Christus schakelt zijn kerk in bij het beheer van het heil

Thema: Christus schakelt zijn kerk in bij het beheer van het heil
Tekst: Zondag 31 H.C.
Tekstgedeelte(n):

Jesaja 22: 15-22
Hebreeën 12: 1-17
Zondag 31 H.C.

Door:

Ds. H. Pathuis (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Oldehove)

Gehouden te: Oldehove op 19 september 1999
Groningen-West op 14 november 1999
Extra: Samenvatting

Aanwijzingen voor de Liturgie

  1. Votum en zegengroet
  2. Ps. 65: 2-3
  3. Gebed
  4. Lezen: Jesaja 22: 15-22
  5. Ps. 122: 1-2
  6. Lezen: Hebreeën 12: 1-17
  7. Zingen: Ps. 122: 3
  8. Tekst: Zondag 31 H.C.
  9. Preek
  10. Ps. 32: 5
  11. Geloofsbelijdenis: Gez. 4
  12. Gebed
  13. Collecte
  14. Ps. 97: 5
  15. Zegen

Geliefde gemeente van onze Here Jezus Christus, broeders en zusters, jong en ouder!

Merkwaardig niet?
Dit is de laatste zondag van het deel over de verlossing.
En dan verwacht je dat er een hoogtepunt komt:
Bijvoorbeeld iets in de geest van Romeinen 8:

Zo is er geen veroordeling voor wie in Christus Jezus zijn.
Want ik ben verzekerd dat noch dood, noch leven, noch engelen noch machten... noch wat dan ook ons scheiden kan van de liefde van Christus?!

Zou dat niet een fijn, een passend slot zijn geweest?
Om met de jubel op onze lippen het deel van de dankbaarheid te beginnen?

En dan lees je hier over de sleutels van het Koninkrijk der hemelen die ópenen, jazeker, maar ze sluiten óók toe!
Dat is toch een verschrikking?!
Wat is dat nou? Waarom die donkere wolken voor de zon van de verlossing?

Tja, laten we dan alsjeblieft niet vergeten waar het om gáát in het 2e deel van de catechismus.
Dat gaat niet over zó maar een verlossing!
Dat gaat niet over zomaar vrijheid, blijheid.
Het draait om de verlossing van de zónde!

God bevrijdt van de zonde. Dát is de open deur.
God bevrijdt: Dat wordt verkondigd in het evangelie.
God bevrijdt uit de macht van schuld en dood.
Maar dan vecht God tegelijk tegen de invloed van de satan… die nog niet ophoudt met zijn activiteiten. Die kerkmensen nog steeds voortdurend dwars zit en probeert in te palmen.

En als die kerkmensen dan verstríkt zijn geraakt in de zonde, geeft God extra zorg aan zulke mensen! Opdat die hoorders aan wie het HEIL wordt verkondigd, dat heil zullen blijven ontvangen. Dat ze zich niet in zonde en zondige levenshouding daarvan zullen afkeren.

Tot die extra zorg behoort het instrument van de kerkelijke tucht. Die tucht is bedoeld om mensen weer naar God toe te trekken. Daarom past de tucht zo goed in het gedeelte van de verlossing. Zo horen we vandaag over de sleutels van het Koninkrijk der hemelen, die béide als instrumenten passen bij het beheren van het heil.

Het thema van de preek is:

Christus schakelt zijn kerk in bij het beheer van het heil

  1. door de verkondiging van het heilig evangelie
  2. door de bediening van de kerkelijke tucht

1. Door de verkondiging van het heilig evangelie

Ja, wat een sleutel is, dat weten we wel...
Daarmee kun je een deur open doen, of op slot draaien.
Maar wat is nou een sleutel van het koninkrijk der hemelen?
Kan een mens dan de deur naar Gods Koninkrijk open doen of dicht?
Kan een mens uitmaken wie er wel in komt en wie niet?
Daar hebben wíj toch geen zeggenschap over?
Hoe kan er hier dan zo over gesproken worden?

We hebben in Jesaja 22 gelezen over twee "sleuteldragers": Sebna en Eljakim. Dat waren geen 'kleine jongens'. 'Hofmaarschalk' werd die Sebna genoemd. De vertrouwensman van de koning. Hij was daarom de op één na belangrijkste man van het land.

Elke dag deed hij de verschillende bureaus van het paleis open, zeg maar: de verschillende ministeries. Door zijn handen gingen alle landszaken, alle ambtenaren stonden onder zijn bevel. En deze Sebna regelde wie wel of niet op audiëntie bij de koning mochten komen. Opende hij de deur naar de koning, dan was beroep op de koning mogelijk. Liet hij de deur dicht, dan was er geen denken aan dat je het op een andere manier wel redde. Zonder Sebna kwam er geen contact met de koning tot stand.
U begrijpt, voor zo'n belangrijke positie heb je een heel betrouwbare man nodig. Nu was sleuteldrager Sebna dat niet geweest. Hij had zijn macht misbruikt voor eigen voordeel. En vanwege zijn corrupt handelen wordt hij ontslagen. Eljakim wordt aangesteld als zijn opvolger. Híj wordt bekleed met het gewaad van Sebna, krijgt zijn gordel omgebonden en krijgt zijn waardigheid in handen. Dus om zo te zeggen: Eljakim krijgt het gala-uniform omgehangen en hij wordt de nieuwe sleuteldrager van het huis van David. Nu is híj de onmisbare schakel in de verhouding van de koning tot het volk. Opent hij, niemand sluit. Sluit hij, niemand opent.

Deze geschiedenis van het oude testament moeten we in rekening brengen als we het nieuwe testament lezen. Want daar komen die zelfde woorden voor: 'sleutel van huis van David', en 'openen en sluiten'.
Ik denk aan Openbaring 3. Daar zegt de Here Jezus die naar de hemel is opgevaren: "… schrijf aan de engel van Filadelfia: Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, die de sleutel van David heeft, die opent en niemand sluit, en Hij sluit en niemand opent."

Dat betekent: Sebna is van het toneel verdwenen, Eljakim is ook al lang overleden, maar Christus heeft de sleutels van het koninkrijk van David ontvangen voor ééuwig. En niemand komt tot de Koning dan door Hem. Dat is, niemand komt tot de hémelse Koning dan door Hem. CHRISTUS is de enige WEG naar God om genáde te ontvangen.

God heeft zélf ervoor gezorgd, dat er een betrouwbare sleuteldrager is. Niet meer één als Sebna, die uit was op eigen winst, maar één die zichzelf heeft gegéven, opdat vele ánderen de grootste winst zouden ontvangen die er maar te krijgen is: het héil van God!
En nu is het aangrijpende dat de Here Christus, als Hij de sleutels gaat gebruiken, dat Hij ménsen daarbij inschakelt.
Want de verkondiging van het evangelie is één van de beide sleutels! Door die verkondiging worden de schatkamers van de Heilige Schrift geopend. Dan gaan (om het te zeggen in de beeldspraak van die sleuteldragers Sebna en Eljakim) dan gaan de deuren van het hemelse paleis open om Christus te leren kennen. Christus: de énige grond van het heil.

Ja, dat is prediking. Niets anders dan: Christus verkondigen. En zeggen dat in Christus de hemel openstaat voor ieder die gelooft. Maar tegelijk: dat die hemel gesloten is voor ieder die Christus verwerpt.

Wat komt het evangelie dan dichtbij: in doodgewone mensenwoorden. Wat komt de hemelpoort dan dichtbij. Die poort is er niet pas aan het einde van het leven, na het sterven.
Niet dán pas wordt er beslist over al dan niet ingaan in het Koninkrijk der hemelen...
Nee: in dít leven, hier en nu, zoals ook vandáág, is er de toegang tot de hemelse Koning, óf: die toegang is er níet, die is afgesloten.
Ja, tweezijdig is het effect van het luisteren naar de verkondiging. We denken misschien wel eens dat het horen van het evangelie alleen maar toegang openend is, maar dat is niet waar

Want: als je gelóóft dat Jezus Christus de weg is naar God... ja., dan héb je toegang tot God. Dán wordt u verklaard, publiek, dat u vergeving van de zonden hébt!
Maar: als je de boodschap van vrijspraak en van verlossing-door-Christus-alleen maar vrijblijvend aanhoort, - uit beleefdheid of uit gewoonte - en je wilt je ook niet bekéren van je zonden, dan is er géén toegang tot de Here God, in vrede! Dan blijft die deur dicht.
Dan wordt je publiek verklaard dat de tóórn van God en het ééuwig oordeel op je rust, zolang je je niet bekeert!

En dat is niet alleen zondags zo. Maar ook bijvoorbeeld wanneer één van de ambtsdragers door de week bij u thuis komt - op huisbezoek, vermaanbezoek, of ziekenbezoek - en als hij onder vier ogen met u spreekt, of met een andere broeder of zuster, jongen of meisje, ook dán geldt het: als u het Woord dat u voorgehouden wordt aanneemt, dan zíjn uw zonden u vergeven!

Dan mag ook niemand zeggen: mijn geval is hopeloos... ik heb wel zóveel zonden gedaan, dat geldt niet meer voor mij.
Nee: de HERE zegt: al waren uw zonden als scharlaken zo rood, Ik zal ze maken als sneeuw zo wit. Gelóóft dat toch… en uw zonden zíjn vergeven!

Maar... als iemand in die doordeweekse bezoeken tegen de ambtsdragers zorgeloos en onverschillig zou zeggen: "praat maar een end weg, ik laat het mooi langs me heen glijden, en ik hoef me ook niet te bekeren, -per slot van rekening ben ik eens gedoopt en ik heb eens belijdenis gedaan, dus 't zal wel goed komen- dan staat hij onder de druk van het oordeel van God en de toorn van God rust op hem zolang hij zich niet bekeert! Dat is de andere kant van de zaak.

Want vergeving is niet: tolerantie. Vergeving is niet dat God wel berust in de zonde.
Maar vergeving is dat zonden worden weggedaan. En dat kan alleen waar mensen hun zonden belijden, en waar zonden worden bestréden. En waar dat NIET gebeurt, daar is elke preek, daar is elk huisbezoek een stap verder bij God vandaan: Gods toorn kan niet worden verzoend als er geen berouw en bekering is.

Denk aan het Heilig Avondmaal, waar je je een oordeel kunt eten en drinken, als je eet en drinkt zonder je te willen bekeren...
Zo kun je je ook een oordeel luisteren: als je wel in de kerk zit, maar er onverschillig onder bent, en geen ander mens wilt worden... als je niet ernaar verlangt te leven als mens Góds, tot alle góed werk volkomen toegerust en dáártoe bereid...

Dat is de grote reikwijdte en tegelijk de grote érnst van de verkondiging van het evangelie... Stééds weer is er de prediking. Steeds weer de verkondiging van de enige weg tot het leven. Voortdurend de oproep om te geloven en bekeren.

Een veel te bekend verhaal?
Nee toch?! Want vergeving, dat mag in het leven van niemand een gepasseerd station zijn. Steeds opnieuw moet het worden verkondigd. Omdat ook steeds opnieuw wordt gezondigd.

Zo mogen dan gróte woorden worden gezegd...
Niet maar omdat de dominee of de ouderling dat doet...
Nee, omdat achter die verkondiging Christus staat.
Zo begint het toch in Antwoord 84 (van de Heidelbergse Catechismus): 'volgens het bevel van Chrístus'…!

Christus schakelt zijn gemeente wel in bij het beheer van het heil. Maar Hij houdt zelf de sleutels in handen. En mensen kunnen die sleutel niet bedienen buiten-Hem-om. De macht om toe te laten en buiten te sluiten blijft bij Hem. En Hij zorgt ervoor in zijn koninklijke majesteit, dat ieder die binnen móet komen, dat die ook binnen kómt!

Daarom: laat ons oog in alles alleen gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder van het geloof.
HIJ alleen kan ons brengen waar we rust en vrede genieten zullen. Vrede met God, ja nu al, omdat we weten dat Hij het goede met ons voor heeft...
Altijd... Ook al moet je door hele moeilijke beproevingen en strijd heen...

We komen bij het tweede. Christus schakelt zijn kerk in bij het beheer van zijn heil.

2. Ook door de bediening van de kerkelijke tucht

Als we over tucht horen, dan denken we vaak het meest aan de negatieve kant daarvan... in zijn uitwerking van 'toe-sluiten'. Maar dat is niet het énige!
Net zo min als de verkondiging van het evangelie alleen 'openen' zou zijn, is tucht niet alleen maar 'dicht-doen'. Het gaat ook bij de bediening van de tucht ten diepste om het beheer van het heil!

Natuurlijk: tucht kan hard aankomen - dat willen we niet ontkennen. Als je afgeremd moet worden, sta je niet zomaar stil. Maar het uiteindelijke doel van de tucht is hetzelfde als het doel van het evangelie, namelijk de vrede met God. Het gaat erom de zónde te bestrijden!

Wanneer de zonde voortwoekert in het leven van kinderen van God, en het oog niet meer alleen gericht is op Jezus Christus, de enige leidsman van het geloof (of misschien: helemaal niet meer op Hem gericht is... misschien zelfs tegen Hem gekozen wordt) dan mag (en moet) de tucht in de naam van Christus gebruikt worden. Dat is als het ware Gods dijkbewaking voor zijn kerk en de leden van de kerk. Want de zonde wil overal binnendringen en doorvreten. Maar in de tucht geeft God daartegen extra bescherming.

Daarom gebruikt de schrijver van de brief aan de Hebreeën zulke hooggestemde woorden als hij het heeft over de tuchtiging van de Here. Die is niet gericht tegen vreemdelingen, maar tegen de eigen kínderen.
"Wie Hij liefheeft, tuchtigt de Here." (Hebreeën 12: 6)
Het gaat in dat hoofdstuk wel niet precies over de kerkelijke tucht zoals wij die kennen, maar toch: er zit wel een element van vergelijking in. Want in de tucht werkt Christus om mensen bij Hem te bewáren. De satan trekt immers aan hen, en zou Christus dan werkeloos toekijken? Zou Christus hen zonder slag of stoot overgeven aan de satan. Natuurlijk niet!

En ook híerbij wil Christus mensen gebruiken. Hij schakelt zijn gemeente in. Dat was zo bij de verkondiging, maar ook bij de kerkelijke tucht
Want we zijn SAMEN geroepen om voor Gód te leven.
U zijt geroepen, een héilige natie, een volk Gode ten eigendom (1 Petrus 2: 9)!
Een vólk, dat met elkáár jaagt naar vrede en naar de heiliging (Hebreeën 12: 14).
Dat is de bedoeling van het leven van kerkmensen!

Want zonder die vrede zal niemand de Here zien (Hebreeën 12: 14).
Dat zou wat zijn: als iemand van u de HERE niet zou zien! Dat is, de HERE niet zou zien in zijn genáde en vréde!

En daarom moet u zichzelf vragen stellen als:

Jaag ik naar de vrede en naar de heiliging?
Stel ik mijn leven helemaal in dienst van Christus?
Ook als ik daarbij mijzelf verloochenen moet?
Als ik voor de Here dingen moet laten die ik graag wil, of
voor de Here dingen moet doen, die mij niet zo gemakkelijk afgaan?
Wil ik dat dan wel?

Maar... bij die vragen moet het niet blijven.
Als er reden toe is, moet u zichzelf / jij jezelf maar eens aanpakken!
Ook tot heil van uw / je naaste.

Want het zien van de HERE in zijn genade en vrede is niet alleen voor uzelf van het grootste belang, maar net zo goed voor al die mensen die hier verder in de kerk zitten / en ook de kerkleden die hier niet zitten...
Want je zou Hebreeën 12: 14 heel goed zo kunnen vertalen

niet maar: Jaagt naar vrede met allen,
maar ook: Jaagt met z'n allen naar de vrede en naar de heiliging.

Het moet gezamenlijk gebeuren.
Het moet gezamenlijk gebeuren. Niet ieder op zichzelf.
We leven toch in de gemeenschap met Christus en daarom ook in de gemeenschap met elkáár?!
Wat is uw aandeel in die gemeenschap?
Hoe zet u zich in? Met die anderen, en voor die anderen?

We lopen allemaal mee in een wedloop, zegt het begin van Hebreeën 12. En bij deze wedstrijd gaat het er niet om wie als eerste over de finish is, wie als eerste het Koninkrijk van God binnengaat. Nee, we hebben verantwoordelijkheid voor elkaar, om - voorzover het van ons afhangt - er voor te zorgen dat iedereen over de eindstreep komt. Let er dus op dat niemand het erbij laat zitten, en zegt: het hoeft voor mij niet meer.
"Ziet erop toe", staat in Hebreeën 12: 15, "dat niemand verachtere van de genade."

Bent u daar mee bezig, met die anderen?
Ja, ook u en ook jij, maak je je daar druk om?

Er stond een keer in de krant een haast ongelooflijk verhaal. Een joch van een jaar of 3 was van de snelweg gehaald. Hij reed op zijn driewielertje. En had het plan om naar zijn opa en oma te gaan. Nou, ik denk niet dat hij daar zomaar was op die snelweg, en hij had er ook al een eind op gereden. Maar waarom duurde het zo lang voordat er een automobilist wat aan deed?
Hoelang duurt het voordat u een broeder of zuster van een verkeerde weg afhaalt? Of denkt u ook (net als die automobilisten) "hé, wat gek, dat kán toch niet..." en laat u het ondertussen maar zo? En doet u er niks aan? Snel verder met eigen besognes.

Want het komt vast wel eens voor dat u / jij soms denkt, dat er iets niet klopt. Er zijn best onder u die wat hebben aan te merken op medebroeders en -zusters. Er wordt wel geklaagd. En soms zijn er terécht zorgen. Er wordt ook wel over gesproken - bijvoorbeeld over deze of gene die weer eens niet in de kerk was… of over die ander die altijd wat slap is, en die je nooit ziet als er wat te doen is in de gemeenschap der heiligen, en die niet meedraait in het verenigingswerk of dergelijke… of over een ander die in zijn levenshouding een verkeerde koers kiest..

MAAR... met WIE praat u er over?
OOK met die DESBETREFFENDE broeder of zuster?

Er wordt vaak gedacht: dat moet de kerkenraad maar doen... Of er wordt wel gevraagd: heeft de kerkenraad dit of dat wel in de gaten en dóet de kerkenraad er wel wat aan?

Nu, broeders en zusters: de kerkenraad mág er geen antwoord op geven, op de vraag of hij wel met deze of gene 'handelt'... dat pást niet om daarover te spreken...
Maar altijd blijft daar staan, dat het uw éigen taak is, om met uw broeder of zuster er over door te spreken, als u zonde ziet voortwoekeren. Niet OVER hem of haar spreken, maar MET hem / haar!

En dan niet in een houding van: 'Ben je helemaal gek geworden dat je je zo doet.... en als je daar mee doorgaat dan wil ik je nooit weer zien...' Nee, een gesprek voeren in een geest van zachtmoedigheid. Vol liefde de overtreder van Gods wet tegemoet treden. Je zou ook zelf eens in verzoeking kunnen komen... (Galaten 6: 1)
Dan hoop je toch ook dat er broeders / zusters zijn die je weer terecht helpen?

Maar als je er nou in je eentje niet uit komt hoe je het moet aanpakken, (of je ziet er tegenop): vraag dan een ander om advies (zonder namen te noemen) hoe je het het beste kunt aanpakken.
En als die broeder / zuster die vastzit in de zonde niet luisteren wil, vraag dan iemand anders mee, zodat die u kan helpen in het vermanen. En als dat ten slotte niet het gewenste resultaat oplevert, schakel dan maar een ambtsdrager in - dan komt het in elk geval op de kerkenraadstafel... Zo het er al niet lag...
Dan bent u bezig met het oog op het heil van uw broeder/ uw zuster.

Ziet toe dat niemand verachtere. (Hebreeën 12: 15)
Laat het u niet onverschillig zijn als u ziet dat uw broeder of zuster zondigt. Want de eer van God en het behoud van de zondaar is er mee gemoeid. Dat er vréde is: in en door Christus vrede met God. En vervolgens vrede met elkaar. Eensgezindheid. Eensgezindheid in het dienen van God.

Maar als je er niks aan doet, en je laat de zonde maar voortwoekeren, je bent er onverschillig onder dat je broeder of zuster de HERE niet zal zien in vrede, dan breng je het leven van de gemeente in gevaar (en ook je éigen leven, trouwens)...
Want er staat in Hebreeën 12: 15: "ziet erop toe, dat niemand verachtere van de genade... en er geen bittere wortel opschiete en verwarring stichtte."

Dat is: er schiet een gifplant op, die het leven kapot maakt, als u niets doet aan hardnekkige zonde van uw broeder / zuster. Dat is een gifplant die ook het samen-leven kapotmaakt. Die het leven met de HERE in gevaar brengt.

En daar moet je alert op wezen. Moet je je eens voorstellen dat een of andere gevaarlijke industrie zich zou willen vestigen vlakbij een woonwijk. Binnen de kortste keren zouden actiecomités laten merken dat ze daar niet van gediend zijn. Dat kan helemaal niet! Net zo zou onze reactie moeten wezen als een zonde als een gifzwam het geestelijk leven van een broeder of zuster van de gemeente gaat verstikken.

We zijn aan elkaar gegeven. We zijn mét elkaar op weg gezet door de HERE onze God. We moeten mét elkaar de eindstreep willen halen. Het mag niet aan u liggen als iemand afdwaalt en op eigen houtje een koers in zijn leven uitzet die hem van God verwijdert.

God heeft het heil van de gemeente op het oog. Uw verlossing. Daarvoor geeft Hij in zijn genade de bediening van het evangelie. Daarvoor geeft Hij ook genadige zorg door de bediening van de tucht. Twee sleutels van het Koninkrijk der hemelen. Ontvang ze en gebruik ze. Wijs de Sleuteldrager niet af. Want het gaat om uw leven. EN om het leven van uw broeder of zuster.
ALLEEN door JEZUS CHRISTUS is er toegang tot het feest van de Heer!

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar