De ware bekering van de mens

Thema: De ware bekering van de mens
Tekst: Zondag 33 H.C.
Tekstgedeelte(n): Psalm 51
Zondag 33 H.C.
Door: Dr. W.G. de Vries († - destijds predikant gereformeerde kerk vrijgem. Zwolle)
Gehouden te: Zwolle

Aanwijzingen voor de Liturgie

Votum en groet
Ps. 86: 2
(Morgendienst: Wet)
(Morgendienst: Ps. 86: 4)
Lezen: Psalm 51
Tekst: Zondag 33 H.C.
(Middagdienst: Geloofsbelijdenis)
(Middagdienst: Ps. 86: 5)
Gebed
Collecte
Ps. 51: 4-7
Preek
Ps. 1: 1-2
Ps. 103: 7
Zegen


Geliefde gemeente van onze Here Jezus Christus,

Kerkmensen hebben bekering nodig. Dagelijkse bekering. Want zonder bekering kan niemand het Koninkrijk van God binnengaan. Er wordt een onmiddellijk verband tussen de bekering en Gods Koninkrijk gelegd: Bekeert u, wànt het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen (Matteüs 3: 2). Jezus heeft tegen kerkleden gezegd: Bekeer u dan, maar zo niet dan zal Ik strijd tegen u voeren (Openbaring 2: 16).
Je kunt dus, al ben je lid van de kerk, Christus tégen je krijgen en zijn Koninkrijk mislopen. Dat gebeurt als je je niet dagelijks bekeert. Daarom gaat het over één van de belangrijkste zaken ter wereld, wanneer de catechismus vraagt: waarin bestaat de ware bekering van de mens?
De ware bekering. Er zijn ook schijn-bekeringen. Voor het oog van de mensen lijkt iemand zich bekeerd te hebben, maar de Here ziet het hart aan. Zoals Christus eenmaal de Farizeeën en schriftgeleerden vergeleek met mooie witte graven, van buiten schoon, maar van binnen vol onreinheid (Matteüs 23: 27). Waarom? Omdat ze van binnen vol wetsverachting waren.
Zo gaat het nu ook om ons binnenste, gemeente. We zitten hier samen in de kerk. En uiterlijk lijkt het wellicht heel wat. We zingen, we bidden, we luisteren naar de preek, we geven in de collecte. Maar hoe staat het met ons binnenste? Het zoeklicht van Gods Woord valt op ons hart, nu het gaat over de echte bekering.

Ik predik u:

De ware bekering van de mens

  1. Ze is een oprechte droefheid
  2. Ze is een hartelijke vreugde
  3. Ze draagt duidelijke vruchten

1. Ze is een oprechte droefheid

De eerste zonde die op aarde werd begaan bracht een vloedgolf van ellende mee. En deze zonde bestond in een zich afkeren van God. Hoeveel miljoenen mensen zijn nòg van God afkerig? Wil er ooit verlossing uit de ellende komen, dan zal er een zich toekeren naar God moeten plaatsvinden. Bekering is zich òmkeren naar God toe, in plaats van het zich àfkeren van Hem. Nu heeft God zelf daarin voorzien. Als het aan ons lag zou niemand zich bekeren. Daarom riep Israël al tot de Here: Here, bekeer mij, dan zal ik mij bekeren (Jeremia 31: 18). Gods volk werd toen vergeleken met een ongetemd kalf. En dat moest stevig in de houdgreep genomen worden om het in het gareel te brengen. Dat geldt ook van ons mensen. Daarom zegt Jezus later ook dat niemand tot Hem kan komen, tenzij de Vader hem trekt (Johannes 6: 44). Sleept, staat eigenlijk. We moeten naar Christus toegesleept worden. God moet ons in de greep van zijn liefde nemen, willen we van onze ongetemde afkeer tegen God verlost worden. Nu, juist daarom heeft God zijn Zoon naar ons gezonden. Hij zorgt ervoor dat mensen die niets van God wilden weten, door God geleerd worden zegt Johannes 6: 45. Daarmee worden ze leerlingen van de Here, zegt Jesaja 54: 13. Dat betekent: ze gaan weer naar Hem luisteren, ze komen bij Hem in de leer. En dat is een zo grote ommekeer dat de Bijbel daar heel wat woorden voor gebruikt. Bekering, vernieuwing, wedergeboorte, levendmaking, opwekking uit de doden. Er vindt een grote omwenteling in ons leven plaats, als God ons tot bekering brengt. De catechismus spreekt voluit bijbeltaal, wanneer hij dat typeert als afsterven van de oude mens en opstaan van de nieuwe mens. Kolossenzen 3: 9-10 spreekt van een afleggen van de oude mens met zijn praktijken en het aandoen van de nieuwe mens.
Onze oude mens is namelijk met Christus gekruisigd, zegt Romeinen 6: 6. En kruisigen betekent een langzaam, maar zeker sterven. Zeg maar afsterven. Dat gebeurt niet een twee drie. Dat is een lang en pijnlijk proces. De catechismus spreekt dan ook van droefheid. Van oprechte droefheid. Waarover? Dat we God door onze zonden vertoornd hebben. Bekering is dus allereerst een zaak in de verhouding tot God. Want er bestaan ook allerlei vormen van schijnbekering. Dan heeft men alleen maar berouw over de gevolgen van bepaalde zonden. We zien dat bij Israël in de Richterentijd.
Bij afval van God kwam er ellende in het land, vijanden roofden hun akkers leeg, mensen werden vermoord. Dan jammerde het volk het uit. Dan riepen ze tot God. Maar als Hij dan hielp en de ellende opruimde, gingen ze weer op de oude zondevoet door. Ze hadden alleen maar spijt over de gevolgen van hun zonde, maar niet over de zonde zelf. Het was geen oprechte droefheid.
Oprechte droefheid vinden we bij David in Psalm 51. Hij had tegen mensen kwaad gedaan. Uria laten doden en met diens vrouw overspel gepleegd. En dan komt God met zijn straf. Z'n zoontje wordt gedood en z'n gezinsleven verwoest. Maar wat zegt David? 'Tegen U, U alleen heb ik gezondigd, en gedaan wat kwaad was in uw ogen'. Natuurlijk, hij had ook tegen mensen gezondigd. Maar hij ziet allereerst de Here, zijn God. En hij riep tot God: schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in mijn binnenste een vaste geest. Hij wist: het moet allemaal van God komen. Hij moet mij bekeren, dan zal ik bekeerd zijn. En zo moet het ook bij ons zijn.
Nee, wij hebben allemaal niet de zonden van David op ons geweten. Maar we zijn wel allemaal zondaren van onze jeugd af aan. En dat mag ons niet koud laten. Daar moeten we last van hebben. En met die last moeten we naar de Here gaan.
We moeten niet alleen jammeren over de gevolgen van onze zonden. We moeten daarmee naar de Here gaan. En we weten: Hij vergeeft graag. Zeventig maal zeven maal - steeds opnieuw. We moeten ons hart scheuren, we moeten verbrijzeld van hart zijn over onze schuld. Want alleen het offer van een diep gewond gemoed en een gebroken hart zal God behagen. Zo moeten we de Here kennen, gemeente. Hij zegt het zelf: 'In den hoge en in het heilige woon Ik en bij de verbrijzelde en nederige van geest'. Waarom en met welk doel? 'Om de geest der nederigen en het hart der verbrijzelden te doen opleven'. En dan komen die prachtige woorden 'Want Ik zal niet altoos twisten noch voor eeuwige toornig zijn' (Jesaja 57: 15-17). We zouden er aan kapot gaan, als God altijd maar toornig op ons was, als er geen vergeving voor al onze zonden bestond. Daaruit leeft een bekeerd mens.
Want bekering betekent niet: verbeter de wereld en begin met jezelf. Het is met je 'oude mens' naar God vluchten. Hij moet die met Christus aan het kruis slaan. Anders kom ik er nooit vanaf! Zonder Mij kunt u niets doen, zegt Christus (Johannes 15: 5). Ook jezelf niet bekeren en veranderen. Bekering is dan ook een christelijke zaak en taak. Ze begint hiermee dat ik geloof dat mijn oude natuur met Christus gekruisigd is. En u weet wel, oud is niet een zaak van leeftijd, maar van mentaliteit. Ook baby's hebben al een oude natuur. Terwijl ze het niet weten, wordt van hen al gezegd, dat die oude natuur met Christus aan het kruis geslagen is en met Hem het graf is ingegaan. Je bent er vanàf. Maar je moet door het geloof je dat wel toeëigenen. En dan krijg je er last van dat Christus daarvoor helse ellende heeft ondergaan. Dat kan je toch niet onverschillig laten? Wie bedenkt: ik deed door al mijn zonden Hem al die smarten aan, die heeft verdriet over zijn zonden.
Nee, geen hopeloos verdriet. Maar gelovig verdriet. Pas bij het kruis van Christus leren we verstaan, hoe hopeloos verdorven onze oude mens is. En ook hoe nodig het is dat Hij ons ervan afhelpt, telkens weer. Dat noemt de Bijbel nu 'droefheid naar Gods wil' (2 Korintiërs 7: 10). Dan huppel je niet luchthartig over je zonden heen en zeg je niet onverschillig: ik ben nu eenmaal zo. Dat laatste is 'droefheid naar de wereld' en maakt werelds oppervlakkig. Ja, dat brengt ook de dood. Want dan ga je alleen maar als 'oude mens' het graf in en dat is dan meteen de eeuwige dood. Pas als Christus je van die oude mens verlost heeft en je daar zielsblij mee bent, komt er die echte, oprechte droefheid. Dat heeft niets met somberheid en uitzichtloosheid te maken. Want dat gaat samen met hartelijke vreugde in God. Het is dus niet zo dat we eerst een hele lange periode in de put moeten zitten, al maar zuchtend over onze zonden. En dat we dan na lange tijd, wie weet hoe lang, eindelijk een sprankje vreugde krijgen. Nee, het gaat hand in hand. In dezelfde mate, waarin we onze zonden betreuren komt er ook blijdschap dat Christus ons er vanaf geholpen heeft. En in dezelfde mate, waarin we met ons hart ons verheugen over zijn volmaakt verlossingswerk, zijn we oprecht bedroefd over onze zonden. Dat geeft diepgang aan ons leven.
En dat wil ik u ook vragen, aan de ouderen en aan de jongeren, of we ons zo persoonlijk aan Christus weten verbonden in zijn dood en opstanding. Zijn dood zegt immers: uw oude mens stierf met Hem. En zijn opstanding zegt: uw nieuwe mens staat op met Hem. Bekering is maar geen opwelling, geen bevlieging, geen zaak van je gevoel alleen. Het is gelovig bezig zijn met het werk van Christus. Opwellingen gaan voorbij en gevoelens zijn zwevend. Maar het geloof weet aan Wie het zich vertrouwt. Dat geeft vreugde, de vreugde des heils, de vreugde over de heelmaking van ons door de zonde geschonden leven in Christus. Dan wordt zijn werk ons kostbaar, het meest kostbare ter wereld. Dan mogen we, zoals het avondmaalsformulier zegt 'vieren' de bittere dood van Gods geliefde Zoon.
Er valt in de kerk feest te vieren, het feest van de verlossing. En dat feest wordt groter naarmate we steeds dieper verstaan uit welke grote nood en dood Christus ons verlost heeft. Dan wordt bekering geen last, maar het is de lust van ons hart. Omdat we steeds meer mogen worden wat we in Christus zijn: zijn verloste gemeente. Want uit de nacht herrezen mogen we sneeuwwit voor Hem staan.

2. Ze is een hartelijke vreugde

Nu is meteen duidelijk dat de opstanding van de nieuwe mens de keerzijde van deze gouden medaille is die God ons in de handen stopt. En dat houdt in: hartelijke vreugde in God, want God doet het hart der verbrijzelden opleven, zegt Jesaja 57: 15. Wie er kapot van is dat hij zoveel zonden heeft en doet, die leeft toch op, wanneer God zegt: Ik zal niet altoos twisten en niet voor eeuwig toornig zijn? Dat mocht Jesaja al tegen Israël zeggen en dat heeft God bij het kruis van Christus waar gemaakt: de straf die ons de vrede brengt, werd op Hem gelegd. Toen Hij na zijn volmaakte werk opstond, toen stond ook onze nieuwe mens op. Tot vreugde geboren. Onze oude mens kregen we van onze aardse ouders mee. Maar onze nieuwe mens krijgen we van Christus!
Dat werd aan Nikodemus duidelijk gemaakt, toen Christus over de noodzaak van het opnieuw geboren worden sprak. Nikodemus nam dit letterlijk: een mens kan toch niet voor de tweede maal in de moederschoot ingaan en geboren worden? (Johannes 3: 4). Nee, zei Christus, maar je moet 'uit de Geest geboren worden'. En Gods Geest is het die ons toeëigent wat we in Christus hebben. De verlossing van de zonden en de opstanding tot een nieuw leven. Hij nam ons ook mee in zijn opstanding en dat is nu het nieuwe leven dat Hij schenkt. De nieuwe geboorte, de wedergeboorte. Door zijn opstanding zijn wij wedergeboren tot een levende hoop (1 Petrus 1: 3).
Er zijn mensen die graag precies willen weten, wanneer iemand wedergeboren is. Ze vragen dag en uur. Maar de Bijbel zegt dat we als gelovigen al eeuwen en eeuwen geleden wedergeboren zijn, namelijk bij de opstanding van Christus. Natuurlijk, die weldaad moeten we met een gelovig hart aanvaarden. Als we geen enkel belang hebben bij de juichkreet van de apostelen: de Heer is waarlijk opgestaan, dan sukkelen we in ons oude leven voort, zonder God en zonder hoop in de wereld. Maar als de wedergeboorte door Christus' opstanding ons hart raakt, ons hartelijke vreugde geeft, dan zijn we ook persoonlijk wedergeboren door Gods Geest. Hij geeft ons dan immers deel aan al het heil van Christus' werk. En natuurlijk zal er een moment in uw en mijn leven zijn, waarop dit voor het eerst gebeurde. Daarom maakten de gereformeerden wel onderscheid tussen de wedergeboorte als het begin van de bekering en de dagelijkse bekering zelf. Maar weet ieder dit eerste begin zich te herinneren?
Wie in Gods verbond geboren werd en als kind in Gods Woord werd onderwezen - zeg maar leerling van God mocht zijn - zal z'n ups en downs gekend hebben. En wellicht ook perioden van ongeloof. 't Kan wel zijn dat iemand hier in de kerk zegt: toen en toen sprak het me voor 't eerst en echt aan. Prachtig. Ook Paulus heeft kunnen zeggen, wanneer dat nieuwe begin er bij hem kwam: op de weg naar Damascus. Maar zo gaat het niet bij ieder mensenkind. Wie alle schommelingen in het geloofsleven, bij kinderen, bij pubers en bij volwassenen, in rekening brengt, weet dat het eerste begin lang niet altijd vast te leggen valt. En dat is niet erg, want God spreekt van het 'heden' van de genade. En Hij zegt het tot ons allemaal hier in de kerk: 'Heden, indien gij zijn stem hoort, verhardt uw harten niet' (Psalm 95: 7-8).
Waar ging het Paulus om in heel zijn levensstrijd? Hierom: om Hem te kennen en de kracht van zijn opstanding (Filippenzen 3: 10). Hem, onze Heer en Heiland, onze grote God en Zaligmaker Jezus Christus.
En dat mag ik u vragen, broeders en zusters, ja, dat wil ik jullie vragen, jongens en meisjes: Daar gaat het ons toch om? Om Christus te kennen en de kracht van zijn opstanding. Daarmee vergeleken noemde Paulus alle andere dingen, ja ook zijn eigen gerechtigheid 'vuilnis'. Al zijn goede werken en al zijn voortreffelijke eigenschappen vielen weg, als het ging om de kennis van Christus. Die stelden in het licht van Christus' opstanding niets voor. Zo centraal staat de opstanding van Christus in ons dagelijkse leven.
En daarom, nogeens, dat is toch ook bij u de spil van het leven, waarom alles draait? Hem te kennen en de kracht van zijn opstanding? Dat is het a b c van de echte bekering. Die begint niet met allerlei activiteiten en met het najagen van eigen gerechtigheid, maar met een volledig je overgeven aan het volmaakte werk van Christus. Dan schamen we ons over onze zonden en gebreken. Maar we worden er niet wanhopig van.
Want Christus heeft ze allang van onze schouders afgetild en op zijn eigen schouders gelegd en aan het kruis genageld. Ja, toen Hij stralend uit het graf herrees, toen begon ook voor ons het nieuwe leven. Daarom gaan schaamte en droefheid over in vreugde en dankbaarheid. Wie bij Christus hoort door het geloof is een nieuwe schepping, want het oude is voorbijgegaan. Dat moet u door alles heen geloven, want dat wil Christus' eigen Geest u ook eigen maken. Ook bij de bekering moet het niet bij ons beginnen, maar bij Hem. We moeten het buiten onszelf zoeken en niet in onszelf. Waarom zou Christus het immers allemaal gedaan hebben, als wij het nog eens 'over' zouden moeten doen? U zou Hem als volmaakte Middelaar beledigen. Bekering is nooit een 'tegenprestatie' in de trant van: dat deed Hij voor ons en dit doen wij nu voor Hem. De echte bekering is ook een werk van zijn handen, zoals het geloof een gave van God is en niet een prestatie van de mens.
Nu, in die gave komen lust en liefde mee om naar de wil van God in alle goede werken te leven. En daarin herkent de nieuwe mens de oude mens dat deze laatste geen lust heeft om Gods wil te doen. En die oude mens is nog lang niet dood. Vandaar zoveel lusteloosheid in Gods dienst. Maar dan doet Christus de nieuwe mens opstaan die de strijd tegen die oude mens aanbindt.
Dat brengt spanning in een christenleven. Als ik het goede wil doen, is het kwade meteen in de buurt, klaagt Paulus in Romeinen 7. Wees blij, gemeente, als die spanning er is. Zeker, we kunnen erover klagen dat er nog zo weinig terecht komt van dat nieuwe leven naar Gods wil. En we moeten dat ook erkennen. Maar juist die erkenning betekent dat de nieuwe mens niet in vrede leven kan met de oude mens. Wie alleen maar oude mens is, heeft daar helemaal geen last van. Die leeft rustig en onbekommerd. Maar waar Gods Geest de nieuwe mens tot stand heeft gebracht, daar komt de onrust, de spanning, de strijd van de Geest tegen het vlees.
Een christenleven is een strijdend leven. Daarin botst het vaak. Wees er blij mee. Het betekent dat de nieuwe mens in voortdurende strijd gewikkeld is met de oude mens. Dat duurt, zolang je leeft. Want het afstervingsproces van de oude mens duurt tot de dood toe. Maar het opstandingsproces van de nieuwe mens gaat tot over het sterven heen. Daar staat Gods Geest garant voor. Daarom heet het leven onmiddellijk na het sterven in Openbaring 20 ook de 'eerste opstanding'. Dan triumfeert het nieuwe leven, dat hier begonnen is en straks voltooid wordt. Maar als het hier niet begint, wordt het straks niet voltooid. Als er helemaal geen lust en liefde is voor Gods wil, als die ons koud laat, dan zullen we nooit deel hebben aan de opstanding tot het eeuwige leven.
Nee, ik zeg niet dat die lust en liefde volkomen zijn. Dan was Christus' werk voor ons niet nodig. Ik zeg ook niet dat we nog niet zwaar onder het vuur van onze oude natuur kunnen liggen. Anders hoefden we niet om vergeving te bidden. Maar echte bekering draagt vruchten. Als er geloof is, dan zal het door de liefde werken. Dan komen er goede werken.

3. Ze draagt duidelijke vruchten

Vandaar dat ten slotte wordt gevraagd: wat zijn goede werken? Geen werken die mensen hebben bedacht, want niet voor niets waarschuwt Christus tegen allerlei voorschriften, die alleen maar geboden van mensen zijn (Matteüs 15: 9). Het zijn ook geen werken, waarmee je tekoop loopt en waarop je jezelf gaat verheffen. Daarom waarschuwt Jezus tegen de Farizeeërs die prat gingen op hun goede werken. Nee, goede werken zijn heel duidelijk in Gods Woord gedefinieerd: ze moeten uit het geloof zijn, naar Gods wet en tot Gods eer.
Uit het geloof. Want wat niet uit het geloof is, is zonde. Wie al mopperend en met tegenzin goede werken gaat doen, blijft onder de maat van God. Er moet geloofskracht achter zitten, anders heeft het geen waarde.
Naar Gods wet. Je gaat zelf niet allerlei dingen verzinnen die jíj goed vindt. Vandaag bestaat de tendens om iets goed te vinden, wanneer iemand maar goed gemotiveerd is. Maar dat is niet voldoende. Met de beste bedoelingen kan iemand verkeerde dingen doen. Zelfs zo, zegt Christus, dat men christenen gaat vervolgen in de mening God daarmee een heilige dienst te bewijzen (Johannes 16: 2). Daarom zal goede studie van en een goed inzicht in Gods Woord nodig zijn, willen er werkelijk goede werken komen.
En tenslotte zullen ze tot Gods eer moeten zijn. Wie er alleen maar op let, wat de mensen van ons zullen zeggen, is uit op 'de eer van mensen'. Maar daarmee brengen we het niet ver. En wat zijn we vaak op mensen betrokken. Wat zullen zij wel van ons zeggen? Maar een christen let eerst op zijn God. Wat zegt God van ons? Paulus achtte het 'de eer' van zijn leven om de Here welgevallig te zijn. Wij ook? Paulus zei daarom: niet dat ik door mensen beoordeeld wordt is belangrijk, er is Eén die mij beoordeelt: de Here (1 Korintiërs 4: 4).
Is dat ook onze levensinstelling, gemeente? Denken onze jongens en meisjes daaraan? Ook al lachen ze je uit om je geloof, trek je het niet aan. Niet mensen, maar God heeft het laatste woord.
Er is zo'n prachtige uitspraak van Christus: 'Indien iemand Mij wil dienen, de Vader zal hem eren' (Johannes 12: 26). Willen wij de Here dienen, broeders en zusters? Uit het geloof, naar zijn wet, tot zijn eer? Nu, dan zal de Vader ons eren. Is het niet geweldig?
We leven in een tijd, waarin alles op de helling komt, zelfs heel het christelijke leven en de christelijke levensstijl. We raken toch niet afgestompt? We willen toch in het volle leven de Here dienen?
Iemand heeft onze tijd eens zo getypeerd: we schuwen Gods wet. De laatste brokken christelijke levensstijl worden opgeruimd. Op het gebied van zondagsviering, gezinsgewoonten, vermaak. Het beslissingskarakter dat het evangelie eigen is, wordt niet meer beseft. In veel preken worden ons de prachtigste dingen aangeboden. Maar 'vrijblijvend', op zicht. Niemand heeft het gevoel, dat hij in een hoek wordt gedrongen, of voor een keuze wordt geplaatst. De dingen worden goedkoop aangeboden, goedkoop aanvaard, goedkoop afgewezen (H. Berkhof).
Nu hoeft ook niemand het gevoel te hebben, in een hoek gedrongen te worden. God wil ons juist in de ruimte stellen. Zijn wet is de wet van de vrijheid. Ze brengt ons terug in het levensklimaat dat in het paradijs bestond. Zijn wetten zijn immers wetten ten leven. We zien het om ons heen.
Waar Gods wet geschonden wordt gaat het leven kapot. Het huwelijksleven, het gezinsleven, het leven in staat en maatschappij. Maar in Gods Woord worden inderdaad de prachtigste dingen aangeboden. En dan niet vrijblijvend en 'op zicht'. Gemeente, we hebben toch niet vrijblijvend geluisterd?
Christus plaatst ons inderdaad voor een keus! Wie kiest nu in plaats van het leven de dood? Ik hoop toch: niemand van ons.
Indien iemand Christus wil dienen, dan zegt Hij: En waar Ik ben zal ook mijn dienaar zijn. In zijn paradijs. Want zijn wetten ten leven voeren ons van het verloren paradijs naar het nieuwe paradijs. Daarom, gelukkig hij, die wandelt op de weg door God bevolen, wie 's Heren wet zijn grote vreugde acht. Zijn heil omvat dan ook de komende geslachten. Zo volgen zij die zijn verbond betrachten, van zijn barmhartigheid het lichtend spoor!

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar