volkomen aan gehouden. Daar staat het in: Leviticus 20: 10: "Een man die echtbreuk pleegt met iemands vrouw, echtbreuk pleegt met de vrouw van zijn naaste, die zal zeker ter dood gebracht worden." En Deuteronomium 22: 22: "Wanneer een man betrapt wordt, terwijl hij gemeenschap heeft met een vrouw die gehuwd is, dan zullen zij beiden sterven: de man die met de vrouw gemeenschap gehad heeft, en ook de vrouw. Zo zult gij het kwaad uit uw midden wegdoen." Wat er in dit geval met de man gebeurd is, weten we niet. Maar dit wetsartikel is in ieder geval hier duidelijk van toepassing: die vrouw verdient de doodstraf.
Overspel vindt God heel erg. Mensen zeggen vandaag ook weer: Het gezin is de hoeksteen van de samenleving. Bij de HERE zit daar dan nog achter dat Hij zelf een relatie heeft met zijn volk als een huwelijk. Overspel, dat is zoiets als dat wij, als volk van Hem, bij Hem vandaan lopen om andere goden te gaan dienen. Dat maakt de relatie, het huwelijk, kapot.
Dat moeten we hier goed begrijpen, omdat dit bijbelgedeelte vaak verkeerd wordt gebruikt. Als de Here Jezus straks zegt: "Wie van u zonder zonde is, werpe het eerst een steen naar haar", dan maken de mensen daar soms een algemene regel van; een soort dooddoener; zoiets als: Je moet het maar niet te zwaar opnemen, je moet er maar niks van zeggen, want je doet zelf toch zeker ook wel eens wat fout. Dát is een wijsheid die we óók wel ergens in de bijbel tegenkomen, in het boek Prediker: "Als je hoort dat je knecht je vervloekt..." We kunnen daar nu niet verder op ingaan; maar dat is hier toch niet van toepassing. Stel u voor, broeders: het zal uw eigen vrouw maar wezen! Dan doe je dat niet af met een dooddoener. En je accepteert ook niet als een ánder dat doet.
Een overheid moet straffen. Als een dronken automobilist uw kind met de fiets omverrijdt en dat kind komt zwaar gewond in het ziekenhuis te liggen, dan kan de overheid dat niet afdoen door te zeggen: Nou ja, iedereen drinkt wel eens een glaasje teveel, of maakt wel eens een fout in het verkeer. Dat accepteert u niet. Terecht niet. De overheid moet een straf opleggen.
God zelf staat daar achter. Hij legt zelf straffen op. Er zijn al heel wat dronkaards en echtbrekers en andere zondaars gestraft, met de dood; en er zullen er nog veel meer volgen, straks, in de eeuwige dood.
Deze vrouw is de dood schuldig.

Broeders en zusters, wat zou er door die vrouw heen gegaan zijn? Je bent gauw geneigd om zo'n verhaal te gaan invullen, het in te kleuren met je eigen reacties en emoties. Dat wordt ook vaak gedaan als het over Zondag 23 gaat: over de aanklacht van je geweten, dat je tegen de geboden van God zwaar gezondigd hebt. Soms gaan mensen er van uit dat je het daar dan toch eerst wel heel erg te kwaad mee zult hebben, en móet hebben, met je zonden; wroeging; dat je benauwd moet zijn. Zoals Luther; een bekende geschiedenis. Maar dat is op dit moment niet aan de orde. We wéten niet hoe die vrouw er zelf tegenover heeft gestaan, wat ze gedaan heeft, en de consequenties daarvan; wat er door haar heen is gegaan. We hoeven niet direct medelijden met haar te hebben, alsof ze nu al heel veel spijt heeft van wat ze heeft gedaan, en als het ware smeekt om vergeving, en wel van alles wil beloven om voortaan een voorbeeldige echtgenote voor haar man te zijn. Dat kan, maar... Het kan ook best zijn dat ze zich innerlijk verzet tegen een doodvonnis en er van overtuigd is dat ze dat niet heeft verdiend; dat komt ook vaker voor: dat iemand uiteindelijk helemaal niet meer bezig is met wat-ie gedaan heeft, alleen nog maar het gevoel heeft: Dít is een te zware straf, dit is niet eerlijk; ik ga innerlijk met opgeheven hoofd m'n lot tegemoet. Heel menselijk is ook om tot het laatste moment te geloven dat het doodvonnis toch niet door zal gaan. Het kan ook zijn dat die vrouw innerlijk nog na-genoot van het samen-zijn met die man: Dat was dan toch maar fijn! Het kan zijn dat ze allerlei verontschuldigingen heeft willen aanvoeren: Nou ja, mijn huwelijk is ook ellendig, en ik voelde me zó aangetrokken tot die man, en het is toch feest en dan laat iedereen de teugels wat vieren. Het kan ook zijn dat ze koel en cynisch geconstateerd heeft: Pech gehad; dat was het risico.
Herkent u het, broeders en zusters? Allerlei manieren waarop wij mensen reageren als we gezondigd hebben.
Dat neemt allemaal voor die vrouw het ene grote feit niet weg: ze heeft overspel gepleegd, en daar staat de doodstraf op. Dat staat haar te wachten.
Als de Here Jezus haar straks niet veroordeelt, dan betekent dat niet dat Hij de schuld minder zwaar vindt; dat Hij verzachtende omstandigheden laat gelden. Het is geen kwestie van 'begrip'. Hij weet wel alles en begrijpt alles; Hij weet wel van ongelukkige huwelijken, en van de aantrekkingskracht die er van een ander uit kan gaan, Hij weet wat een feest is en wat seksualiteit is; Hij kent alle verleidingen; maar het is niet zo dat Hij overspel 'begrijpt'. Hij zegt daar nee tegen. De wet van zijn Vader heeft daar de doodstraf op gesteld.
Een zware straf, broeders en zusters. Dat betekent: dit kan echt niet. Dit kun je nooit meer goed maken. Hier is geen regeling voor te treffen; geen schadevergoeding is hiervoor voldoende. Je krijgt geen nieuwe kans.
Je huwelijk is kapot; en je leven. Er komt een eind aan je genieten, van de zonde of van wat dan ook. Je trots, of je onverschilligheid, of je verontschuldigingen voor wat je gedaan hebt, je klachten dat het zo erg is wat je overkomt. Je kansen, je plannen, je verlangens om met een ander nog weer wat op te bouwen... - het is allemaal afgelopen.
Dát hebben wij nog geen van allen meegemaakt, broeders en zusters. Niemand op aarde. We kunnen wel klagen over het lijden, van onszelf of van anderen, dat het allemaal zo verschrikkelijk is, en of het niet te erg is... Maar zó erg is het toch met ons nog niet geworden. Wij kunnen tenminste nog klagen; en eventueel proberen er wat aan te doen. Met de dood is dat afgelopen.

"Wie van u zonder zonde is, werpe het eerst een steen naar haar." Steniging; de voltrekking van het vonnis; de getuigen moesten daarmee beginnen, stond in de wet; zij moesten de eerste steen gooien. Zonder iets af te doen van de ernst van de aanklacht tegen die vrouw, spreekt de Here nu die mannen aan, de schriftgeleerden en Farizeeën. Hij laat ze naar zichzélf kijken en over zichzélf nadenken. Hij spreekt ze aan - die mannen met hun gemene bedoelingen tegen Hem! -- Hij spreekt ze aan op hun sterke punt, waar Hij het ook zelf mee eens is. Zij hebben eerbied voor de wet van God; die kennen ze heel goed; zij weten heel veel van zonde; daar kunnen ze hele lijsten van opnoemen. Daarin staat de Here Jezus naast deze mannen en respecteert Hij ze. En Hij zegt als het ware: Pas dat nu eens op uzélf toe. U klaagt over anderen, u klaagt een ander aan, deze vrouw, maar hoe staat u er nu zelf tegenover?
En dan erkennen ze, langzaam maar zeker: Wij zijn ook schuldig. Niet allemaal aan overspel. Maar wel aan overtreding van de heilige wet van God. Ze weten het. Dat is je 'geweten': dat is (gewoon) een soort 'weten'. Weten wat je zelf gedaan hebt. En wat je dan, volgens de wet, de wet van God, te wachten staat. Wát ze daar ook verder bij voelden: berouw, of verzet, boosheid dat Jezus ze weer de baas was... - maar ze wisten het. Ze konden er niet omheen.
Er staan mensen bij. De Here Jezus was bezig te 'leren'. Dat wordt meestal vergeten bij deze geschiedenis; maar het staat er. Er staan mensen omheen zoals u, en ik. De bedoeling van de Here is, dat die mensen - wij dus - hiervan leren. Dat we niet blijven staan kijken naar die afdruipende schriftgeleerden en Farizeeën ("Net goed, die gemene mannen!"). Maar dat we ook nadenken over dat woord van de Here dat op hen afgekomen is: Wie van u zonder zonde is... De Here 'betrapt' ons als het ware. Hij zet ons voor het oordeel van God; het oordeel van zijn wet. Zég het maar; weet maar, hoe het er met u voor staat. Of een ander daar nu van af weet, of niet... En wát u er dan ook verder van vindt, en nog over zou willen zeggen - weet het.

Als die schriftgeleerden en Farizeeën dan tenslotte allemaal weg zijn, zonder de vrouw veroordeeld te hebben, dan blijft alleen de Here Jezus nog over als de enige die die vrouw kan oordelen. Hij kan het, want Hij is zonder zonde. Hij is de Zoon van God; Hij is bevoegd om te oordelen naar de wet van zijn Vader.
Maar Hij zegt: "Ook Ik veroordeel u niet."
Hoe kan Hij dat zeggen? Níet omdat wat die vrouw gedaan heeft, niet ook indruiste tegen alles wat in Hem was, de liefde voor zijn Vader, z'n trouw, z'n eerbied voor zijn wet, z'n zuivere hart. Níet omdat Hij het 'begreep', of verzachtende omstandigheden in rekening bracht. Ze is schuldig.
Maar: Hij neemt de schuld op zich. Hij komt in haar plaats.
Híj komt in het midden te staan, met schriftgeleerden en Farizeeën en alle mensen om zich heen, en ze klagen Hem aan van godslastering; en daarop staat de doodstraf. Gemeen; Hij is onschuldig. Maar Hij zal daar staan alsof Hij betrapt is, op heterdaad, op zonde tegen de heilige wet van zijn Vader. Beladen met al die dingen die echt niet kunnen. Onschuldig, laat Hij de beschuldigingen allemaal op zich af komen; zonder dat er voor Hém iemand is die een verlossend woord spreekt en zegt: Kijk naar jezelf! Nee, wij, die betrapt zijn, wij die weten dat we schuldig zijn, we mogen allemaal naar Hem kijken, die onschuldig is, hoe Hij sterft. Zónder te klagen, zonder zich vrij te pleiten, zonder verzachtende omstandigheden aan te voeren... En áls Hij al klaagt, dan luistert niemand naar Hem; en als er al iemand naar Hem luistert, dan nog laten ze Hem allemaal in de kou staan. Er komt een eind aan zíjn 'genieten', een echt léven, leven in gemeenschap met de Vader, intens zoals nooit iemand op aarde het geleefd heeft - het is allemaal afgelopen. Zijn Vader verlaat Hem en niemand kan meer iets voor Hem doen. Geen kansen meer. In de bloei van zijn jaren afgesneden. Het laatste wat Hij gedaan heeft in zijn leven was: accepteren; het vonnis van zijn Vader, van zijn wet; over de zonden die wíj gedaan hadden: "Nee, dat kan echt niet; daarom moet Ik dood."
Daarom gaat deze vrouw hier vrijuit. Ze is schuldig; de dood schuldig. Maar ze gaat vrijuit.
Daarom gaan wíj vrijuit, broeders en zusters. Kijk naar uzelf; en kijk dan naar Hem. Híj is onschuldig - Hij werd veroordeeld; ter dood. Wíj zijn schuldig; we verdienen de dood; maar we gaan vrijuit.

Wat een opluchting, broeders en zusters! Nieuwe kansen, terwijl alles verkeken was. Nieuwe mogelijkheden. We zijn vrij. We kunnen opnieuw beginnen. We hoeven niet dood.
Dat is het evangelie, broeders en zusters. Dat mogen we geloven. Enkel geloven. Tegen alle ervaring in, alle ervaring in dit leven, en alle gevoelens die dat bij ons oproept.
Je ervaart, dat je moet sterven; ieder mens moet sterven. Maar je mag gelóven dat je in leven blijft, voor eeuwig.
Je ervaart dat je niet geaccepteerd wordt. Dat niemand je kan gebruiken, als 'arbeidsongeschikte', hoe graag je ook zou wíllen werken. Je mag gelóven dat God je heeft aangenomen en dat je Hem mag dienen.
Je ervaart pijn, die aldoor terugkomt. Ziekte, waar je niet van afkomt. Je mag gelóven dat je genieten mag van het leven dat God maakt voor jou; het ligt al kant en klaar op je te wachten.
Je ervaart dat je weinig of niets opschiet, hoe je je ook inspant. Je voelt je ontmoedigd: 'Waar doe ik het allemaal voor?' - Je mag geloven dat je arbeid, dank zij de Here, niet vergeefs is.
Het kan ook anders zijn. Je ervaart, dat je wél kunt werken, dat je sterk bent en dat je veel aan kunt, en dat je leuke dingen kunt doen. - Het evangélie is, dat alles wat je in eigen kracht meende te kunnen doen, tijdelijk is en afloopt; dat al je zelfvertrouwen misplaatst is; het loopt uit op de dood; en dat alleen wat de Here 'nieuw' máákt, door zijn dood, zijn rijk, dat Hij je zónder jouw eigen kracht of toedoen geeft - dat alleen dát solide is.
Daarom beginnen mensen opnieuw. Omdat ze weten wat ze aan Hem te danken hebben, Hem die zegt: "Ga heen, zondig van nu af niet meer!" Opnieuw, aan een huwelijk dat misschien wel uitzichtloos lijkt. Opnieuw, nadat het kapot gegaan was. Omdat ze Hem lief gekregen hebben. Wie veel vergeven is, die betoont veel liefde.
Daarom hebben mensen offers gebracht, zware offers soms, aan geld, of tijd, of gezondheid, of vrijheid; ze hebben geleden, als de Here het van ze vroeg; blijmoedig; ze vonden het niet te veel gevraagd, als ze keken naar wat Hij ervoor in de plaats gaf.
Daarom nemen mensen een ambt op zich in de gemeente van de Heer, al zien ze er ook erg tegenop en vinden ze het moeilijk werk; ondankbaar soms. Omdat ze zich geroepen weten om mee te werken aan dat werk van Hem, waar ze zelf hun leven aan te danken hebben.

Broeders en zusters, put hier een goed humeur uit. Als de mensen om u heen allemaal mopperen dat het allemaal niks is. En u misschien wel geneigd bent ze in veel gelijk te geven, en mee te gaan mopperen. Of juist boos te worden en tegen ze ìn te gaan mopperen: "Kijk maar eens naar jezelf, je bent geen haar beter!" Denk aan uw Heer. Denk aan het nieuwe leven, de nieuwe lente die Hij u gegeven heeft. Geloof daarin. Put daar moed uit, en blijmoedigheid; straal dat uit.
Dit is onze kracht als gemeente: dat we zo bevrijd zijn. Niet, dat we elkaar zo aardig vinden en leuke dingen met elkaar kunnen organiseren. Niets... van onszelf. Maar alleen, dat we gemeente van díe Heer zijn; die zo ons weer vrij verder laat gaan. Iets wat je niet ziet, en je ervaart het misschien wel anders, maar toch is het er echt.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar