Als kind van God móet je wel oog hebben voor de mensen in zijn wereld

Thema: Als kind van God móet je wel oog hebben voor de mensen in zijn wereld
Tekst: Zondag 40 H.C.
Tekstgedeelte(n):

Genesis 9: 1-7
Matteüs 5: 21-26
Matteüs 5: 43-48
Zondag 40 H.C.

Door: Ds. T.S. Huttenga (studentenpastor gereformeerde kerk vrijgem. classis Groningen)
Gehouden te: Groningen-West op 30 januari 2000
Extra: Samenvatting van de preek

Aanwijzingen voor de Liturgie

Ps. 97:1, 3, 5
Lezen: Genesis 9: 1-7; Matteüs 5: 21-26; Matteüs 5: 43-48
Ps. 140: 1-4
Tekst: Zondag 40 H.C.
Preek
Gez. 28: 1
Geloofsbelijdenis: Apostolicum
Gez. 28: 2-4
Ps. 150

Broeders en zusters, jongens en meisjes,

Misschien vraagt u, vragen jullie je dat ook wel eens af:
Waarin ben je nu anders als je christen bent of gereformeerd?

Ik had daar eens een gesprek over met verschillende groepen catechisanten. In de ene groep zei iemand. Voor mij is belangrijk, dat je niet lomp met elkaar omgaat. In de andere groep ging het vooral om de omgang met God. Dat je daar tijd en ruimte voor maakt. Ik vroeg toen ook even naar de omgang met elkaar en met anderen. 'Ja', zei iemand toen, 'maar dat zie je bij ongelovigen ook. Die gaan ook goed met elkaar en met anderen om. Daar zit geen verschil tussen hen en ons.'
Ik ben toen eens gaan nadenken. Is het misschien zo, dat wij ons gedrag vooral laten bepalen door het wel of niet anders zijn? We hebben dat heel lang volgehouden. Als je christen bent, ben je anders dan wie niet gelooft. En als je gereformeerd bent, ben je anders dan andere christenen. Maar het lijkt steeds moeilijker om dit te blijven zeggen. Andere jongeren kijken verbaasd op, als ze horen dat je vrijgemaakt bent. Ze hadden eigenlijk nog helemaal niets bijzonders aan je gemerkt. En u vraagt zich misschien ook wel eens af: waarin moeten kerkmensen anders zijn. Óf u weet het gewoon, u kunt de voorbeelden noemen, dat en dat doe je als christen niet.

Vanmiddag wil ik eens beginnen aan de kant van God. Ik wil het zo zeggen: God geeft ons duidelijke geboden. Wij moeten doen wat Hij zegt. Als iemand die niet gelooft dat ook doet, is dat meegenomen. Gedraagt hij zich anders en blijkt er dus verschil tussen hem en mij, dan zij dat maar zo. Misschien ben ik de enige die zo doet en hebben anderen daar weinig respect voor. So what. God zegt het. Wat Hij zegt is doorslaggevend. God ziet ook wat ik doe en Hij beloont. En Hij kan mij veel meer geven dan wie ook maar. Ik wil het anders zijn dus benaderen vanuit God. Wij moeten niet allereerst naar mensen kijken en dan vanuit hun gedrag tot ons eigen gedrag komen. Wij moeten in de eerste plaats denken aan God.
Vooral bij het zesde gebod is daar ook alle reden toe.

De boodschap van de preek vat ik zo voor u samen:

Als kind van God móet je wel oog hebben voor de mensen in zijn wereld

  1. De Vader zorgt voor ze
  2. De Zoon wil hen zijn liefde geven
  3. De Geest kan hen vernieuwen

1. De Vader zorgt voor ze

'Goed met elkaar omgaan, dat doen ongelovigen ook'. Als je dat zegt, laat je de beperkte waarde van die omgang zien. En die waarde is ook beperkt. De omgang met God stijgt daar ver bovenuit.
En toch: de Here Jezus zegt, dat het gebod om je naaste lief te hebben gelijk is aan het gebod om te houden van God. Hoe zit dat? Waarom zegt Hij nou niet, dat naastenliefde belangrijk is, maar dat liefde voor God het allerbelangrijkste is?
Jezus geeft antwoord op de vraag van een wetgeleerde.
'Meester, wat is het grote gebod in de wet?' Daar hechtte die man echt belang aan. De schriftgeleerden onderscheidden tussen belangrijke en minder belangrijke geboden. Bovenaan stond het verbod van afgoderij of het gebod om je ouders te eren. Onderaan stond bijvoorbeeld de opdracht om, als je eieren raapte, de vogelmoeder te laten vliegen. En eigenlijk is zo'n onderscheid helemaal niet vreemd. Het sluipt ook bij ons zomaar binnen. Vindt u alle geboden even belangrijk? Er zijn dingen waar we heel verontwaardigd over zijn. Seks voor het huwelijk, samenwonen. Of juist heel andere zaken: liegen, zaken verdraaien, het net even anders zeggen omdat dat jou beter uitkomt, of vloeken.

Maar wat zegt de Here Jezus? Dat het allemaal even belangrijk is. En als je goed naar Hem luistert, begrijp je dat meteen.
Want Jezus heeft het niet over regels. Hij heeft het over liefde. Regels, daar verzetten we ons wel eens tegen. En dan wordt het ook wel eens een beetje teveel. We vinden, dat we ons wel genoeg hebben laten sturen. En dus overtreden we die regels, waar we het nut niet zo van inzien. Maar liefde, dat is een ander verhaal. Je hebt gewoon lief óf je hebt niet lief. Als je liefhebt, dan komt er een heleboel uit. Dan is het niet gauw teveel. Als je niet liefhebt, dan is alles teveel. En het spreekt dan ook vanzelf, dat je niet alleen van God houdt, maar net zo goed van je naaste. Want God zet die man of vrouw, die jongen of dat meisje naast je neer. In feite ga je in één keer door. Via God kom je vanzelf bij je buurman, je collega, je vrouw, je man, je broer, je zus, je vriend, je vriendin, enzovoort. Dat blijkt heel duidelijk uit de eerste brief van Johannes. Ik lees u daar iets uit voor. "Een ieder, die zijn broeder haat, is een mensenmoorder en u weet, dat geen mensenmoorder eeuwig leven in zich heeft. Hieraan hebben wij de liefde leren kennen, dat Hij zijn leven voor ons heeft ingezet; ook wij behoren dan voor de broeders ons leven in te zetten." Let wel: je leven inzetten. Wilt u, wil jij dat doen voor willekeurig elke broeder of zuster in de kerk? Maar het staat wel in de bijbel. En dan verder: "Als iemand zegt: Ik heb God lief, maar zijn broeder haat, dan is hij een leugenaar; want wie zijn broeder die hij gezien heeft niet liefheeft, kan (ook) God die hij niet gezien heeft, niet liefhebben." Naastenliefde, broederliefde, staat dus gelijk aan het gebod om God lief te hebben. Dat is wat. Dat moeten we eens goed tot ons laten doordringen. God liefhebben is voor ons allemaal erg belangrijk. Als je niet van God houdt, ga je verloren en dat is het ergste wat je overkomen kan. Daarom gaan wij naar de kerk. Wij bidden en wij lezen uit de bijbel. Maar de liefde voor de naaste is aan dit gebod gelijk.

En toch kan ik mij voorstellen, dat u of jij hier nog best wel een vraag over hebt. Hoe zit dat nou met een pure atheïst. Je komt die mensen tegenwoordig steeds meer tegen. Ze geloven absoluut niet in God. Volgens hen bestaat Hij niet. En de bijbel is naar hun idee een sprookjesboek. Prima, dat jij daar in gelooft, maar zij niet. Alhoewel, prima? Je merkt toch, dat ze een beetje op je neerkijken. 'Dat jij daar nog in gelooft. En je bent toch zo ontwikkeld.' Moet je die mensen nou liefhebben?
Dat is inderdaad heel moeilijk. Je staat voor een kloof. Je schrikt van wat zo iemand zegt. Misschien voel je je ook bedreigd. Je ontdekt je eigen onzekerheid. Jij staat ook niet zo sterk in je schoenen. Dan moet je natuurlijk oppassen. Maar dat wil niet zeggen, dat je die ander niet moet liefhebben. Dat moet wel. Je kunt die liefde alleen niet in de praktijk brengen. Maar dat komt dan doordat je niet een zoutend zout bent en geen lichtend licht, althans maar heel zwak.
Er kan alleen één reden zijn, waarom je de omgang met die ander wel stopt. Dat is, wanneer die ander gewoon niet aanvaardt dat jij gelooft. Dan moet je kiezen. En dan moet je dus kiezen vóór God en vóór Christus en tegen hem of haar. De Here Jezus is daar duidelijk over. 'Wie zoon of dochter, vader of moeder liefheeft boven Mij is Mij niet waard.'
Wij denken soms bij voorbaat al, dat wij die keus wel zullen moeten maken met als gevolg dat we aan het contact maar niet beginnen. Maar dat is een vooroordeel en het hebben van vooroordelen strijdt ook met het gebod om je naaste lief te hebben en Jezus heeft ook heel duidelijk over zout en licht gesproken.

Heb je naaste lief als jezelf. Die naaste kies je zelf niet uit. Dat is niet iemand die goed is voor jou en die jij dus beloont met wederliefde. Die naaste zet God naast je neer. Heb hem of haar lief.
Wat betekent dat nu in de praktijk? Dat staat in de tweede afdeling van de wet. Daarin maakt God concreet wat Hij wil. De liefde is de vervulling van de wet. Maar de liefde is niet de vervanging van de wet. Liefde is niet vaag. Als je van iemand houdt, maakt die je ook duidelijk wat die graag van je wil en anders vraag je het zelf wel. En God is ook duidelijk. Liefde voor je naaste dat is: respect voor hem hebben, als hij gezag over je heeft; zijn of haar huwelijk van belang vinden; zijn of haar bezit; zijn of haar naam; en vooral: zijn of haar leven. Daar gaat het nu dus met name over.
Gun die ander het licht in de ogen. Gun het hem of haar, dat hij of zij leeft. Wees daar blij mee en laat zien, dat je daar blij mee bent. Dat betekent allereerst, dat je iemand niet doodt. Maar het wil nog veel meer zeggen. Het zou ook wel wat zuinig zijn, als je het daarbij liet. Zo van: ik heb hem niet gedood; dus dat zit wel goed. Je kunt iemand ook op allerlei manier kwetsen. De Catechismus is, wat dit betreft, heel radicaal en die heeft dat natuurlijk van Jezus geleerd. De Heidelbergse Catechismus wijst vooral op het positieve. U ziet dat in antwoord 107. Hoe moet je je tegenover je naaste gedragen? Hier komt het: geduldig, dat is iets anders dan dat je je ergert; zachtmoedig, dat is iets anders dan dat je jezelf direct gaat verdedigen; barmhartig, dat betekent dat je je iemands nood aantrekt; vriendelijk en ook je vijanden goed doen.
Dat is allemaal niet niks. Maar nogmaals: God zet die naaste naast je neer. En dan kan ik daar nog een heleboel aan toevoegen. Dat die persoon een mens is, geschapen naar het beeld van God. Dat God het leven van die man of vrouw de moeite waard vindt, nog steeds. Zoals blijkt uit alledaagse dingen als zonneschijn en regen. Daar mag die vervelende man of vrouw of daar mag die ongelovige netzo goed van genieten. Och, het is ons allemaal wel bekend. We moeten het alleen nog weer eens tot ons door laten dringen. Maar dat moeten we wel doen. Dan kijken we tenminste weer met de ogen van God naar die ander en niet door onze eigen gekleurde bril. God zorgt voor die mensen. Ja, echt.

Als kind van God móet je wel oog hebben voor de mensen in zijn wereld. De Vader zorgt voor ze. De Zoon wil hen zijn liefde geven.

2. De Zoon wil hen zijn liefde geven

Onze goddelijke Vader zorgt voor alle mensen in de wereld. Oké. Maar zijn heel veel van die mensen niet verschrikkelijk ondankbaar? Ze krijgen wel veel van God, maar ze bedanken Hem niet. Bidden is er niet bij. Ze beginnen zomaar te eten. Ze doen ook helemaal niets voor God. Wij wel. We gaan trouw naar de kerk. We doen veel aan bijbelstudie. We hebben ook veel over voor de kerk en voor goede instellingen. En dan is het toch te gek, dat zulke mensen evenveel rechten zouden hebben als wij. Moeten wij ze dan echt liefhebben? Is het al niet meer dan genoeg, dat zij de zorg van de Schepper ondervinden?

Wij leven in een zondige wereld. Dat is erg. Dat mensen hun Schepper volledig negeren. Maar wij kunnen ons van die slechte wereld niet isoleren. Ons geloof onderscheidt ons, maar onze zonde niet. We staan vaak tegenover elkaar, die man, die vrouw, die jongen, dat meisje, dat zomaar durft te zeggen dat God niet bestaat. Maar we staan zomaar opeens ook weer naast elkaar, als we merken dat de ongelovige en jij netzo goed ruzie maken, netzo goed uit zijn op eigen belang. Dat weet je heel vaak niet van die ander, omdat je een ongelovige vaak niet zo goed kent. Je ziet hem of haar vaak als een bedreiging. En dus ken je hem of haar niet zo goed. Maar als dat anders wordt, ontdek je dat wel. Je bent beiden zondaar. En zo leven wij met onze buren en collega's en medestudenten in diezelfde zondige en gebroken wereld, waar we met elkaar debet aan zijn.

Maar ín deze wereld is Gods Zoon gekomen. In Hem zocht God deze aarde en de mensen die erop wonen, op. En daarbij maakte de Zoon van God geen onderscheid. Het was niet zo, dat Hij bij voorkeur hen zocht die heel vroom waren. Integendeel. Hij zocht juist publieke zondaren op, tollenaars, prostituees. Dat was zo opvallend, dat de Farizeeën daarover klaagden. Maar Jezus zegt dan zelf, dat gezonde mensen geen dokter nodig hebben, maar zieke mensen wel. Hij komt om te redden. En dus is Hij er in principe voor iedereen, die gered moet worden. En al die mensen om u heen, die jongeren zonder geloof met wie jij in aanraking komt, er is geen enkele reden om hen Jezus Christus te onthouden. Integendeel. Ja, natuurlijk, de Here Jezus vraagt ook om geloof. En je loopt er regelmatig tegenaan, dat dat geloof er niet komt. Je ziet daarin ook, dat God de één wel gekozen heeft en de ander niet. Maar dat ongeloof, dat is hun verantwoordelijkheid. Je weet ook niet van tevoren óf er ongeloof zal zijn en hoe diep dat zal zitten. En die keus van God, hoe die is, dat weten wij niet. Daar kunnen we dus ook niet mee rekenen. Daar vertelt God ons alleen maar over om ons klein en bescheiden te maken. Als iemand tot geloof komt, dan hebben wíj hem niet bekeerd.
En zo moet je met het evangelie de maatschappij in. Maar dat evangelie komt niet alleen. Want Christus redt ons helemaal. Niet alleen geestelijk, ook lichamelijk. Hij redt ook deze wereld. Het is ook niet voor niets, dat Jezus zoveel zieken heeft beter gemaakt. We zagen dat in het gedeelte uit Matteüs, dat we gelezen hebben. Dan heeft Jezus een drukke dag achter de rug. 's Morgens heeft Hij de schoonmoeder van Petrus beter gemaakt. 's Avonds brengt men vele bezetenen bij Hem. Normaal gesproken werkt een jood niet 's avonds. Maar Jezus doet dat wel. Hij drijft duivels uit en maakt zieken beter.
Kijk, dat is nu de Zoon van God, één en al evangelie.

En als je nu bij die Zoon van God hoort en tegelijk zit je een ander dwars, je hebt altijd kritiek op iemand, of met elkaar pest je iemand, je neemt hem in het ootje, je lacht daar met elkaar hartelijk om. Wat zie je dan gebeuren? Dat Jezus het leven opbouwt, dat Hij het gekwetste leven weer heel maakt en dat Hij dat vol toewijding doet. Maar jij, maar u breekt het leven van een ander af. Voor een deel, misschien voor een heel klein deel. Maar dat geeft niet. U, jij, weet uit ervaring hoe erg dat kan zijn. En dat kan natuurlijk niet: Jezus geneest, jij, u brengt schade toe en toch wilt u, wil jij graag bij Jezus horen en door Hem worden gered.
Je hoort wel eens zeggen, dat gereformeerde kinderen netzo zijn als alle andere kinderen en dat gereformeerde mensen netzo zijn als alle andere mensen. Gereformeerde kinderen pesten ook. Gereformeerde mensen doen ook wel eens onaardig. En dat is natuurlijk zo, maar het is een halve waarheid. Want die gereformeerde mensen en hun gereformeerde kinderen horen wel degelijk bij de Here Jezus. En het zou wel heel vreemd zijn, als daar niets van te zien zou zijn.
En dus: je mag niemand vermoorden. Maar je mag ook niet afgunstig zijn. Geen rivaliteit alstublieft. Wat er daarentegen wel moet zijn, dat is: geduld, vredelievendheid, vriendelijkheid. En dan dus zelfs tegenover wie niet gelooft. 'Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend', zegt Paulus in Filippenzen 4.
Een christen is niet chagrijnig. Hij is per definitie vriendelijk. Oké, hij heeft ook wel eens verdriet. Maar dat is iets anders dan chagrijnig zijn.
Best wel moeilijk. Ja, als je jezelf vergelijkt met anderen blijft dat moeilijk. Waarom zou je vriendelijk zijn, als die ander jou zoveel slechts aandoet? Maar het gedrag van die ander is niet jouw maatstaf. Die maatstaf berust bij God - bij jouw en uw goede Vader. En als kind van God móet je wel oog hebben voor de mensen in zijn wereld. De Vader zorgt voor ze. De Zoon wil hen zijn liefde geven. De Geest kan hen vernieuwen.

3. De Geest kan hen vernieuwen

Het leven van een mens is de moeite waard. Je ziet het daarin, dat God dat leven eenmaal weer levend maakt. Wees daarom zuinig op de levens van de mensen om je heen. God heeft er een eeuwige bedoeling mee. En wat is dat bijzonder, dat iets de eeuwigheid verduurt. En dat kan in principe voor iedereen gelden, met wie je te maken krijgt. Kan God niet iedereen bekeren?
Eeuwig leven. Daar heeft de Geest alles mee te maken. Het is de kroon op zijn werk. Hier werkt Hij geloof. Hier geeft Hij gaven. Hier geeft Hij een voorproefje van de nieuwe wereld met nieuwe mensen. En als je op die nieuwe wereld al die nieuwe mensen ziet, dan zie je het voltooide werk van de Heilige Geest.
Wie kan de Geest zover brengen? Alleen kerkmensen? Iedereen. De Geest is God. En netzo als God de Vader bij de schepping van deze wereld grote wonderen deed, zo zien we in Gods nieuwe wereld het resultaat van het bijzondere werk van de goddelijke Geest.
Die Geest woont in u, in jou. Hij doet in u, in jou zijn vernieuwend werk. Dat is prachtig. Wat zou het mooi zijn, als Hij dat ook in die ander deed. En dus ben je vriendelijk, vredelievend, geduldig, ook als iemand niet gelooft. Je gaat immers niet kapot maken, wat de Geest wel eens heel mooi zou kunnen maken.

Terug nu naar het begin. Waarin ben je als christen of als gereformeerde anders? Je bent anders door God. Dat betekent ook, dat je zorgvuldig omgaat met die ander, zelfs wanneer hij of zij niet gelooft. Maar doen ongelovigen dat ook niet? Dat kan. En dat kan dan twee dingen betekenen. Het zou kunnen zijn, dat wij op een te laag niveau zitten, dat er bij ons meer naastenliefde uit moet komen. Als je God en Christus kent, zou dat niet vreemd zijn. Het kan ook zijn, dat de ongelovige op een goed niveau zit, evenals wijzelf. Dat is mooi. Je ziet daaruit, dat God het kwaad in deze wereld afremt.
Misschien is het aanleiding voor een gesprek. 'Wat goed van je, dat je zo met iedereen omgaat. Het is ook fijn om lief te hebben. Het geeft voldoening en je krijgt vaak ook heel veel terug. Ik merk dat zelf ook. Maar ik vind nog veel meer voldoening in het liefhebben van God.'

Gun die ander het leven. Gun die ander het echte leven.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar