Gods heilige naam uitroepen

Thema: In ons gebed roepen wij de heilige naam van God uit
Tekst: Zondag 47 H.C.
Tekstgedeelte(n): Psalm 77
Zondag 47 H.C.
Door: Ds. P. Houtman (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Twijzel-Kollumerzwaag)
Gehouden te: Twijzel-Kollumerzwaag op 16 juli 2000; Dokkum op maart 2001

Aanwijzingen voor de Liturgie

Votum en zegengroet
(Morgendienst:) Lied 457
(Middagdienst:) Gez. 30: 1
(Morgendienst:) Wet
(Morgendienst:) Ps. 99: 6-8
Gebed
Lezen: Psalm 77
Ps. 77: 1-3
Tekst: Zondag 47 H.C.
Preek
Ps. 77: 4-6
(Middagdienst:) Geloofsbelijdenis
(Middagdienst:) Lied 457
Gebed
Collecte
Ps. 29: 2, 5
Zegen

Broeders en zusters, gemeente van de Here,

Bidden - hoe is dat nou voor u? Moeilijk, of makkelijk? Hoe vindt u dat, dat we elke keer in de catechismuspreken weer zoveel weken stilstaan bij het gebed? Is dat nodig? Moeten we daar nog in leren?
Het Onze Vader - dat kunnen we allemaal opzeggen. Dat leren we als kind al, thuis. En ook nog wel andere gebedjes. Aan tafel: "Here, zegen deze spijze..." En, voor het naar bed gaan: "Ik ga slapen, ik ben moe..." Dat is niet moeilijk.
De Here Jezus heeft ons een eenvoudig gebed geleerd. Ook wie moeilijk uit z'n woorden kan komen, ook wie heel moeilijk een eigen gebed onder woorden kan brengen, hoeft niet bang te zijn dat-ie hierin blijft steken.
Daar mogen we de Here wel dankbaar voor zijn, broeders en zusters. Nu hoeven we weinig tijd te besteden aan het instuderen van de inhoud. We kunnen ons helemaal concentreren op: Wat zéggen we eigenlijk daarmee, als we die woorden bidden? Wat betékent het, als we zo bij onze Vader in de hemel komen? Wat vragen we daarmee? Wat gaat er dan gebeuren? Willen we dat eigenlijk wel? Ons erin inleven.
Dat gebed, dat zo in ons hoofd zit, dat moet ook in ons hart zijn.
Dat begrijpt u wel. Als je alleen maar de woorden uit je hoofd opzegt, gedachteloos, zonder er innerlijk echt bij te zijn... dan heb je geen echt contact met je Vader in de hemel. Dat is nog geen bidden.
Misschien is juist daarom bidden wel zo moeilijk. Juist die eenvoudige woorden - besef je wel wat je vraagt? Meen je dat echt?
Direct al vanaf het begin. "Onze Vader, die in de hemelen zijt..." Dat is de 'aanspraak'. Nog voor je ook maar iets vraagt: Zo kom je bij Hem, zo spreek je Hem aan. Vol vertrouwen. En vol ontzag. Dat spreekt niet vanzelf. Niet zo als gelovigen wel eens doen voorkomen: "Natuurlijk, ik vertrouw wel op de Here, het komt allemaal best voor elkaar..." Nee, zo makkelijk is dat, diep in ons hart, niet.
En toch heeft de Here Jezus het ons zo geleerd. Niet: Probeer maar eens te bidden. Probeer maar eens of je bij Hem terechtkunt. Misschien dat je contact krijgt, dat je Hem vindt. Nee: Ga naar Hem toe vol diep vertrouwen; direct al vanaf het begin.
En dan... Dan komt de eerste bede. Dan begin je met iets te vragen. Maar dat sluit direct aan bij dat begin. "... Uw naam worde geheiligd!" Vader, in de hemel, ik vind u zo geweldig, dat moet iedereen wel zien! Te beginnen bij: mijzelf, en de mensen om mij heen! Vader, maak dat het zo zal zijn!

In ons gebed roepen wij de heilige naam van God uit

Dat is het thema van deze preek.
En we doen dat in de eerste plaats in zekerheid. Dat is dus het eerste punt. Ik zeg het nog een keer:

In ons gebed roepen wij de heilige naam van God uit. We doen dat in de eerste plaats in zekerheid.

1. We doen dat in zekerheid

Psalm 77: 14: "O God, in heiligheid is uw weg!"
Nee, dat spreekt niet vanzelf. Dat wij dat zo zeggen. Integendeel.
Soms, misschien. Op een moment als je er helemaal voor in de stemming bent. In een kerkdienst, of alleen thuis... Velen van ons kunnen thuis makkelijker bidden dan in de kerk, omdat je je dan beter kunt concentreren; er is minder om je heen dat je afleidt; het is vertrouwder, intiemer...
Een monnik, in z'n kloostercel; helemaal alleen; of met elkaar in een kapel. Afgesloten van de wereld. Als je alles om je heen even kunt vergeten... "O God, U bent heilig...!" Machtig kan dat klinken.
Maar het Onze Vader is niet een gebed om alles om je heen even te vergeten. En Psalm 77 is niet een Psalm om alles om je heen even te vergeten. Dat is nou echt een Psalm voor mensen van deze tijd. Midden in het lawaai van de wereld. Als het om je heen in je kamer een rommel is. Als er spanningen zijn thuis. Als je misschien ook in de gemeente niet de vrede proeft die de Here geeft. Als het allemaal niet goed lukt. Als je niet weet hoe je er doorheen moet komen. Kortom, als je overhoop ligt met je omgeving en met jezelf. "Ten dage mijner benauwdheid..."
En 's nachts... Ik kan niet slapen. Ik lig maar te woelen. En te piekeren. "Mijn ziel weigert zich te laten troosten" (vers 3). Dat kun je hebben: je kent wel allerlei troostwoorden, uit de bijbel, en mensen om je heen proberen je ook wel te troosten, maar je hebt er op dat moment niks aan, omdat je er zo middenin zit.
"Ik ben onrustig en kan niet spreken" (vers 5). Er gaat wel van alles in me om, maar het is allemaal zo tegenstrijdig en zo onduidelijk... Als iemand vraagt: "Wat is er nou eigenlijk met je aan de hand? Vertel het eens..." - hoe vriendelijk en goed bedoeld ook, dan kan ik daar geen duidelijk antwoord op geven.
Het is niet alleen maar dat er dingen in mijn leven moeilijk zijn. Je kunt niet verwachten dat alles altijd makkelijk zal gaan. Je werk; dat je op school altijd goede cijfers haalt... En je kinderen goed opvoeden, ja, dat is vaak moeilijk.
Maar de echte aanvechting zit dieper. Vers 8-10, een hele serie vragen. Kan ik eigenlijk nog wel op de hulp van de HERE rekenen? Is Hij nog wel bij mij, wil Hij mij nog wel helpen? Is Hij misschien zo boos op mij, dat Hij niet meer van mij wil weten? Vragen, niet alleen voor mijzelf, persoonlijk, maar ook voor de mensen om mij heen. In het algemeen: "Zal de HERE dan voor altoos verstoten, / en niet meer goedgunstig zijn?" Voor mijn kinderen; voor de gemeente; voor de wereld waar ik in leef. "Houdt de belofte op van geslacht tot geslacht?" Je ziet jezelf weer staan, met je kind, bij het doopvont. Eigenlijk denk je nog verder terug: dat je zo ook zelf gedoopt bent. Wat God gezegd heeft, maakt Hij dat nog wel waar?
En dan komt, na lang piekeren, het hoge woord eruit. "Daarom zeg ik (vers 11) - Daarom zeg ik: Dit krenkt mij, / dat de rechterhand van de Allerhoogste verandert." Ik zie de HERE niet meer doen wat Hij vroeger deed. Dat wil ik zien. Geen woorden, maar daden, van Hem.
En omdat ik dat niet zie, daarom is het zo donker voor me. 'Godsverduistering', heeft men dat wel genoemd. Hij lijkt zo ver weg.
Dan is het ook moeilijk om te bidden. "Ik ben onrustig en kan niet spreken". Ik ken de woorden wel, maar mijn hart is er niet klaar voor. Wat kan ik van de HERE verwachten? Ik, in mijn situatie, met al die vragen, in deze tijd, in deze wereld waar wij nu in leven? Wat mág ik van de HERE vragen? In het Nieuwe Testament komt het nog een keer terug: "Wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren" (Romeinen 8). Wil de HERE wel naar mij luisteren? Wil Hij wel doen wat ik van Hem nodig heb? Is Hij wel bij mij, om mij te helpen?

En nu zegt de Here Jezus: Begin maar zo te bidden: "Onze Vader, die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd".
Begin nou maar aan de andere kant. Begin niet bij jezelf. Want dan kom je er niet uit. Je hoeft niet te proberen om eerst zelf alles op een rijtje te krijgen. Als je bij jezelf begint, en dan van daaruit probeert op te stijgen, tot je eindelijk bij de troon van God bent om Hem wat te vragen... Dat lukt toch niet. Dan is het zo ver, en zo'n moeilijke weg, dan kom je er nooit.
Maar dat hoeft ook niet. Begin maar bij Hem. Want de weg is open. Daar heeft Hij van zijn kant voor gezorgd. Daar heb Ik, zijn Zoon, voor gezorgd. Je kunt zó, direct, bij Hem binnenlopen, bij Hem zijn. Dat zit in die aanspraak: "Onze Vader, die in de hemelen zijt".
En dan, daarom: begin maar bij Hem. Hoe Hij is. Begin maar met het daar over te hebben. Dan komt de rest ook wel. "Uw naam worde geheiligd!"
Zijn 'naam'. Als je Hem niet ziet en niet voelt, begin dan maar bij wat je wel wéét. Zijn naam, dat is: wat je van Hem, en over Hem, gehoord hebt.
"Ik zal de daden van de HERE gedenken..."; enzovoort, tot vier keer toe, in vers 12 en 13. Het is alsof de dichter zich daartoe moet dwingen. Zich moet concentreren. Nee, nou even niet over al die... Nou wil ik het dáár over hebben.
Het is alsof je onderweg bent. Het is noodweer. De regen striemt in je gezicht. De lucht is zwart en je schrikt van de donderslagen. Je bent onderweg naar huis. Naar Vader. Naar zijn feest. Je weet: Daar is Hij al mee bezig. Je hebt Hem als het ware al bezig gezien met de voorbereidingen. Het licht in de zaal; het dekken van de tafel. Dat zie je nu niet en dat voel je nu niet, maar je wéét het. En daar concentreer je nu je gedachten op.
Vader, U bent heilig! Uw heiligheid, die straalt af op uw huis (Psalm 93); dat is daar vol van. Uw huis in de hemel, en uw huis op aarde, zoals U dat zelf hebt gebouwd, zelf uitgetekend. Boven het gebruis van oceanen en machtige rivieren, het donderend geweld van de watermassa's - want zo is het hier in deze wereld; dat zien we; we worden er bang van -; maar daar bovenuit straalt uw heiligheid, uw macht.
En dan: uw daden, Vader! Wat U in het verleden hebt gedaan. En dan gaat de Psalm terug naar dé grote gebeurtenis uit de geschiedenis, die iedere gelovige Israëliet kent: de uittocht uit Egypte. Hét grote wonder van God. Zoals wij terug zouden gaan naar Jezus op aarde; naar Golgota. Daar gaat hij zich op concentreren, gaat het zich voorstellen: hoe was dat? Het wordt een machtige film, die hij zich voor z'n ogen ziet afspelen.
Weer: donderende watermassa's. Noodweer; onweer. Donder en bliksem. Zo als hij het heden beleeft: donker en dreigend... dat ziet hij voor zich in het verleden. Ja, maar zo ís de HERE ook, dat past bij Hem! De doortocht door de Rode Zee. In die vreselijke nacht.
Nee, het is niet alleen maar mooi en fijn, als de HERE verschijnt, als Hij zijn heerlijkheid laat zien. Daar worden mensen niet alleen maar blij van. De aarde beeft. Je trekt wit weg. Je krijgt kippenvel.
Machtig, HERE! Wat bent U geweldig! Je bent er stil van.
Dat is toch zo, op Golgota ook? Drie uur lang duisternis? Een schreeuwende Zoon van God? Een aardbeving, een tempelgordijn dat in tweeën scheurt?
"Uw weg was in de zee, / uw pad in grote wateren, / zodat uw voetsporen niet werden gekend". Als je daar nu gaat kijken, dan zie je daar niets meer van. Het is één grote zee. Hier was het; ongeveer. Je kunt het je niet voorstellen: was hier een pad? Waar Israël doorheen ging, met de HERE zelf aan de leiding?
Je ziet het niet. Maar het was er wel!
En dat was nou echt: de heilige God, die wonderen doet.
Hadden de Israëlieten hier om gebeden? Welnee, ze hadden alleen maar tot God geschreeuwd uit hun nood, ze zagen het echt niet meer zitten... Het was nooit in ze opgekomen dat zoiets mogelijk zou zijn!
"Gij hebt uw volk met machtige arm verlost!" "Gij leiddet uw volk als een kudde..." Het was echt verlossend! Voor ons, zijn volk. Het was in het verleden. Wij zien het nu niet meer. Maar het was wel zo! Dat volk, dat zijn wij, nu nog. Als Hij dat toen zo niet had gedaan, dan waren wij er helemaal niet meer geweest.
Wij, uw volk, door de eeuwen heen. Kijk, broeders en zusters, zo krijgt die eenzame bidder een brede blik. Ook broeders en zusters thuis, of in een verzorgingshuis of verpleeghuis, ziek, oud en zwak, die soms niet eens meer van hun kamer af komen... Ze zien een grote gemeente. Het volk van God, door de eeuwen heen. Als de bijbel opengaat. Dan wordt hun kleine wereldje wijder. En wij allemaal; in ons huis, in onze kamer, geknield (of bidt u nooit geknield?), alleen - we staan in de ruimte van de kerk van alle eeuwen en van over de hele wereld.
"Gij zijt de God, die wonderen werkt". "O God, in heiligheid is uw weg..." Daar trekt deze Psalm zich aan op in een donker heden. Ja HERE, zo bent U! In het noodweer, bent U verlossend bezig! Niemand begrijpt het. Niemand kan het nagaan, narekenen. Een mens kan niet over de bodem van de zee lopen. Een mens kan ook niet door de wolken lopen. Uw wegen zijn hoger dan onze wegen. Als wij alle mogelijkheden op een rijtje zetten: Zo zou het moeten, zo zou het misschien kunnen; laten we hopen dat het zo-en-zo gaat... Dan kunt U het nog weer heel anders, nog weer veel machtiger.
Zo bent U! "Ik zeg: dit krenkt mij, / dat de hand van de Allerhoogste verandert". Die zie ik niet aan het werk. En daar zit ik mee. Maar zelfs dan... Híj is nog dezelfde! Zijn náám is heilig! Daar trek ik me aan op!
Kijk, broeders en zusters, dat is de eerste bede. "Uw naam worde geheiligd!" In mijn nood, als het donker is om me heen, en donker in mijn hart, en ik weet niet hoe ik hier weer uit kom... dan trek ik me daaraan op, aan die naam, die wonderen, die machtige heiligheid van onze God!
Onze Vader...!
Als je zo bidt, dan valt er een lichtstraal in het donker. Waar je bidt, daar schijnt - opeens - het licht. Het licht van Vader, van zijn huis, zijn paleis in de hemel, boven al het donker van deze wereld uit. Dat licht weerkaatst in jouw kamer, in je huis; op je gezicht... in je hart. Je bent bij Hem, en Hij is bij jou... gekomen langs de weg die zijn Zoon zelf heeft gebaand, die open ligt. - Zijn Geest, de Geest van het gebed, die is in je en spreekt in je. Midden in de vragen van dit leven klinkt de zekerheid... klinkt de belijdenis: "Onze Vader..., uw naam is heilig; die moet beslist geheiligd worden!" Een zekerheid die de vragen niet wegveegt, maar die wel voorop staat, aan het begin van uw gebed; die altijd blijft staan als een rots in de branding.
Dat is het geheim van het gebed. Dat gebed, dat is het middelpunt van ons leven. Dat is de kracht ervan. Het licht, dat niet wordt gedoofd; als wij trouw zijn in het gebed, dan blijft dit licht schijnen.
Dit is dus het thema van deze preek: In ons gebed roepen wij de heilige naam van God uit. En het eerste punt was: we doen dat in zekerheid.

Het tweede punt:

2. We doen dat met verlangen

Want een bede, dat is toch altijd: een verlangen. Je vraagt, je verlangt iets van je Vader in de hemel.
Wat verlangen we dan? Kort gezegd: drie dingen: Laat míj dit zien; laten alle mensen dit zien; laten de mensen dit aan mij zien.

Eerst dus: laat míj dit zien.

Vader, uw naam worde door mij geheiligd! Want dat spreekt niet vanzelf, dat ik dat altijd doe. Uw naam is wel heilig, maar dat zie ik niet altijd. Ik kan soms zo blind zijn.
"Mijn stem is tot God, en ik roep". Zo begint deze Psalm. En dan komt dat lange stuk over die slapeloosheid en dat gepieker. Vader, geef mij niet over aan gepieker zonder U! Want waar zou ik dan blijven?
Laat mij nooit een gebed ópzeggen, zonder dat ook echt het licht schijnt in mijn hart. Uw licht, hoe donker het ook mag zijn in mijn leven.
Geef mij niet over aan het heden van deze wereld, met al die menselijke vragen, zonder dat het licht van uw bijbelse geschiedenis schijnt in mijn hart.

In de tweede plaats: laten alle mensen dit zien.

"Onze Vader...": wat voor mij belangrijk is, dat is ook belangrijk voor mijn broeders en zusters. En uiteindelijk ook voor alle mensen.
U bent heilig! "Gij hebt onder de volken uw macht doen kennen". Toen uw volk door de Rode Zee ging, en de Egyptenaren verdronken, toen kregen ze allemaal, de Kanaänieten en de andere volken eromheen, pijn in hun buik. Wie kan tegen zo'n volk, met zo'n God, op?
En dan nu!: Het kan toch niet zo blijven, dat U uw heiligheid laat zien, in uw daden, (en) in uw huis, en dat massa's mensen doen alsof dat niks voorstelt en ze daar niks mee te maken hebben? Dat ze al maar zeggen: Ach, het is toch maar donker in deze wereld; we weten toch niet goed wat we moeten; iedereen moet het maar uitzoeken... - terwijl uw licht onder de korenmaat verborgen blijft? Vader, laat uw heiligheid door de wolken heen breken; laat de Godszoon van Golgota door de wolken heen breken, zo dat iedereen Hém ziet!

En in de derde plaats, ten slotte: Laten de mensen het aan míj zien!

Als de mensen mij zien, laat uw naam dan geheiligd worden.
Ik vraag niet dat er kracht van mij uitgaat; iets geweldigs. Maar laat er wel iets goeds van mij uitgaan.
Het kan toch helemáál niet zo zijn dat de mensen zeggen: Die kerkmensen, daar heb je ook niks aan. Die doen wel alsof ze het allemaal zo goed weten, maar ze zijn geen haar beter dan wij; dan de wereld.
Want wij zijn uw kinderen, Vader in de hemel. Laat dat aan ons te zien zijn! U bent heilig. Laten wij dan ook heilig leven! Laten de mensen, voor zover ze met ons te maken krijgen, op ons kleine plekje waar u ons gezet hebt, aan ons iets weerspiegeld zien van uw heiligheid!
Ziet u, broeders en zusters: bidden, dat kan, van het begin af aan, nooit alleen maar zijn: een gebedje opzeggen; of een verlanglijstje indienen. Daar ben je altijd zelf in betrokken, met je hele leven. Als je dit vraagt, dan moet je zelf ook mee; jezelf ter beschikking van Vader stellen. Bidden, dat wordt dan ook echt het middelpunt van ons hele leven. Dat vraag je; Vader, laat het zo zijn! Minder niet.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://www.prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar